15 Aan de Wilgen

◊◊◊

Een foto die in 1940 zal zijn genomen. Hij is in de loop der jaren meermalen onderwerp van gesprek geweest. Mondjesmaat, heel mondjesmaat ontwikkelt zich daar een verhaal bij. De plaats van handeling is onze dennebomentuin in de Strumphelstraat, het Tuindorp van Hengelo. Mijn moeder draagt een luchtig zomerjurkje, een katoentje zou ik durven zeggen. Ik heb mij genesteld in de kromming van haar linkerarm, en kijk vrolijk naar het vogeltje in de camera, een krullenbol, afgetopt met een wit zomerhoedje. De brede rand is opgeslagen, het hoedje is wat naar achter op het hoofd geplaatst, want de zon moet wel op mijn gezicht vallen. Zo heeft de fotograaf het gewild.

◊◊◊

Vanuit mijn wetenschap van veel later weet ik dat dit vogeltje in zijn Leica zit, achter de lens die via een zwarte balg verbonden is met de camera. De opstelling vereist het gebruik van een telescopisch statief, een zelfontspanner met een meterslang snoer, en een belichtingsmeter, die bij iedere geportretteerde wordt aangelegd. De fotograaf is onveranderlijk mijn vader, die de nodige tijd neemt om alles in gereedheid te brengen. Aan het gezelschap is gevraagd zich tot nader order rustig te ontspannen. Nerveuze gestes van mijn vader maken dat niet tot een vanzelfsprekendheid. Gelachen hoefde er van hem niet te worden, want dat is, zo laat hij weten, niet natuurlijk.

◊◊◊

Als alles onder controle is gebracht kan, na een laatste blik door de lens, de opname plaatsvinden. Tenminste, wanneer het gezelschap inmiddels niet teveel van positie is veranderd.

◊◊◊

Een historisch moment zal aan het familiealbum worden toegevoegd. Daarbij gaat het niet om het katoentje van mijn moeder, of om de gouden pijpenkrullen van haar peuter, maar om de costumering van de jongeman naast ons. Een jaar of twintig, eenentwintig, golvende zwarte haardos, wat gulzige lippen, gekleed in een zwarte soutane opgehalsd door een stijve witte boord, en omgord met een zwart zijden bandera met koorden.

◊◊◊

‘Wie is dit?’ wil ik weten, op de leeftijd gekomen dat ik alles wil weten over alles, en wel nu. ‘Dat is oom Cor’ zegt mijn moeder.

Oom Cor is een van haar twee jongere broers. Ik heb hem dan al meermalen ontmoet. Een intelligente, maar vooral erg aardige oom. Hij hoort bij een blijmoedige, rondborstige, warmbloedige Tante Ans die de regie van het leven stevig in handen lijkt te hebben.

◊◊◊

De transformatie die zich aan Oom Cor heeft voltrokken roept vragen op die mijn moeder in eerste aanleg kennelijk vaardig weet af te snijden.  Nog voordat de formuleringen zijn gevonden waarin zij kunnen worden geuit. Het duurt weer enkele jaren voordat zich een nieuwe gelegenheid voordoet om tenminste een begin van een verhaal uit de doeken te doen.

◊◊◊

Uiteindelijk komt de geschiedenis boven tafel. Oom Cor is in 1940 een seminarist. Twee dagen voor zijn priesterwijding, de bisschop heeft zijn papieren al getekend, zijn moeder staat bijna voor de deur, raakt hij in paniek. Hij pakt zijn rieten koffertje en reist af naar zijn oudere zus in Hengelo. Hij wil geen Celibatair bestaan, hij wil een Vrouw. En, als hij mijn moeder met mij op de arm ziet aantuttelen, ook kinderen, en ook met van die krullenbollen en zomerhoedjes.

◊◊◊

De bisschop en zijn moeder, daar heeft hij even helemaal geen trek in. Mijn vader stuurt vanuit de zaak een telegram naar het bisdom, en Oom Cor zal twee weken blijven logeren. Het wordt bijna een hele zomer.

Mijn Oma, zijn moeder dreigt stante pede af te reizen om hem bij zijn oren mee te slepen en op de knieën te dwingen, maar ook hier grijpt mijn vader in – in dit soort zaken ontpopt hij zich als een gezworen anti-clericaal. Oma wordt door hem opgevangen bij het station en per kerende post weer naar Kerkdriel terug gestuurd. Zij heeft het hem nooit vergeven, laat mijn Oom Cor zich eens ontvallen als wij beiden op een ochtend blauw uitslaan van de jenever. ‘Dit is in vertrouwen, jongeman, in strikt vertrouwen!’

