14 In de klerenkast

◊◊◊

In onze wijk, de Hengelosche Esch, merk ik niet zoveel van de Duitsers. De melkboer komt elke dag langs met paard en wagen, beladen met twee hoge vaten, en bedient de koperen kraan waaraan de melkkan van mijn moeder wordt gevuld. De bakker gooit de klep van zijn bakfiets open, haalt twee regeringsbroden naar boven, maar wel tegen afgifte van de juiste bonnetjes. Zij leveren persoonlijk af aan de voordeur. Pas bij de groenteboer komt de straat tot leven, huisvrouwen verzamelen zich om zijn kar, mijn moeder incluis. Een welkome aanleiding voor buurpraatjes. Alleen onze Troelstrastraat kost de groenteboer minstens een halve ochtend.

Ik twijfel aan de juistheid van deze herinnering. Pas ergens in de jaren vijftig veranderde dit straatbeeld enigszins, en misschien was onze straat in de jaren 1942-1944 waarin ik dit situeer wel gewoon leeg, want veel was er niet te krijgen.

◊◊◊

Een keer per week marcheert een klein bataljon Duitse soldaten door de straat, aangevoerd ter linkerzijde door een kwieke officier met pet. Dan ren ik naar buiten, want ik hoor ze al van verre aankomen: “Und wir Fahren, (eins,zwei), Gegen Engeland!, (eins,zwei), Engeland!”. Dat klinkt vrolijk en opgewekt, en het bataljon heeft er wel zin in. Dit is ook het moment waarop hier en daar jonge meisjes nodig op de fiets moeten om boodschappen te doen. Halverwege de straat wordt het bataljon een ‘op de plaats, rust’ gegeven, waardoor voor de soldaten de mogelijkheid ontstaat om eens goed om zich heen te kijken en hopelijk te genieten van enkele opwaaiende zomerjurken. Er mag van de officier zelfs gezwaaid worden, al is het voor de meisjes niet verstandig om daar uitbundig op te reageren. Maar een lichte blos kan geen kwaad.

◊◊◊

Het bataljon heft dan een nieuw marslied aan en vervolgt zijn weg naar een houten noodgebouwtje aan het eind van de straat: onze parochiekerk, gewijd aan het H.Hart van Jezus, voor wie het ook allemaal even wennen is. Het weiland ernaast dient het bataljon als schietterrein. Daarmee doen zij ook de oudere jongens uit de buurt een groot genoegen. Zij het op enige afstand mogen de vorderingen van het Duitse leger zonder bezwaar worden gevolgd. Na het afmarcheren volgt een invasie: het weiland wordt afgestroopt op zoek naar lege hulzen. Dat loopt dan weer uit op  enig handgemeen waarbij de sterkere jongens de zwakkere van hun gevonden patronen beroven. Voor mij als kleuter is dat geen gezonde omgeving. Maar in de daaropvolgende uren en dagen kan ik mij scharen in de kleine groepjes die zich vormen rondom de patronen-rijkaards. Diep uit een broekzak vissen ze een glimmend koperen huls op, soms wel drie of vier.  Als we de juiste klokkende geluiden maken, binnen gesloten kring, verhitte jongenshoofden gebogen tegen elkaar, gaan de hulzen van hand tot hand. Het koper wordt nog eens langs de mouw tot glimmen gebracht, de ruilwaarde van een patroon met en zonder slaghoedje staat der discussie, de kruitgeuren worden vanuit het diepste van de huls opgesnoven. Dichter bij de oorlog kunnen we niet komen. Maar soms wordt er, als klap op de vuurpijl nog een huls met een echte kogel erin uit de warme broekzak opgediept.

‘s-Avonds in mijn bed droom ik weg bij de gedachte dat éen van die jongens mij een huls zal overhandigen, als beloning voor de goede daad die ik voor hem heb verricht. Ik kan mij nog even niets bedenken dat binnen mijn vermogen ligt, waardig genoeg om voor zo’n geschenk in aanmerking te komen.

