12 È Pericoloso Sporgersi

◊◊◊

Ik volg mijn broers die het voetpad langs de Dieze verder willen verkennen. We verlaten de bijkeuken, wat nog niet eenvoudig is, want meerdere poezen hebben het voornemen opgevat om ons daarbij voor te gaan.

 Op de binnenplaats voor het achterhuis valt ons oog op een paar houten raamwerken. Daartussen zijn huiden opgespannen, zoals ik dat bij een schoolbezoek aan de Heilige Land Stichting heb gezien. “Trommels!” roep ik. Dan ontdekken we ook bontjes aan de achterzijde. “Kattenvellen!” fluistert mijn boer Jan. Jos voelt even. “Ja, dat zijn kattenvellen”.

Hij kijkt bezorgd naar het keukenraam. De ontdekking veroorzaakt enige onrust. Oma Gertrud moet hier een hand in hebben. Het is haar erf. Wat is het geheim van Gertrud?

Achter de bijkeuken bevindt zich een kleine werkplaats zoals bij onze Oom Gerard. De deur blijkt open en we gluren naar binnen. Er staan nog meer raamwerken. “Kattenbont!” roepen mijn broers bijna gelijktijdig. “Jezus!”.

Ik kijk als derde naar binnen. “Jezus, Maria, Jozef” vul ik zachtjes aan.

Mijn broers wagen zich niet aan een verdere bespreking, zeker niet in mijn aanwezigheid, en begeven zich op pad, langs het verduisterde achterhuis tot aan de Dieze. “We gaan deze keer naar links” zegt Jan tegen mij. Hij keert zich om. “Je kunt niet met ons mee”. Dat vermoeden had ik al.

Ik kijk naar het terrein dat voor hen ligt. Er is geen pad te zien maar alleen een aaneenschakeling van schuttingen, hekken en heggen. “Ik zie het” zeg ik.

Met een snelle en soepele beweging nemen zij de eerste hindernis. Er is, zoveel is zeker, voor mij nog een lange weg te gaan op de weg naar volwassenheid.

Ik neem het pad rechtsaf langs de Dieze en kom uit op het steegje dat mij terugbrengt naar de Hinthamerstraat. Als ik aanbel doet mijn moeder open.

“Je bent snel terug” zegt ze. We lopen langs de salon van Oma naar achter. “Mag ik daar nog even kijken? vraag ik. Mijn moeder gaat voor. Ik loop naar de kast met bontmantels. “Wat voor bont is dit nu eigenlijk?” vraag ik. “Ik ben niet zo goed in bont” zegt mijn moeder. Ik strijk met mijn hand over mouw.

“Ze zijn heel mooi gemaakt” zegt mijn moeder en bekijkt de naden en de binnenkant. Zulk vakwerk, dat zie je niet veel meer”. Ik ga nog eens met mijn hand over een mouw.

“Kom we gaan weer. Ik ga een appeltaart bakken, voor bij de koffie. Je kunt mij helpen”.

In de keuken, tussen de luie poezen, treft zij de voorbereidingen voor een massieve appeltaart. Er moeten meer houtblokken, en ook briketten in het fornuis, die ik uit de bijkeuken haal. Daar neem ik een schatje op de arm en strijk met mijn hand over de rug. En nog eens. Terug aan de keukentafel, volg ik de ambachtelijkheden van mijn moeder, en worden wij weer gevolgd door talloze kattenogen.

Ik probeer te overzien wat er ooit aan bont in mijn leven is verschenen. Veel is het niet. De fiets van mijn moeder had in de winter twee moffen, die van binnen met bont waren gevoerd. „Twee moffen om je warm te houden” spot mijn vader daarover, „de oorlog is voorbij!”

Het leer aan de buitenkant van de mof ziet er niet veel anders dan het leer dat ik die ochtend in het raamwerk zag aangespannen. Een geschenk van Oma? Ik durf het niet te vragen.

Op Zondagen droeg mijn moeder wel eens een vosje om haar hals, met alles eraan, pootjes, kopje, oogjes, oortjes, tandjes en een zachte pluimstaart. Maar dat was toch echt een vosje en geen kat.

Dan is er nog haar bontmantel, gedragen op avonden dat ze voor een repetitie naar de damestoneelvereniging gaat. Daar vinden wel meer mondaine uitspattingen plaats. Ze kon altijd zeggen dat het voor haar rol was.

Dan waren daar nog haar bestuursavonden van Sinte Zita, de katholieke vereniging voor de bescherming en opvang van jonge ongehuwde moeders, de locatie vanwaar mijn moeder ook haar Duitse dienstmeisjes betrok.

Mevrouw Barnasconi, de voorzitster, was ook een Brabantse, en een verre nicht van haar. Belangrijker, zij droeg altijd een bontjas, ook overdag, want zij was de vrouw van de burgemeester. In haar aanwezigheid voelde mijn moeder zich met haar bontjas niet overdressed, maar gewoon stadse Brabanders onder elkaar. En die waren niet zo benauwd voor enige show.

Het gaf te denken dat mijn moeder alleen in de avond een bontjas droeg. Niet overdag. Bij mijn weten ook maar zelden naar de Zondagse hoogmis.

Was haar bontjas afkomstig uit een clandestiene collectie van Oma Gertrud?

