Featured

Monsters!

Hoos1503gjpg
Loukie Hoos, gewassen pentekening op papier, 2016. Expositie Galerie Ariana, Den Haag.

 

 

Het is het jaar van Jeroen Bosch. Hij overleed in 1516, en we herdenken dit als ware het zijn geboortejaar. Hij werd 65 jaar, en hij bevolkte de wereld met monsters, gedrochten, mismaakten,waanzinnigen, duivels, deugnieten.

Zij houden zich op in de ruimte tussen hemel en aarde, het gebied waar zich toen ook het voorgeborchte bevindt, de bewaarplaats voor de zielen van alle zondaars – en wie is er nu zonder zonde?

Wel te verstaan, al die uiteindelijk heelbare mensen, aan wie het bij leven niet gelukt is om die heling op eigen kracht tot stand te brengen. Nu kan dat met wat hulp en voorspraak van hun bewaarengel, persoonlijk bemiddelaar en gezant bij de Allerhoogste.

Deep down is er dan voor de onverbeterlijken ook nog een vagevuur en een hel, strafruimten voor hen die moeten branden, tijdelijk, of voor eeuwig, als verdoemd.

De bouw van Sint Jans Kathedraal heeft rond 1480 het punt bereikt waarop de 16 lucht-bogen kunnen worden aangebracht die deze ijle hoge constructie voor instorten moet behoeden. Dat is het werk de Vlaamse bouwmeester Allart Duhamel, zo ongeveer de buurman van Hieronymus Bosch, en diens zwager beeldhouwer Jan Heijms.

Zij vormen een gezworen driemanschap en zijn goede vrienden. Zij zijn het die de kathedrale luchtbogen doen bevolken met al deze angstaanjagende monsters, gedrochten, boze geesten en waanzinnigen.

Wie van hen de aanstichter was voor deze scheppingen weet ik niet, maar zij konden voortborduren op een al bestaande Zuid-Nederlandse traditie.

In 1480 zijn we nog volop in een tijdsgewricht dat later als de donkere Middeleeuwen wordt weggezet, een tijd waarin geen onderscheid te maken viel tussen geloof en bijgeloof, tussen natuurlijk, onnatuurlijk en bovennatuurlijk. Uiteindelijk, tussen de goeden en de kwaden.

De middeleeuwse mens is, zonder enige uitzondering, geneigd tot alle kwaad en vol zorgwekkende en ten hemel schreiende gedachten. Zozeer zelfs, dat vergeving een essentiële levensvoorwaarde is. Collectieve vergeving, of individuele. Zonder barmhartigheid en vergeving is het al op deze wereld een hel.

De heilige Antonius, aan wiens leven door Hieronymus Bosch een drieluik is gewijd zien we vierentwintig uur per dag bezig om zich het kwaad van het lijf te houden. Dag en nacht in een onophoudelijke worsteling. Een van zondigheid bezetene, ook al maakt hij zich daar niet aan schuldig. Hij moet in totale uitputting en verdwazing zijn overleden. De hemelpoort wordt bereikt door van het leven een hel te maken.

Die duistere middeleeuwen kent ook geen strikte scheiding tussen leven en dood. Bij overlijden neemt de ziel afscheid van het lichaam, en begint aan zijn zwervend bestaan. Geen anonieme maar een verweesde ziel. Een ziel met een naam. Er zijn geen dode zielen. En de verweesden bevinden zich niet in ver van de overlevenden, de nabestaanden, in een hen vertrouwde wereld. Zij blijven deel uit van een sociale gemeenschap.

Jeroen Bosch brengt ze in beeld. Zij zwermen om ons heen in de meest vreemde gedaanten. Iconen van onvolmaaktheid. In ontbering van de volmaaktheid der hemelen.

En zo, in die afzichtelijke omhulsels, krijgen zij hun plekje op een van de 16 luchtbogen van de Sint Jan. Zesennegentig bizarre schepselen. Misbaksels. Hoog boven alles uit. Ver boven de goedgelovigen in de kathedraal, die zich bewust zijn van wat hen te wachten staat en nog snel even een Onze Vader naar boven sturen.

