Featured

Monsters!

Hoos1503gjpg
Loukie Hoos, gewassen pentekening op papier, 2016. Expositie Galerie Ariana, Den Haag.

 

 

Het is het jaar van Jeroen Bosch. Hij overleed in 1516, en we herdenken dit als ware het zijn geboortejaar. Hij werd 65 jaar, en hij bevolkte de wereld met monsters, gedrochten, mismaakten,waanzinnigen, duivels, deugnieten.

Zij houden zich op in de ruimte tussen hemel en aarde, het gebied waar zich toen ook het voorgeborchte bevindt, de bewaarplaats voor de zielen van alle zondaars – en wie is er nu zonder zonde?

Wel te verstaan, al die uiteindelijk heelbare mensen, aan wie het bij leven niet gelukt is om die heling op eigen kracht tot stand te brengen. Nu kan dat met wat hulp en voorspraak van hun bewaarengel, persoonlijk bemiddelaar en gezant bij de Allerhoogste.

Deep down is er dan voor de onverbeterlijken ook nog een vagevuur en een hel, strafruimten voor hen die moeten branden, tijdelijk, of voor eeuwig, als verdoemd.

De bouw van Sint Jans Kathedraal heeft rond 1480 het punt bereikt waarop de 16 lucht-bogen kunnen worden aangebracht die deze ijle hoge constructie voor instorten moet behoeden. Dat is het werk de Vlaamse bouwmeester Allart Duhamel, zo ongeveer de buurman van Hieronymus Bosch, en diens zwager beeldhouwer Jan Heijms.

Zij vormen een gezworen driemanschap en zijn goede vrienden. Zij zijn het die de kathedrale luchtbogen doen bevolken met al deze angstaanjagende monsters, gedrochten, boze geesten en waanzinnigen.

Wie van hen de aanstichter was voor deze scheppingen weet ik niet, maar zij konden voortborduren op een al bestaande Zuid-Nederlandse traditie.

In 1480 zijn we nog volop in een tijdsgewricht dat later als de donkere Middeleeuwen wordt weggezet, een tijd waarin geen onderscheid te maken viel tussen geloof en bijgeloof, tussen natuurlijk, onnatuurlijk en bovennatuurlijk. Uiteindelijk, tussen de goeden en de kwaden.

De middeleeuwse mens is, zonder enige uitzondering, geneigd tot alle kwaad en vol zorgwekkende en ten hemel schreiende gedachten. Zozeer zelfs, dat vergeving een essentiële levensvoorwaarde is. Collectieve vergeving, of individuele. Zonder barmhartigheid en vergeving is het al op deze wereld een hel.

De heilige Antonius, aan wiens leven door Hieronymus Bosch een drieluik is gewijd zien we vierentwintig uur per dag bezig om zich het kwaad van het lijf te houden. Dag en nacht in een onophoudelijke worsteling. Een van zondigheid bezetene, ook al maakt hij zich daar niet aan schuldig. Hij moet in totale uitputting en verdwazing zijn overleden. De hemelpoort wordt bereikt door van het leven een hel te maken.

Die duistere middeleeuwen kent ook geen strikte scheiding tussen leven en dood. Bij overlijden neemt de ziel afscheid van het lichaam, en begint aan zijn zwervend bestaan. Geen anonieme maar een verweesde ziel. Een ziel met een naam. Er zijn geen dode zielen. En de verweesden bevinden zich niet in ver van de overlevenden, de nabestaanden, in een hen vertrouwde wereld. Zij blijven deel uit van een sociale gemeenschap.

Jeroen Bosch brengt ze in beeld. Zij zwermen om ons heen in de meest vreemde gedaanten. Iconen van onvolmaaktheid. In ontbering van de volmaaktheid der hemelen.

En zo, in die afzichtelijke omhulsels, krijgen zij hun plekje op een van de 16 luchtbogen van de Sint Jan. Zesennegentig bizarre schepselen. Misbaksels. Hoog boven alles uit. Ver boven de goedgelovigen in de kathedraal, die zich bewust zijn van wat hen te wachten staat en nog snel even een Onze Vader naar boven sturen.

Er zijn maar enkele tijdgenoten van Duhamel, Heijms en Bosch, die deze wereldvreemde, Unheimische types onder ogen krijgen. Maar ze beheersen vaak de gedachten.

Iedereen weet dat ze daarboven klaar zitten. Zijn ze wel uit steen gehouwen of zijn ze echt? Komen zij tot leven als de duisternis valt? Op bezoek in onze slaap? De Tempel van de Heer is eigenlijk een enorme schuilkelder.