◊◊◊

Eén keer raakt onze wijk door Duits optreden toch nog in paniek. Drie blokken verder, voorbij de bakker en de drogist, en over de Molenweg waar ‘de arbeidersbuurt’ begint zijn twee verzetsmensen opgepakt, ter plekke tegen de muur gezet en gefusilleerd. Hun lijken worden op straat achtergelaten.

‘Ze hebben een razzia gehouden’ vertelt mijn moeder die avond tegen mijn vader. ‘Ze gaan de oorlog verliezen’ laat hij weten. ‘Dan gebeuren dat soort dingen’. Hij is een man van het grotere perspectief, en luistert elke avond naar de BBC en ‘Radio Free Europe’ van de Amerikanen om dat inzicht op peil te houden.

◊◊◊

Een dag later ga ik op persoonlijk op onderzoek uit. Er zou nog bloed op de muur zitten, begrijp ik van mijn moeder, die het verhaal bij de groentekar heeft opgevangen. De onheilsplek ligt buiten het gebied waar ik vertrouwd mee ben. De Molenweg is wel de uiterste grens van mijn kleine wereld. Maar met hulp van de bakker, die aarzelend, en tegen de verontwaardiging van zijn vrouw oproeiend in, met een vaag handgebaar een richting aangeeft kom ik bij de muur des doods. Het is moeilijk te zien, maar er zit bloed op. Het is meer een noodzakelijk wilsbesluit dan een objectieve waarneming, maar mijn hot spot gaat daarna bij meerdere  buurjongetjes, soms zelfs beduidend ouder dan ik, voor eeuwig de geschiedenis in als ‘de plek waar het gebeurde’.

◊◊◊

Voor mijn moeder is het schrik genoeg. Na overleg met de buurvrouw word ik stevig aan de hand genomen, en gaan we de straat op waar piket paaltjes worden uitgezet. ‘Tot deze hoek en niet verder’ zei ze. ‘Maar ik moet toch brood halen bij de bakker?’. Voor brood, dat is een uitzondering. ‘Maar alleen voor de bakker! Anders maak je mij doodongerust.’ Ik begrijp het.

‘Maar de drogist zit er naast!’ merk ik op. ‘Daar haal ik kleizeep, en zo’. ‘De drogist, alleen voor de boodschappen’. Mijn moeder is ongerust, maar ook praktisch ingesteld. Ik overweeg of ik de groenteboer op de andere hoek van dit blok nog in het midden zal werpen, maar dat lijkt mij onverstandig. Het principe is duidelijk, en daar valt mee te leven.

◊◊◊

Er werden meer razzia’s gehouden, waarvan het onderscheid met het verhaal van de verzetsstrijders voor mij lange tijd niet duidelijk is.

Mijn vader is thuis. Een grote legervrachtauto stopt op de hoek van de straat. Zes gewapende Duitsers springen er uit. ‘Razzia!’ roept mijn moeder. ‘Jos!’.  ‘Naar boven!’ roept hij terug en we rennen gedrieën de trap op.

‘Als er aangebeld wordt: niet opendoen!’ instrueert hij. Hij duikt in de ouderlijke slaapkamer in de driedelige mahoniehouten klerenkast. Op de onderste plank staan meerdere dozen gevuld met grote, glanzende luxe zepen, roze, lichtgroene, lichtblauwe, en gele. Zij worden wat opzij geschoven en hij verdwijnt erachter. Vóor de dozen is nog ruimte voor beddengoed. ‘Weg jullie’ zegt hij, ‘en boven blijven’. Mijn moeder neemt mij mee naar de slaapkamer aan de voorkant en loert van opzij door een kier van de vitrage. Net boven de vensterbank loer ik mee. De soldaten bewegen zich traag twee aan twee door de straat. Ze bellen aan, en een enkele keer wordt er opengedaan. Ze stellen een vraag en gaan door naar het volgende huis. Dan gaat de bel. ‘Bukken’ zegt mijn moeder die met schrik ontdekt dat ik achter haar rokken heb meegekeken. We bukken. Als we weer omhoogkomen zijn ze al een paar deuren verder. De soldaten lijken hun plicht te doen maar ook niet meer dan dat. Als aan de overkant ook het blok is afgewerkt komt de vrachtwagen naderbij om ze weer op te pikken. Het laatste blok in onze straat laten ze voor wat het is. Als de auto wegrijdt zien we in de overdekte achterbak een stuk of acht jongemannen een sigaretje roken. Dat moet hen door de Duitsers zijn aangereikt. Die roken Turkse sigaretten.