Er zijn maar enkele tijdgenoten van Duhamel, Heijms en Bosch, die deze wereldvreemde, Unheimische types onder ogen krijgen. Maar ze beheersen vaak de gedachten.

Iedereen weet dat ze daarboven klaar zitten. Zijn ze wel uit steen gehouwen of zijn ze echt? Komen zij tot leven als de duisternis valt? Op bezoek in onze slaap? De Tempel van de Heer is eigenlijk een enorme schuilkelder.

***

Een van de diepere teleurstellingen in mijn jonge jaren is het moment waarop ik met mijn vader de talloze trappen en nauwe doorgangen van die Sint Jan heb bestegen, op weg naar de confrontatie met deze monsters en gedrochten.

In jaren vijftig is er nog geen lift. De toren is ook niet publiek toegankelijk. Maar mijn vader weet raad. Toont zijn versleten Perskaart van de Provinciale Brabantse Courant, en verricht wonderen.

Ergens in de crisisjaren is hij als werkloos ingenieur, de spreekwoordelijke ingenieur op de tram, twee jaar werkzaam als stadsverslaggever. In tijdelijke dienst, dus ik kan zijn verhalen niet terugvinden. Maar clandestien gaat de Perskaart nog jaren mee. In de oorlog. En daarna. We kunnen opstijgen.

Boven zien we uit op de helft van de 96 figuren die de luchtbogen bevolken. Mijn vader maakt foto’s, Agfa camera met blaasbalg, op statief.

Maar wat hier in feite wordt vastgelegd is hoe de Reformatie heeft huisgehouden nadat deze kathedraal rond 1620 werd onteigend. Voor de beeldenstormers van het eerste uur is het bogenspel buiten vizier. En dat blijft zo.

In de eeuwen daarna wordt hier geen enkel onderhoud verricht. Beelden? Nee dat bleef ook na die Reformatie een brug te ver. En zeker zulke godslasterlijke en liederlijke beelden, dieverdienden geen ander lot dan onopgemerkt door de tijd zelf te worden verkruimeld.

Pas in de 19e eeuw, als de Sint Jan nog steeds onder beheer staat van de gereformeerden, en enkele decennia later, als de emancipatie van de Roomsen tot stand komt vindt een restauratie plaats. Achteloos, op een koopje. Maar vooral: in de vorm van een radicale vervalsing van de geschiedenis.

Loekie en Bosch 1850

De rauwe Roomse heilsgeschiedenis van de Middel-eeuwen wordt omgeturned tot kinderlijk bijgeloof.

Kneuterige tuinkabouters met verwijfde gezichtjes, een een braaf boezeroentje aan, soms uitgerust met een banjo of doedelzak, hebben de plaats ingenomen van de gedrochten, monsters, mismaakten, en piemelmannetjes die geschiedenis maakten in de tijd van Jeroen Bosch en Allart Duhamel. De angels zijn eruit.

De burger kan weer rustig slapen.

Loekoe en Bosch 1450

Er zijn daarboven op die hemelbogen nog een paar beschutte uithoeken waar de monsters van die oude wereld het hebben uitgehouden.

De Aboriginals. Het contrast kan niet groter zijn.

Misschien is het niet mijn eigen, maar de diepe teleurstelling van mijn vader die bij mij als kind is blijven hangen. Misschien verklaart dat vergeten sentiment ook het genoegen waarmee ik nu naar die boze geesten van Loukie Hoos kijk.

Naar inhoud zijn die moeiteloos in te passen in een van de drieluiken van Jeroen Bosch.

Maar toch is er een belangrijk onderscheid. Bosch tekent zijn panelen propvol zondaars en zondigheid. Overspeligen, wraakzuchtigen, vreetzakken, wat al niet. En laat een eindeloze variatie van mogelijke afrekeningen zien die de booswichten te wachten staat. Dat is het Middeleeuwse levensbesef. Niet enkelen, maar iedereen zal met dit Sadistisch Universum en zijn meedogenloze afrekeningen te maken krijgen.