***

Een van de diepere teleurstellingen in mijn jonge jaren is het moment waarop ik met mijn vader de talloze trappen en nauwe doorgangen van die Sint Jan heb bestegen, op weg naar de confrontatie met deze monsters en gedrochten.

In jaren vijftig is er nog geen lift. De toren is ook niet publiek toegankelijk. Maar mijn vader weet raad. Toont zijn versleten Perskaart van de Provinciale Brabantse Courant, en verricht wonderen.

Ergens in de crisisjaren is hij als werkloos ingenieur, de spreekwoordelijke ingenieur op de tram, twee jaar werkzaam als stadsverslaggever. In tijdelijke dienst, dus ik kan zijn verhalen niet terugvinden. Maar clandestien gaat de Perskaart nog jaren mee. In de oorlog. En daarna. We kunnen opstijgen.

Boven zien we uit op de helft van de 96 figuren die de luchtbogen bevolken. Mijn vader maakt foto’s, Agfa camera met blaasbalg, op statief.

Maar wat hier in feite wordt vastgelegd is hoe de Reformatie heeft huisgehouden nadat deze kathedraal rond 1620 werd onteigend. Voor de beeldenstormers van het eerste uur is het bogenspel buiten vizier. En dat blijft zo.

In de eeuwen daarna wordt hier geen enkel onderhoud verricht. Beelden? Nee dat bleef ook na die Reformatie een brug te ver. En zeker zulke godslasterlijke en liederlijke beelden, dieverdienden geen ander lot dan onopgemerkt door de tijd zelf te worden verkruimeld.

Pas in de 19e eeuw, als de Sint Jan nog steeds onder beheer staat van de gereformeerden, en enkele decennia later, als de emancipatie van de Roomsen tot stand komt vindt een restauratie plaats. Achteloos, op een koopje. Maar vooral: in de vorm van een radicale vervalsing van de geschiedenis.

Loekie en Bosch 1850

De rauwe Roomse heilsgeschiedenis van de Middel-eeuwen wordt omgeturned tot kinderlijk bijgeloof.

Kneuterige tuinkabouters met verwijfde gezichtjes, een een braaf boezeroentje aan, soms uitgerust met een banjo of doedelzak, hebben de plaats ingenomen van de gedrochten, monsters, mismaakten, en piemelmannetjes die geschiedenis maakten in de tijd van Jeroen Bosch en Allart Duhamel. De angels zijn eruit.

De burger kan weer rustig slapen.

Loekoe en Bosch 1450

Er zijn daarboven op die hemelbogen nog een paar beschutte uithoeken waar de monsters van die oude wereld het hebben uitgehouden.

De Aboriginals. Het contrast kan niet groter zijn.

Misschien is het niet mijn eigen, maar de diepe teleurstelling van mijn vader die bij mij als kind is blijven hangen. Misschien verklaart dat vergeten sentiment ook het genoegen waarmee ik nu naar die boze geesten van Loukie Hoos kijk.

Naar inhoud zijn die moeiteloos in te passen in een van de drieluiken van Jeroen Bosch.

Maar toch is er een belangrijk onderscheid. Bosch tekent zijn panelen propvol zondaars en zondigheid. Overspeligen, wraakzuchtigen, vreetzakken, wat al niet. En laat een eindeloze variatie van mogelijke afrekeningen zien die de booswichten te wachten staat. Dat is het Middeleeuwse levensbesef. Niet enkelen, maar iedereen zal met dit Sadistisch Universum en zijn meedogenloze afrekeningen te maken krijgen.

Zonden begaan is geen persoonlijke, individuele aangelegenheid, maar altijd een onbeheersbaar sociaal gebeuren van onbegrensde omvang. Zonden ontketenen meer zonden. Zij vermenigvuldigen zich. Zijn besmettelijk, zo niet epidemisch. Brandhaarden. Hele steden kunnen erdoor in de vlam slaan en ten onder gaan.

Dat is destijds misschien ook het meest verontrustende van al die monsters daar boven op de kathedraal van de Sint Jan. Het hele onheilspellende panopticum is daar bijeen, met al hun verschillende geaardheden, daar boven op hun luchtbogen in afwachting als de kraaien op een waslijn. Er hoeft er maar éen op te vliegen en je hebt de poppen aan het dansen.

De voorstellingen van Loukie Hoos zijn dan ook niet ontstaan als citaten uit het werk van Bosch. Zij sporen met een andere beeldtaal, die van de psychoanalyse.