Het was vele jaren later dat ik van mijn moeder het hele verhaal van haar te horen kreeg. Oma Gertrud was er in de oorlog mee begonnen. Haar militaire neven en nichten hadden al heel wat oorlogen meegemaakt, en wisten hoe ze zich dan, als het er op aankwam, konden redden. “In ons Indië eten ze gewoon honden, en apen en papegaaien en slangen. En je moet daar nooit vragen wat er in de soep gaat. Dat wil je niet weten. Maar ze maken heerlijke soep”.

“Maar ook van katten?”

“Ik weet niet of ze daar katten hebben”, zei mijn moeder “maar jij hebt ook in de tuin gespeeld met je konijnen die we later hebben opgegeten. En een konijnenvel wordt ook niet weggegooid”.

Ik wist het. Mijn moeder kon zelfs in de tuin zitten zonnen met een kip op haar schoot, die niet lang daarna in de pan zou gegaan.

“Maar katten?” vroeg ik weer. “Zo doen ze dat denk ik in Pruissen” zei mijn moeder. “En Oma is heel handvaardig, ze volgt de mode in Parijs en Berlijn. In Den Bosch zijn ze met kleding best kieskeurig. Ze werkt alleen in opdracht. Ze maakt ook zelf die parfums, die je in die grote kristallen flacons in de vitrinekasten hebt zien staan. Hoe ze die kennis heeft vergaard weet ik niet. Ze heeft er zoveel plezier in. En Opa vind het best. Ze zorgt goed voor hem, en hij is een praktisch man”.

Bij ons vertrek uit ‘s-Hertogenbosch worden we door Oma Gertrud nog een laatste maal opgeroepen om in de salon te verschijnen. Zij is in ceremonieel tenue en draagt weer een lange zijden jurk met diep uitgesneden decolleté. Een brede band om haar hals flonkert ons toe. Ze rukt een vitrines open, pakt een paar grote flacons, en beknijpt enthousiast de rode gummi ballons. Wolken parfum verstuiven tot hoog in de lucht. Ik kijk sprakeloos toe hoe deze reusachtige toverfee haar geheime kunsten vertoont. Mijn vader heeft het hazenpad verkozen en ziet vanaf de gang het schouwspel aan. Opa staat nog een stap verder uit het zicht te wachten bij de voordeur. Voor hen heeft dit schouwspel geen verrassingen meer. Waarschijnlijk zien ze ook af van mogelijke medeplichtigheid.

“Welke vinden jullie het lekkerste?” vraagt Oma gretig. We kijken elkaar in verlegenheid aan. De wolken dalen neer en er vormden zich fijne druppels op neus en wangen. Ik strijk een vinger over mijn neus. De fee heeft haar werk goed gedaan. Ze keert zich naar de gang.

“Deze is ook bijzonder, misschien meer iets voor mannen. Jos, kom eens hier!’ De aangesprokene verdwijnt nu, allerminst manhaftig, geheel uit het zicht. We horen hoe Opa de voordeur openzet en zij samen de straat opzoeken.

Wel een beetje dom van haar om nu pas met mannenluchtjes aan te komen. Wij mogen toch ook wel tot de mannen gerekend worden. Een tweede nevel daalt op ons neer. Mijn moeder die nu ook aan een mannenluchtje wordt blootgesteld besluit snel namens ons een keus te maken. Het wordt een mannenluchtje.

Dan is het moment van afscheid daar. Ik word als laatste nog een keer opgetild en werp als volleerd charmeur mijn neus vrijwillig in haar blanke boezem. Haar decolleté wordt, zo stel ik vast, met zekerheid door nog weer een andere bedwelmende flacon tot leven gebracht.

De beide mannen staat buiten op ons te wachten, roken zwijgend een laatste La Paz. Opa geeft een hand. Mijn vader is al op pad en wenkt. We lopen wat verweesd achter hem aan. Hij heeft een lichte voorsprong genomen en als we omkijken is Opa al naar binnen. Mijn moeder kijkt opgewekt. Het is allemaal goed gegaan.

„Vonden jullie het leuk?”

Ik vond het heel leuk. En we zijn weer op weg naar ons eigen huis.

Op de markt halen we mijn vader in. Hij snuift nadrukkelijk onze aanwezigheid op en versnelt zijn pas. “Kom me niet te na!” zegt hij vastberaden, “jullie ruiken een uur in de wind. We kunnen zo niet eens de trein in”.

“Hij overdrijft altijd wat”, zegt mijn moeder geruststellend.

Bij het station voorziet hij ons van een grote zak met frieten. “Blijf even voor die tent staan, misschien helpt die vetlucht”.

Het helpt niet echt. Maar de conducteur laat niets merken. Hij knipt onze kaartjes alsof er niets met ons aan de hand is en wenst ons een goede reis. “In Zuphen overstappen”.

We hebben de coupé voor ons alleen en laten de ramen aan beide zijden tot het eind van de leren riem zakken. Af en toe slaan stoom en kolendampen van de locomotief naar binnen. We hangen met onze hoofden naar buiten. È pericolosi sporgersi staat er in het email bij het raam. Daar kunnen we ons even niet te veel van aantrekken.

In Hengelo aangekomen draaien mannen zich hoopvol om als we hen achterop komen, en staren dan stomverbaasd naar het geparfumeerde zootje ongeregeld dat daar aan komt sjokken.

Bilbao, El Arenal, sept 2012