‘Twintigers, dertigers’ meldt mijn moeder desgevraagd als mijn vader achter de zeepdozen tevoorschijn rommelt. Hij ruikt nu sterk geparfumeerd, dat heeft iets feestelijks. Hij is zelf  dertiger, in de gevarenzone.

Ik wil weten of hij ook in het verzet zit. ‘Nee’, zegt hij, ‘Dat was voor de Arbeitseinsatz’. Die mannen worden naar Duitsland gestuurd om daar in de fabrieken te werken’. ‘Arbeitseinsatz’ – ik herhaal het woord een paar maal. ‘s-Avonds in bed probeer ik uit vinden hoeveel Duitse woorden ik nu ken. ‘Ich bin vom Kopf bis Fuss auf Liebe eingestellt’ hoort er ook bij. Ik neem me voor de volgende keer goed te luisteren naar de regel die volgt op ‘Wir marschieren gegen Engeland’. Telt Engeland als een Duits woord? Ik weet het niet.

6 reacties op ‘14 In de klerenkast

  1. Beste Ad,
    Hartelijk bedankt voor je uitnodiging je stukjes te lezen. Wat schrijf je leuk en invoelbaar! Via Hansje en Gudula krijg ik met enige regelmaat nog informatie over de Teulingsen. Ik heb jullie lange tijd meegemaakt
    dus het is zeker boeiend om nu jouw stukjes over je jeugd te lezen.
    Hartelijke groet, ook aan Loekie,
    Jenny

    Like

  2. Leuk Ad, mooi geschreven ook. Ik ben van ’34, dus ik hoorde toen bij de grotere jongens. En, ja, ik ben van de details…het lied was volgens mij: Und wir fahren, enz. Klopt ook beter met de muziek, nou ja… muziek?

    Like

    1. Dag Tom,
      Dank voor je reactie, van een echte literaat, dat weet ik te waarderen. En dat fahren, dat heb je beter onthouden dan ik, terwijl ik het toch vaak gezongen heb, gevolgd door Knabschen sah ein Röslein steh’n. Ik ben ook dol op details, maar ga er waarschijnlijk slordiger mee om. Wat het marschieren betreft, ik was waarschijnlijk in de war met ‘SA marschiert, mit ruhig, festem Schritt. Maar dat werd bij ons in de Troelstrastraat niet gezongen door die pokdalige pubers in duits uniform. Dat SA zat zat al wel de hele middag in mijn in mijn stream of consciousness.

      Like

  3. Dag Ad,

    Hoe oud was jij zelf op dat moment? Dat je je dat allemaal herinnert.
    Ik zelf herinner me pas gebeurtenissen, ergens in mijn vierde levensjaar.
    Wel mooi om te lezen over een jonge pa en ma en hoe ze handelden. Ik heb ze natuurlijk zo niet gekend.

    Like

    1. Dag Josephine. Ik ben van ’39. Dit speelde zich af in 43. Dat is dus in mijn vierde levensjaar. Ik heb veel herinneringen van nog wat oudere datum. Dat heeft drie oorzaken (1) ik was nog enig kind, hoefde mijn aandacht niet te verdelen en werd niet afgeleid; (2) ik ben toch weer heel wat jaartjes ouder dan jij, en met het ouder worden en de inkrimping van je korte termijn geheugen komen er meer banen vrij voor het lange termijn geheugen; (3), hoe meer je met je eigen grijze verleden bezig bent, hoe meer er ‘vanzelf’ nog loskomt, dat houdt maar niet op. Als ik straks seniel ben, ben ik weer kinds.
      je
      Ad

      Like

  4. Mooi. Je schrijft fijn.

    Jasper Teulings

    General Counsel & Advocaat Greenpeace International +31 6 2000 5229 (sent via handheld device)

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.