17 De Grote Bimbam

◊◊◊

Ik denk terug aan mijn grote liefde uit de eerste en tweede klas van het lyceum, Hetty van der Stegen. Ze is wat kleiner dan haar twee vriendinnen, maar net als ik behept met grotere broers die dat kleinere grut niet op waarde weten te schatten. Kittig en brutaal. Sterker nog, anders dan haar beide vriendinnen heeft ze nauwelijks borstjes. In mijn ogen lijkt zij daardoor toegankelijker. Minder bedreigend misschien ook. De twee vriendinnen ontlenen aan hun opwindende vormen het recht zich uitsluitend met ouderejaars op te houden. Dat gebeurt dan ook, tussen de fietsenhokken, in een schoolpauze die, in een taal die we eigenlijk achter ons hadden moeten laten, aangeduid wordt als het speelkwartier. Mijn Hetty heeft daarbij het nakijken.

◊◊◊

Via mijn schippersoom Jan, die naar Parijs is geweest, en daar gedanst heeft met Jozefien, heb ik mij een van zijn schuins-marcheerders liederen toegeëigend.  Op school weet ik soms enige verwarring te zaaien door het, op momenten van een beginnend overspel in de fietshokken, semper soprano ten gehore te brengen.

Goedemorgen speelman,

mijn moeder laat vragen,

of U even komen kan,

bij haar kleine poppedijne,

met uw grote bimbam.

Dank zij de Duitse bezetting hebben mijn klasgenoten weet van het woord Glockenspiel, en weten zo ook wel raad met de Brabantse Bimbam.

◊◊◊

In een verloren ogenblik, ik ben te laat en het eerste lesuur is al begonnen, verdrijf ik de tijd door bij de ingang van het fietsenhok een groot hart in het hout te kerven, met pijl. De punt wijst op een “Hetty”, aan de staart bungelt mijn naam.

De plek is wel erg opzichtig gekozen. Niet alleen Hetty, maar de hele klas vraagt zich in de pauze af wat hier aan de hand is. De drie vriendinnen komen op mij af. “Is dat van jou?” wil de grootste weten. “Wàt is van mij?” vraag ik terug. Ik ontken enige betrokkenheid, als een Judas in de Tuin der Olijven.

Dan word ik meegetroond naar de plek des aanstoots. “Geen idee wie dat gedaan heeft”. Ik werp een sluikse blik op Hetty. Die oogt alleen maar vernietigend. “Daar komen we zo niet achter” zegt ze.

◊◊◊

De volgende dag blijkt de klassenleraar op de hoogste gesteld. Die wil er kort over zijn. Zulke zaken komen op deze school niet te pas laat hij de klas weten. Over daders en slachtoffers geen woord. Er wordt geen schandpaal opgetrokken.

Ik loop nog eens door het fietsenhok. Het staat vol met harten en pijlen, om van kwader zaken niet te spreken. Maar: bij de afdeling harten blijkt het goed gebruik om alleen een initiaal te vermelden, zowel van aanbidder als aanbedene. Mijn actie is duidelijk over de schreef.

◊◊◊

Een paar dagen later spreekt Hetty mij aan op de fiets. “Het is jouw werk”, zegt ze, “haal het weg, ik hoef je niet”. “Daar gaat het niet om” probeer ik, en zoek naar nieuwe woorden. “Jij bent het enige meisje in de klas dat leuk is om naar te kijken” zeg ik. “Verder niets”. De woorden wellen op, maar eenmaal uitgesproken kan ik er volledig achter staan. Dat is het. Duidelijkheid voor alles.

Hetty kijkt achterdochtig. “Donder op”, laat ze weten, stapt op haar fiets en scheert met hoge snelheid om de hoek. Dit is een blauwtje, weet ik. Maar ik hoop dat mijn laatste lijn van verdediging haar bronstige vriendinnen zal bereiken.

◊◊◊

Meisjes, zo houd ik mijzelf voor, dat is vragen om moeilijkheden. Maar ik ben op de leeftijd gekomen waarin tenminste het denkbeeld van een vriendinnetje nodig is om aan prille seksualiteit vorm en inhoud te geven.

Ik zit zonder. Het kan nog wel even duren voor zich een nieuw liefde aandient. Op de Woensdagmarkt glijd ik met mijn vingers langs een coupon zijde, van het soort dat ik in enkele laden in de linnenkast van mijn moeder heb aangetroffen. Speels ondergoed dat waarschijnlijk dient voor de nachten dat mijn vader in het geweer moet komen. Ik koop het kleinst mogelijke restantje. Het is armoe troef, op zijn minst een vorm van regressie, maar met de zijden tod op mijn lijf, roep ik moeiteloos het beeld op van een meisje of vrouw waarvan de aanblik mij even betoverd heeft. En zo, ‘s-ochtends, in de nasluimer, weet ik mijn overspelige geesten tot rust te brengen.

◊◊◊

De verandering in mijn leven blijft niet geheel onopgemerkt. Mijn tod blijkt af en toe aan de wekelijkse was te worden toegevoegd en ligt dan weer schoon en opgevouwen onder mijn kussen. Op een ochtend stelt mijn moeder voor dat ik niet zo lang in bed moet blijven liggen. “Daar wordt je maar vadsig van”. “Vadsig?” vraag ik verbaasd. “Ja, vadsig” herhaalt zij. Ik denk toch dat ze een ander v-woord op het oog heeft, maar dit niet over haar lippen kan krijgen. Maar ze komt er niet op terug.

“Het is de leeftijd” laat mijn vader, het gesprek samenvattend, weten. Hij richt zich meer tot mijn moeder dan tot mij. “Te klein voor het tafellaken, te groot voor het servet”. Ook hij heeft geen behoefte in details te treden. Dat komt mij wel goed uit. Ik er van mijn kant weinig aan toe te voegen. Alles wat gezegd kan worden , is gezegd.

◊◊◊