◊◊◊

Voor zijn moeder was zijn lichtzinnigheid, en de schande die hij zo over haar huis bracht, onverdraaglijk. In zijn geboortedorp Kerkdriel was door de buurtbewoners een ereboog voor het huis geplaatst “Hulde aan onze nieuwe priester”. De fanfare had geoefend, de pastoor had voor die Zondag een Hoofdmis met drie Heren georganiseerd in de parochiekerk, een knapenkoor uit de Sint-Janskerk van ‘s-Hertogenbosch zou dit alles luister bijzetten. Voor mijn Oma was het meer dan een ramp. Een van haar grote levensprojecten viel in duigen. Zij had haar jongste zoon geschonken aan God, maar diens genade zou haar niet meer deelachtig kunnen worden.

◊◊◊

Mijn Oom Cor laat er geen gras over groeien. Een advertentie in de Maasbode meldt een vacature voor een hoofdonderwijzer, tevens koster en bibliothecaris. Hij meldt zich aan en wordt onmiddellijk in dienst genomen. ‘We hadden geen idee waar Anna-Paulowna lag’, vertelt mijn moeder niet zonder trots, want inmiddels heeft het voor haar toch ook wel iets van een spannend jongensboek. ‘Er was maar een ding duidelijk, het was ver weg van Kerkdriel en van de Bisschop, ergens in het uiterste puntje van Nederland’.

◊◊◊

De lagere school van Oom Cor bestond uit twee klassen, die ook nog eens moesten worden samengevoegd, want er was geen tweede leerkracht komen opdagen.

Er was ook nog een dirigent nodig voor het kerkkoor, en een voorzitter voor de Sint-Vincentiusvereniging. Maar zijn geestelijke bevrijding had een bron van tomeloze energie in hem tot leven gewekt. Hij ging in pension bij een gezin dat de enige winkel van het dorp bestierde, en was enkele maanden later verloofd met een van de dochters, onze Tante Ans.

◊◊◊

‘In de winkel van Sinkel is alle te koop, hoeden en petten en damescorsetten’ riep ik verrukt, want ik had mij een uitgebreid repertoire van Amsterdamse volkszangers toegeëigend, dank zij een Bossche oom van mijn vader, Jan van Mil. ‘Ken je ook die van Pisuisse?’ vroeg mijn vader. ‘Nee’, loog ik want ik liet hem graag nog eens voorzingen, daar was hij niet zo vaak voor in de stemming.

◊◊◊

‘Tja,’ zei mijn vader, ‘Het is achteraf gezien toch wel een bijzonder historisch moment, die foto. Oom Cor hing zijn pij aan de wilgen. En daar heeft hij goed aan gedaan, je hoeft maar naar Tante Ans te kijken en je begrijpt waarom’. Ik kon die gedachte beamen. Maar mijn oog bleef, elke keer dat Oom Cor en tante Ans op bezoek kwamen, ook even rusten op die mond van mijn oom. Dat zijn niet de lippen van een pastoor, dacht ik dan, dat zijn de lippen van een stevige zoener.

◊◊◊

Jaren later, ik ben achttien, mijn Oom Cor en ik zitten in het ochtendgloren aan de keukentafel in Anna-Paulowna naar de laatste lege fles te kijken. De korenwijn is op, zelfs de winderige citroenjenever achterovergeslagen. We hebben de hele nacht gepraat over God, de Kerk, het leven en de zwakheid van de mens, en ik gooi het er nu ook maar even uit: ‘Je hebt echte zoenlippen’ zeg ik, ‘zo zinnelijk zie je ze maar zelden’. Hij kijkt nadenkend. ‘Je hebt een scherpe blik’ zegt hij, ‘dat zijn ook de woorden van Ans’. ‘Ans mag er ook wezen’ merk ik op, en ik voel mij opeens volwassen man, nou ja, ik weet hoe het moet voelen als ik ooit nog eens voor volwassen man zal worden aangezien.

Gezamelijk zetten we het ‘Te Deum Laudamus’ in. Ik doe voor het laatst van mijn leven de sopraanstem.

◊◊◊

3 thoughts on “15 Aan de Wilgen

  1. Ad, je hebt leuke verhalen. Ik kan me er helemaal in verplaatsen. Heb immers ten dele een zelfde geschiedenis als oom Cor. Hartelijke groet, Rutger Bremer.

    Like

  2. Voldoende smakelijk & smakkend om door te geleiden naar 2 vriendinnen met voldoende smaak om zo’n kiekje even in de mond rond te walsen

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s