05 De Vliegende Hollander

In 1941 verhuisden mijn ouders van het Tuindorp naar de Hengelosche Esch. Het was de laatste nieuwbouwwijk van de stad en kort voor het begin van de oorlog afgebouwd. De Troelstrastraat vormde de verbinding tussen de Dennenboschweg, die aansluiting gaf met de Oldenzaalsestraat, en via het Troelstraplein met de Bornsestraat. De Dennenboschweg was beplant met een dubbele rij reusachtige dennenbomen. De Bornsestraat was over de gehele route tot aan het marktplein van Borne omgeven met een dubbele rij honderdjarige eiken. Dat betekende dat de Troelstrastraat ook aan beide zijden een dubbele rij bomen moest krijgen. Vanwege de crisistijd waren deze van bescheiden formaat. Ook in volle wasdom zouden zij niet echt imponeren.

In de gemeenteraad was ruzie ontstaan over de benaming. Op het bestemmingsplan stond aangegeven Mr. P.J. Troelstralaan, want de wijk moest tenslotte immigranten uit het westen naar de stad lokken. Maar de SDAP die in deze fabrieksstad een belangrijke stem had vond dat bij Pieter Jelle Troelstra geen laan hoorde maar een straat. Ook de toevoeging van de meestertitel kon in hun ogen geen genade vinden. Er werd een compromis bereikt: de laan ging eruit, maar de meester bleef erin. De SDAP kreeg het daarbij ook voor elkaar dat de eerste tien woningen van het Stork-compartiment werden toegekend aan SDAP-leden. Ook de andere grote Hengelosche bedrijven, Dikkers, Hazemeyer, de Heemaf kregen onderhands een wijkportie toegewezen.

Omdat deze stijd zich afspeelde terwijl meerdere bewoners zich al genesteld hadden in hun Mr. P.J. Troelstralaan werd aanvankelijk alleen het socialistische deel opnieuw bewegwijzerd. Het reactionaire deel van de burgerij verderop in de straat liet zich de kaas niet van het brood eten – eerst na de bevrijding van 1945 delfden zij het onderspit. Maar tot in de jaren zestig schreven de kruidenier, de bakker, en de melkboer respectvol ‘laan’ in hun bestelboekjes, in de verwachting dat hun klandizie het, even respectvol, bij hen wat breder zou laten hangen.

Ongeacht politieke preferenties was er in de wijk niemand die een woord Twentsch sprak. Het Twentsche land begon eerst twee blokken ‘naar achter’ waar de geschoolde vaklieden woonden, En weer twee blokken verder werd uitsluitend Twentsch gesproken, en vreemdelingen met achterdocht bekeken. Dat was voor ons het in wezen terra incognita van de rooms-katholieke en socialistisch-katholieke arbeidersklasse.

In de Troelstrastraat woonden de opwaarts mobiele bevolkingsgroepen. Naast de enclave van socialistische kaderleden waren de ‘protestanten’ licht in de meerderheid, met daarnaast een minderheid van katholieken. De katholieken waren daarentegen publiekelijk goed zichtbaar. Op zaterdagavond en op de zondagochtend trokken zij massaal op naar de parochiekerk aan de overkant van het Troelstraplein. Hun rijke kinderschaar werd door onze christelijke buurman met misprijzen gevolgd. Omgekeerd werd door ons alles wat niet in deze stroom meebewoog als ‘protestant’ geclassificeerd, mensen die je het beste gewoon met rust kon laten. Subtiele onderscheidingen binnen dit protestantisme waren ons onbekend of werden in elk geval niet waargenomen.

Na de oorlog werden de contrasten snel groter, sociaal en economisch. De auto’s keerden terug in het straatbeeld. Een overbuurman waar mijn ouders wel eens op bezoek gingen parkeerde een grote cabriolet voor zijn deur. Het waren Quakers, een praatje van mijn vader leidde ertoe dat mijn ouders een paar keer mee gingen op bezoek bij hun nederzetting in de buurt van Ommen. Alles wat enigzins exotisch aandeed kon rekenen op mijn vaders ongebreidelde nieuwgierigheid en zelfs op een zeker respect. En mijn moeder vertelde dat haar sjaaltje onderweg zo vrolijk wapperde in de wind, dat het moeilijk was om je haar goed te houden, en dat die mensen daar erg aardig waren.

Op de hoek werd op Zaterdag een rode engelse sportwagen uit de garage gehaald en in de was gezet. Op de andere hoek ging de vader van Ele Saaf elke dag op pad met een majestueuze Chevrolet.

De vader van Karel en Arthur Küthe van vier deuren verder was bedrijfsarts bij Stork en vertrok regelmatig met zijn gezin naar Frankrijk. Onze directe overbuurman Hustincx was een katholiek huisarts en wisselde bijna elk jaar van auto. De rest van de straat bewoog zich overwegend voort in beschaafde  middenklassers en kleingoed, Fords en Volkswagens.