Een psychoanalyse die als belangrijkste kenmerk heeft dat epidemische collectieve verdorvenheid eerst wordt gedomesticeerd, gepersonaliseerd en geïndividualiseerd. Een maatschappelijk verschijnsel wordt naar een laboratoriumsituatie verplaatst. Eerst die afscheiding en inkapseling maakt kwellende collectieve processen beheersbaar en behandelbaar. Een canapé plus een persoon, dat is een client als object van studie, van onderzoek, van zorg.

De Zeven hoofdzonden van Jeroen Bosch en veel andere van zijn spraakmakende werken hebben ondanks de Reformatie het leven gered, voor een belangrijk deel omdatzij door de Spanjaarden en andere grootstedelijke buitenlanders werden aangekochten mee naar huis genomen.

Zoals de Tuin der Lusten waar zo’n honderd stellen bloteriken te paard of op meer bizarre viervoeters rondjes maken in hun paradijs. Het schilderstuk wordt tot op heden door Spaanse hovelingen geëerd als een ultieme ode aan de herenliefde. Daar wist men in het katholieke Spanje altijd al raad mee.

De Zeven Hoofdzonden zijn in vergetelheid geraakt. Daarvoor hebben we de Zeven Depressies teruggekregen van de psychoanalytische therapie. Op individueel niveau hanteerbaar en oplosbaar gemaakt en daardoor bij voorbaat al niet meer mateloos verontrustend.

In de prenten van Loukie Hoos zie ik de gulheid terug waarmee onderhuidse gewelddadigheid, kwaadaardigheid, en andere vormen van monsterlijkheid in het menselijk handelen, en de angsten die dat oproept uit de onderste la is gehaald . Het wordt in subtiele pennenstreken tot uitdrukking gebracht. Auf dem Punkt gebracht zou Burckhardt Söll kunnen zeggen.

Dezelfde die ook Jeroen Bosch onbeschroomd en met gretigheid optekende. En bij hen beiden tref ik die humoristische ondertoon, de slinkse handomdraai van een Sukke&Wikke, de ruimhartige relativering, die je doet glimlachen of misschien zelfs schateren over al dat menselijk drama, dat vertoon van het menselijk tekort, die RozebuikCommedia dell’Arte.

Als het nog eens tot een uitvoering komt, en ik zie die driftige balletten al voor mij, heb ik een titel bij de hand. “Avonturen van vrouwtje Rozebuik.” Auf der Spitzen, Bitte!

Crash, Crash, Who’s There?

ℜℜℜ

Dit loopt uit op een veel langer verhaal dan mij voor ogen stond. Ik denk dat mijn tekst onverhoeds uit de wreedheid van een persoonlijke ellende geboren is. Praise the Lord!
De software waarin ik mijn onderzoekproject Bossche Knarren tot voor kort had opgeborgen heeft het veertien dagen geleden begeven.

ℜℜℜ

Eigen schuld dikke bult. Ik had er in de loop der tijd (zegge en schrijve 15 jaar) ruim 300.00 records in opgeborgen, elk record een met de Teulings stam gekoppeld persoon. Met alles erop en eraan, bronnen, plaatjes, verbanden met gebeurtenissen en mogelijk interessante netwerken. Noem maar op.

ℜℜℜ

Het is gecrasht op mijn hoogmoed, en daarna volgt de val. De allergrootste harde schijf in de Mac wereld, het allergrootste geheugen, maar 300.000, ja, daar was het tenslotte niet meer tegen opgewassen.

ℜℜℜ

Als ik nu mijn bestand open maak moet ik zeven minuten wachten tot er een begin van leven is en ik toegang heb. Ik zie het invoermenu, maar kan niets meer toevoegen of veranderen, elke letter die ik tik krijgt een wachttijd mee van meer dan een minuut. De verbinding met mijn cloud is verbroken. Synchronisatie met andere software is niet meer mogelijk. Van alles geprobeerd. Mijn Mac opgeschoond, mijn geheugens meermalen opgeruimd, geprobeerd overtollige records te verwijderen zodat de omvang verminderd. Het lukt niet meer.

ℜℜℜ

Af en toe krijg ik van mijn trouwe vriendenkring nog leuke, interessante records toegezonden. Ik sla ze nu op in een klein eigen bestandje, voor later.
Het project Bossche Knarren, 300.000 records, bracht mij na vele jaren van zwoegen en zweten bij een zeer bescheiden aantal eerste bewoners van de Vrijdom Orthen in het jaar 1164.
Dat is dan bijna geen geschiedenis meer maar archeologie.