Zonden begaan is geen persoonlijke, individuele aangelegenheid, maar altijd een onbeheersbaar sociaal gebeuren van onbegrensde omvang. Zonden ontketenen meer zonden. Zij vermenigvuldigen zich. Zijn besmettelijk, zo niet epidemisch. Brandhaarden. Hele steden kunnen erdoor in de vlam slaan en ten onder gaan.

Dat is destijds misschien ook het meest verontrustende van al die monsters daar boven op de kathedraal van de Sint Jan. Het hele onheilspellende panopticum is daar bijeen, met al hun verschillende geaardheden, daar boven op hun luchtbogen in afwachting als de kraaien op een waslijn. Er hoeft er maar éen op te vliegen en je hebt de poppen aan het dansen.

De voorstellingen van Loukie Hoos zijn dan ook niet ontstaan als citaten uit het werk van Bosch. Zij sporen met een andere beeldtaal, die van de psychoanalyse.

Een psychoanalyse die als belangrijkste kenmerk heeft dat epidemische collectieve verdorvenheid eerst wordt gedomesticeerd, gepersonaliseerd en geïndividualiseerd. Een maatschappelijk verschijnsel wordt naar een laboratoriumsituatie verplaatst. Eerst die afscheiding en inkapseling maakt kwellende collectieve processen beheersbaar en behandelbaar. Een canapé plus een persoon, dat is een client als object van studie, van onderzoek, van zorg.

De Zeven hoofdzonden van Jeroen Bosch en veel andere van zijn spraakmakende werken hebben ondanks de Reformatie het leven gered, voor een belangrijk deel omdatzij door de Spanjaarden en andere grootstedelijke buitenlanders werden aangekochten mee naar huis genomen.

Zoals de Tuin der Lusten waar zo’n honderd stellen bloteriken te paard of op meer bizarre viervoeters rondjes maken in hun paradijs. Het schilderstuk wordt tot op heden door Spaanse hovelingen geëerd als een ultieme ode aan de herenliefde. Daar wist men in het katholieke Spanje altijd al raad mee.

De Zeven Hoofdzonden zijn in vergetelheid geraakt. Daarvoor hebben we de Zeven Depressies teruggekregen van de psychoanalytische therapie. Op individueel niveau hanteerbaar en oplosbaar gemaakt en daardoor bij voorbaat al niet meer mateloos verontrustend.

In de prenten van Loukie Hoos zie ik de gulheid terug waarmee onderhuidse gewelddadigheid, kwaadaardigheid, en andere vormen van monsterlijkheid in het menselijk handelen, en de angsten die dat oproept uit de onderste la is gehaald . Het wordt in subtiele pennenstreken tot uitdrukking gebracht. Auf dem Punkt gebracht zou Burckhardt Söll kunnen zeggen.

Dezelfde die ook Jeroen Bosch onbeschroomd en met gretigheid optekende. En bij hen beiden tref ik die humoristische ondertoon, de slinkse handomdraai van een Sukke&Wikke, de ruimhartige relativering, die je doet glimlachen of misschien zelfs schateren over al dat menselijk drama, dat vertoon van het menselijk tekort, die RozebuikCommedia dell’Arte.

Als het nog eens tot een uitvoering komt, en ik zie die driftige balletten al voor mij, heb ik een titel bij de hand. “Avonturen van vrouwtje Rozebuik.” Auf der Spitzen, Bitte!

Wouter Toelinck en Het Witte Fortuin

II

Hollandsche Nieuwe

℘℘℘℘℘℘

Er is nu, na mijn intensieve puzzelwerk (Op Zoek naar de Wolvenhoek), wat meer bekend over de woonomgeving van Wouter Toelinck, de man waarvan ik in overmoed besloten heb de doopceel te lichten.

℘℘℘℘℘℘

Hij bewoont in 1610 een huis, dat drie eeuwen later, in 1910, wanneer Sasse van Ysselt zijn Voorname Huizen enkele aantekeningen maakt, bekend staat als de Wolvenhoek 6. Waar die naam dan opeens vandaan komt is voor hem ook nog een raadsel. Ik kan die vraag laten rusten. Bij van Gurp (2013, p.201) lees ik dat ‘wolven‘ tijdens en na de Bossche Beeldenstorm en de Calvinistische machtsovername van het stadsbestuur soms door de Roomse bevolking gebruikt is als een schimpwoord, de ‘calvinistische wolven‘. Zij die zich tegoed doen aan bezittingen die door katholieke kooplieden op hun vlucht naar Amsterdam en Antwerpen worden achtergelaten. Die ervaring, als de herinnering nog levend is geweest en van toepassing op de bewoners in 1910, zou kunnen hebben geleid tot de benaming van dit deel van de de buurt als de Wolvenhoek. Panden met een bittere geschiedenis.