De afwezigheid van een auto in ons gezin werd met de jaren een steeds pijnlijker onderwerp van gesprek. De Raleigh-fiets van mijn vader had zijn glans verloren, en ook op ‘jongens-niveau’ raakten wij achterop.

De broertjes Küthe kregen van hun vader een majestueuze, ranke, oogstrelende Vliegende Hollander, uitgevoerd in geolied beukenhout, met grote wielraderen in kogellagers gevat. Ele Saaf kreeg een enorme Märklin treinarrangement dat vootdurend aan uitbreiding onderhevig was. Hij mocht er alleen mee spelen in aanwezigheid van zijn vader, maar de Schadenfreude die ik daaraan beleefden was maar voor korte tijd effectief.

Mijn vader voelde zich gedwongen daar een daad tegenover te stellen en schafte, zonder onze last of ruggespraak, een autoped op luchtbanden aan. Met chrome velgen en stuur, dat wel, want hij had iets met chroom, en er ging een zekere luxe van uit, maar het riep onmiddellijk twijfel op over de vraag of wij hiermee op gelijke voet zouden komen met de Küthe-broertjes.

Die twijfel bleek gerechtvaardigd. We reden om beurten langs het huis van de Küthes, todat zij naar buiten kwamen. “Mag ik er ook eens op rijden?” zei Karel, de oudste. Mijn broer Jan voerde de onderhandelingen aan. “Als ik op je Vliegende Hollander mag”. Dat kon geregeld worden.

Het viel Karel wat tegen. “Nu mag ik”, zei Arthur. “Zometeen”, zei Jan en verdween richting Troelstraplein. Karel gaf de autoped in handen van Arthur. Jan kwam terug van zijn expeditie, waar Jos al op hem stond te wachten, en zijn voertuig aan Jos overdroeg.

“Hé daar” riep Karel, en hij scheen oprecht verbaasd, “dat was niet de afspraak!”.

“We mogen allemaal een keer” zei Jan. “Jij mag nog een keer op de autoped”.

“Ik hoef niet meer op jullie autoped” zei Karel.

Daarmee lagen alle kaarten op tafel. De ruilwaarde van ons nieuwe bezit was vastgesteld. De jongetjes Kuthe waren vanaf die dag de enige bezitters én berijders van hun Vliegende Hollander. Het privilege was hun meer waard dan de door alledaagse straathandel gedreven betrekkingen tussen speelkameraadjes.

Toen de winter naderde kwam mijn vader aanzetten met een nieuwe slee, een vervolg op de dramatisch verlopen aanschaf van de autoped-op-luchtbanden, en in reactie op het grote verdriet dat hij zijn kinderen had aangedaan. Hij had goed opgelet, en een slee uitgezocht van hetzelfde Zwitserse merk als de Vliegende Hollander, uit geolied beukenhout, en van een elegante, sportieve vormgeving, zoals het etiket vermeldde. Er was, met enig indikken, plaats voor drie. We reageerden enthousiast, en mijn vader glunderde. Het ging diezelfde dag nog sneeuwen, en het sneeuwde de hele week door. Op de zondagmiddag kwam de Quaker buurman naar buiten. Hij stelde voor om een ritje te maken met de slee achter zijn auto. We konden met een touw aanhaken. We maakten een rondje om het blok. Er stond een drom kinderen opgesteld uit de straat, die ook een ritje wilden. “We maken een staart aan de auto” zei de Quaker buurman. Het werd een lange staart, en we reden een aantal  blokjes. “Nu mogen de andere kinderen nog”, zei onze Quaker. We haakten grootmoedig af om die anderen een kans te geven. Terwijl ze hun rondje maakten keken we schuins naar de erker van de broertjes Küthe. Zij stonden voor het raam, maar trokken zich terug toen ze werden opgemerkt. Zij hadden geen Vliegende Slee. Alleen maar die Vliegende Hollander.

Bij terugkeer van de sledevaarders kwam mijn vader naar buiten. “Ik heb een korenwijntje voor je klaarstaan” zei hij tegen onze Quaker buurman, ‘kom even langs”.

Wij bleven nog even buiten met onze Vliegende Slee. Onze populariteit in de straat was onmiskenbaar gestegen. Althans voor dit moment, een ontwaken uit de roes van populariteit moest worden voorkomen. Onze edelmoedigheid kende geen grenzen. “Je mag hem wel uitproberen”, zeiden we tegen iedereen die zich vooroverboog om te lezen wat er in het hout gebrand stond. “Het is een Zwitsers topmerk” legden we uit, “het zijn de beste”.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.