ℜℜℜ

Het is het jaar waarin, volgens de oudst beschikbare oorkonde, de toenmalige Hertog van Brabant, graaf van Leuven en Markies van Antwerpen, deze Vrijdom verwerft, en in het westelijk deel ervan een vestingstad sticht, eentje van meerdere oppida langs de zuidoever van de Maas, de rivier die hij zag als de nieuwe landgrens van zijn Noord-Brabantse Gewest. Zoals ooit de Romeinen dat deden aan de grenzen van hun Imperium, niet toevallig ook aan diezelfde Maas.

ℜℜℜ

De vrije lieden die in Orthen gevestigd zijn worden nu onder gezag van de eerste Hertog van Brabant bevestigd als de eerste burgers van dit Novo Oppidum, zijn onderdanen, naast de Hertog en zijn vazallen ook waarachtige grondleggers. Maar ook ‘s-Hertogs mannen, door hem sterk bevoorrechte burgers – zoals de tolvrijheid in het gehele Hertogdom.

ℜℜℜ

Eén van die families, in de bronnen beschreven als Tolinc (spreek uit als Teulings), mag ik rekenen tot mijn voorvaderen in rechte lijn.
Het zijn zelfs door de eeuwen heen geboren Bosschenaren tot en met wijlen mijn vader Jos Teulings, geboren in 1910. In de Hinthamerstraat éen van die drie verharde straten die al bestond rond 1250.

ℜℜℜ

Hoeveel generaties terug is dat? Het was voor mij onmiddellijk na te zien in mijn geweldige bestand, maar ja, dat is dus niet meer zo. Het bestaat nog wel maar is vrijwel ontoegangelijk. Het kost mij nu minstens een kwartier om dat ene feitje op te duikelen.

ℜℜℜ

Ontmoedigend, dat is het woord geloof ik. En, de raven cirkelen krassend boven mijn hoofd, juist in dit achterliggend jaar is mijn eigen geheugen, die grauwe massa onder mijn hersenpan, grotendeels verloren gegaan.

ℜℜℜ

Niet meer toegankelijk ook, geen Alzheimer of zo, maar gewoon, Fu-Shi, elke maand meer en meer Fu-Shi. Geen crash, maar op, aan zijn eind van zijn werkzame leven denk ik na bijna 80 jaar onuitputtelijke en eervolle dienstverlening.
Gelukkig zijn er nog genoeg losse eindjes in dit brein om er mijn huidige intellectuele arbeid aan vast te knopen.
Ik zit nog, langer dan ooit, tien of twaalf uur per dag achter mijn Mac. Hoop op een andere manier aan Mijn Bossche Knarren project wat verder te kunnen breien.

ℜℜℜ 

Want wat ik met Bossche Knarren wilde, en nog steeds wil, is om die twintig andere families uit het Orthen van 1164, waarvan er een stuk of drie, vier die net als de Tolincx ook heden ten dage nog in beeld zijn, en de anderen door hun eigen geschiedenis opgeslokt, in onderlinge vergelijking van generatie tot generatie in ogenschouw nemen.

ℜℜℜ

Hun Wel en Wee. Hoe waren zij in 1164 met elkaar verbonden? Met de locale wetgevende macht (de schepenbank van ‘s-Hertogenbosch), de locale uitvoerende macht, de locale bureaucratie, zoals de eerste en de latere rentmeesters; de rechterlijke macht, deels bij de schepenbank, deels bij de locale ambtenaar van de Hertog, de schout.
Met de kerkelijke machthebbers, niet te vergeten, de prins-bisschoppen van Keulen, Utrecht en Leuven, de locale kanunniken in het kapittel van de Sint Jan, de Papen in de Bossche Parochies, en – dat geldt voor al deze functionarissen, zij allen, wereldlijk of niet, gezegend met een schare van kinderen en kleinkinderen, vaak het gezag van hun vader als erfgoed naar een volgende generatie meenemend.

ℜℜℜ

Ooit had ik voor de kwantitatieve analyse van deze locale netwerkjes in de dynamiek der tijden een prachtig software-programma op mijn plank liggen dat ik al in de jaren zeventig in een primitieve variant in gebruik nam op het NIPG. Met mijn gelijkgezinde collega’s van destijds Hans Philipsen, Mauk Mulder, Jaap Rabbie. Heerlijk! Die namen komen nu zomaar op! God hebbe hun ziel.