℘℘℘℘℘℘

Her huis op de Wolvenhoek bevindt zich in een wijk hartje ‘s-Hertogenbosch, nabij de grote Markt. In 1610 is diezelfde locatie bekend onder verschillende benamingen, waarvan “aan de Zijle” het meest wordt gebruikt. De Zijle blijkt niet een huisadres, maar de benaming van een kleine compacte stadswijk te zijn, vier steegjes, met elk twaalf tot zestien dicht tegen elkaar aangebouwde huizen. De hoekhuizen van steen, daartussen drie verdiepingen hoog, panden in houten vakwerkbouw, met ‘oversteken‘, sterk overhangende etages op de eerste en tweede verdieping.

℘℘℘℘℘℘ 

Om ruimte te winnen zonder een extra grondbelasting kwijt te zijn aan het Hof van Brabant en aan de stadsrentmeester, vergroten de kooplieden hun bezit  niet alleen door een overkluizing van de stadsgracht, de Zijle, maar ook door een forse oversteek van de bovenverdiepingen. Dat leidt tot een overkoepeling van hun steeg, zodat zij soms vanaf de tweede verdieping het hand van hun overburen kunnen schudden.

℘℘℘℘℘℘

De standaardbreedte van een huis in deze wijk is 36 voet, ongeveer 12 meter, maar zo’n pand telt na verloop van tijd meestal twee eigenaren, die elk 18 voet voor hun rekening nemen. Kortom, we een wijk van rond 200 gezinnen. Eén daarvan is het gezin van Wouter Toelinck.Een speld in de hooiberg.

℘℘℘℘℘℘

De Zijle is een befaamde koopliedenbuurt. Het zijn veelal rijke kooplieden die dan, anno 1610 hun fortuin zoeken in de nieuwe wingewesten in de Oost of in de West. We moeten dus eerder denken aan reders die een kleine handelsvloot financieren dan aan marktkramers. Het pand van Wouter staat in deze buurt bekend als In de Witte Fortuin. Dat is een passende benaming in deze omgeving van fortuinzoekers.

℘℘℘℘℘℘

De naam De Witte Fortuin ben ik een paar keer eerder tegengekomen. Enkele generaties eerder. Het is dan de naam voor een scheepvaartroute vanaf Amsterdam naar de Oostzee. Schepen die die kant uitgingen werd ook zo genoemd. Een pakhuizen in Noorwegen, in Zweden, in Riga. Het zijn de bekende Amsterdamse Oostzeevaarders die de handel in die richting monopoliseren. Mijn Wouter Toelinck of een van diens voorouder, het kan haast niet anders, moet dit Bossche pand om die reden deze naam hebben gegeven. De Witte Fortuin, dat is dan in de eerste plaats de haringvangst op de Oostzee. Het zou ook nog naar een pakhuis van de bonthandel in Riga kunnen verwijzen, waar een kleine Hollandse Natie de Russische pelsjagers opwacht, maar die handel is veel bescheidener.

℘℘℘℘℘℘

In ‘s-Hertogenbosch is een heel netwerk van Bossche kooplieden ontstaan die via Amsterdam hun zaken doen. Specerijen, tabak, soja, een nieuwe wereld die wordt opengelegd. Identificatie van de leden van dit kooplieden-netwerk kan mij misschien leiden naar de voorouders van Wouter. In zo’n netwerk wordt veel ingetrouwd en aangetrouwd. Mogelijk een leiddraad. Al mijn inspanningen tot dusver hebben nog steeds niet een antwoord gebracht op de eenvoudige vraag: Wouter Toelinck! Wie is zijn vader, wie zijn grootvader?

℘℘℘℘℘℘