ℜℜℜ

Ach ja, die overtrokken dromen, perspectieven, verbeeldingskrachten, zij zijn altijd deel van mijn leven geweest. Lustvolle gedachten. Meestal wat speels ook. Een wand vol Bolletjes in verschillende kleuren, dikke en dunne lijntjes daartussen, sommigen die plotseling afbreken, uitlopend in het niets, andere, zoals bij de Tolincx bolletjes, die in een eindeloze keten lijken door te gaan.

ℜℜℜ

Nu, met deze twee rampzalige catastrofes in mijn leven, stelt zich de onverwachte vraag: overleef ik mijn Crashes? En hoe dan wel?
De kraaien zwermen luidkeels krassend over mijn dak gekrast. Yes my dears, we know it, we’ve heard you! Crash, Crash!
Maar, op mijn leeftijd, dat moet toch blijken! Dan wordt je ook door een of twee crashes niet meer verslagen. Je bent al door de wol geverfd.

ℜℜℜ

Ook bij zoiets als dit. Er ligt altijd weer een goed leefbare toekomst in het verschiet. Met mijn Loukie, die komt af en toe binnen op mijn werkkamertje, aait even over mijn bol, blaast wat in mijn nek.
Veel meer kan het niet zijn, want als ik maar even uit mijn diepe concentratie raak, dan weet ik al niet meer waar ik gebleven ben. Koffie, een glas melk, een banaan.
Ze is bezig met een complex boek, ter voorbereiding van een bijeenkomst van een van haar leesclubs. Daar valt ook veel over te zeggen. Hardvochtig ben ik dan. In mijn lege hoofd is daarvoor even geen ruimte vrij.

ℜℜℜ

Nog even dit. Mijn logboek. Als ik het hier niet dump, op dit plekje, dan ben ik het over een uur voorgoed kwijt:
Eerst dat mailtje van mijn wat jongere broer Frank. Frank. Nomen est Omen. Hij studeerde Frans, werd dus leraar Frans. Ook docent aan de Universiteit? Dat heb ik niet meer paraat. Zijn tweede huwelijk, na het overlijden van zijn eerste vrouw, was met “mijn blonde Francaise”. Je kunt ver gaan in de trouw aan je geestelijk erfgoed. Onze Pa, talenwonder, was befaamd om zijn beheersing van de Franse taal. Frank heeft zich als zijn legitiem erfgenaam ontwikkeld.

ℜℜℜ

Ik heb er wat graantjes van meegepikt, zoals mijn oudere broer Jan, in 2016 overleden. Hij sprak, las en schreef net als Frank en ik, in navolging van onze Pa, niet zo vlekkeloos maar wel moeiteloos in onze drie West-Europese talen.

ℜℜℜ

Nu ik dit neerschrijf realiseer ik mij dat er in de rechte lijn naar de Tolincx uit 1164, in bijna elke generatie wel een of twee van die talenwonders te vinden zijn. Kooplieden, bereisd, mannen van de wereld. ‘s-Hertogenbosch groeide immers, na Antwerpen en Gent, al snel uit tot de grootste stad van de Lage Landen. Was dat cosmopolitische trekje ook bij die andere Bossche Knarren uit 1164 zo aanwezig? Zijn daar voor die familie andere specifieke ‘erfelijkheden’ te ontwaren van vele generaties her? Het vrijwel ontoegankelijke bestand zal daar toch antwoord moeten geven. Mijn hoofd, dat is leeg, mijn gedachten vormen zich nog uitsluitend op voorwaarde van een herkenning.

ℜℜℜ

Broer Frank reageerde op mijn stukje op Facebook en WordPress over het Cijferboek van Cornelius Theulings, van de Rijtuigmakerij, zes generaties terug.
Toen, getroffen door de klaarheid en kalligrafische schoonheid van zijn handschrift, meende ik die verwantschap te herkennen, een andere misschien erfelijke verworvenheid.

ℜℜℜ

Ook de epistels uit mijn jonge jaren werden gezien als een wonder van schrijfkunst. Het gerucht ging rond bij de leraren op de middelbare school. Enkelen van hen beijverden zich om het excuus te vinden waarmee zij mij met een stevig strafwerk op konden zadelen.
Teulings? Voor de Klas! “Deze zin” krijg ik toegeworpen, “en dan duizend maal”
“Ja meneer”, zei ik dan, ging onmiddellijk de klas uit om een ochtend of een lange dag te kunnen spijbelen op het Postkantoor.

ℜℜℜ

Daar staan die acht hoge lessenaars, met zijwanden tegen vreemde blikken beschut. Daar vind ik de witte porcelijnen inktpot, verzonken in het achterhout, daar doop ik een kroontjespen in de inkt. Vraag bij de dienstdoende chef om een brandnieuw pennetje en zet mij welgemoed aan het werk. Ik koop daarvoor een speciaal schrift, stevig dik papier, lichtblauw gelinieerd, met een bleekroze kantlijn.

ℜℜℜ

Later word ik wel eens door zo’n leraar bij hem thuis uitgenodigd, bij zijn vrouw ook die het onrecht van haar man wil goedmaken.
En daar, boven een schrijftafel in de hoek van de kamer, ingelijst in een kersenhouten lijstje, daar hingen twee of drie pagina’s van mijn strafwerk. Kunst avant la lettre. Appelgebak met slagroom voor de maker.

ℜℜℜ

Broer Frank blijkt een in mijn ogen ongepaste conclusie getrokken te hebben uit het stukje over Cornelius. Strijdig met onze toch wankelmoedige familiegeschiedenis.
“Onderwerp: Cornelis Theulings”
“Mooi verhaal over Cornelis en alle andere Wagenmakers.
Als ik het goed begrijp waren wij in de achttiende eeuw de onderkoningen van Bois- le-Duc !!”

ℜℜℜ

Maar, zo gaat dat onder broers, dat kan ik niet onweersproken laten:
“Subject: Re: Cornelis Theulings
Nee hoor, dat zijn we nooit geweest behalve rond 1300-1450. Ik zal mijn verhaal over Cornelis nog eens nalezen, want als ik jouw conclusie serieus moet nemen dan vind ik dat een zeer verontrustende gedachte.
Om te beginnen hadden de katholieken in Brabant, dus ook in ‘s-H vanaf 1624 tot 1874 geen burgerrechten, net zoals de Joden. Alleen wie lid was van de Staatskerk kreeg toegang tot een bestuurlijke functie. Bovendien werden de Teulingsen tussen 1624 en 1670 door de gereformeerden beroofd van vrijwel al hun bezittingen, dat was het lot van alle oude Bossche regentenfamilies, behalve de Teulingsen die onderdoken in kleine vrijstaatjes of in de Zuidelijke Nederlanden, of, zoals een paar broers van onze voorvader in rechte lijn, door bekering tot de Remonstrantse gemeente (waarmee zij hoopten op een subtiele mix van de meest aanvaardbare teksten van Luther en de meest aanvaardbare Roomse geluiden, vanuit een paar van de voormalige – niet door een beeldenstorm kaalgeplukte katholieke kerkgebouwen)
Dat experiment liep helemaal mis, maar de Amsterdamse Teulingsen in onze meest naaste familie, zowel als de Antwerpse, die werden stinkende rijk In Amsterdam, in de grootste grachtenpanden aan de Herengracht en Keizersgracht, in Antwerpen idem dito, raakten soms zelfs verknoopt met de hogere adel. Buitenhuizen en kasteeltjes van plezier.
De Teulingsen, zowel die van de Uitgeverij/Drukkerij van Coen, als die van ‘onze’ Rijtuigmakerij mochten alleen naar het middelbaar onderwijs dat zich beperkte tot rekenen en schrijven (de voorloper van de HBS) en niet naar de Illustere Scholen waar Grieks en Latijn werd onderwezen. Ook was er geen plek voor hen aan enige Universiteit, behalve die van Leuven (onder gezag van een Aartsbisschop in Aken. En ze konden dus ook naar Parijs en Bologna. De optie werd met mate, bescheiden, af en toe benut.
Ik dacht dat ik dit verhaal al eens uitgeschreven en gepubliceerd had op Internet. Kennelijk blijven liggen in mijn omvangrijke vergeethoek.”

ℜℜℜ

En een aantal dagen daarna krijg ik dan die email van mijn collega en vriend Dr. Lucas van Dijck, historicus en befaamd kenner van de Bossche middeleeuwse geschiedenis, die mijn commentaar op de kanttekening van Frank heeft gelezen, en mij daarop uitvoerig zijn complimenten maakt over “dit interessante artikel”.
Kijk, dat vindt ik nu die wentelgang der geschiedenis, die zich ook in het kleine, tot in de diepste poriën van het leven voltrekt.
Mijn terzijde, ik heb er niets voor hoeven doen, krijgt zo van vriend en geleerde Lucas, aan wiens opvattingen ik grote waarde hecht, een kersenhouten lijstje.