16 In Goede Handen

◊◊◊

Op het Carmel Lyceum in Hengelo wordt het schooljaar half juni beëindigd. Alle aandacht van de docenten is gericht op de eindexamenklassen. De schoolresultaten moeten uitblinken boven die van de Neutralen. In de strijd voor de emancipatie van het Rooms-Katholieke volksdeel zijn nog bergen te verzetten. Het woord volksdeel dat in die tijd van encyclieken en bisschoppelijke brieven regelmatig valt, spreekt mijn vader over het R.K. Smaldeel, met name tegenover de Marine-officieren op zijn bedrijf en onze christelijke buurman mijnheer Zomerhuis, die kritisch de ontwikkeling van het geboortecijfer der Nederlandsche Katholieken volgt en mijn vader daarover ter verantwoording roept. ‘Nog 15 jaar en we kunnen de zaak hier overnemen’ laat deze hem dan weten. ‘Als mijn jongens tenminste goed hun best blijven doen op school’.

◊◊◊

Als verweesde eerstejaars lyceist kan ik, in deze rommelige juni-periode, nog een weekje aan mijn opvoeding laten bijschaven door op retraite te gaan in het moederklooster van de Carmelieten te Zenderen. Mijn ouders hebben een brief gekregen van onze schoolrector, pater Tiecke, waarin hij op deze aantrekkelijke mogelijkheid wijst. Met name het gekozen thema zal hen aanspreken, een thema waarin alle aspecten van liefde en seksualiteit aan bod zullen komen. De retraite zal hen tot steun zijn in een moeilijke taak ten aanzien van hun opgroeiende zonen.

Het zaad van de rector valt in vruchtbare aarde. Ik, noch mijn oudere broers, zijn ooit door hen terzijde genomen voor een ernstig gesprek. Their statement is overdue.

◊◊◊

Maar ook de paters Carmelieten die als docent aan het Lyceum zijn verbonden kunnen zich ontlast en ontladen voelen. De kaalhoofdige seculiere leraar Nederlands strooit wel eens wat zinnetjes middeleeuwse grofbekkerij tussen de schoolbanken, waar hij dan zonder nadere uitleg hinnikend om kan lachen, maar veel verder brengt ons dit niet. Een overigens aimabele pater biologie met wie wij als klas boswandelingen maken waagt zich niet aan dit onderwerp.

◊◊◊

Seksualiteit is bij de Carmelieten uitbesteed aan twee paters-specialisten. In Zenderen verzamelt zich zo een hunkerend gezelschap van eerstejaars lyceisten in de harde kerkbanken. Het wachten is op verlossende woorden. We hebben bij aankomst opgeschreven wat ons bij dit thema heftig beroert. Daar zal later dieper op worden ingegaan. Van mijn vragen meen ik er twee te herinneren: Hoe doe je het?  En: Waarom zijn die meisjes zo ongenaakbaar? Die van mijn klasgenoten bleven mij onbekend.

◊◊◊

Maar inplaats daarvan worden we in het ootje genomen met oraties over de oneindigheid van de liefde van Christus, de zuiverheid van Maria, de diepe genegenheid Sint-Franciscus tot de vogeltjes en konijntjes. Het liefdesarsenaal van de Moederkerk blijkt oneindig groot, maar zoveel is helder: als gekwelde pubers hebben wij in deze heilige hallen niets te zoeken.

Wat minstens even erg is. Het verblijf in kale kapellen, de tochtige marmeren gangen en de opsluiting in een kille slaapcel tussen de klamme lakens komt mijn momenten van primitieve lustbeleving voor het slapen gaan niet ten goede, laat staan het dromen over een ontluikend liefdeleven.

◊◊◊

De twee orerende paters worden op mijn voorstel aan de eettafel benoemd tot onze druipgroten Carmeletiet en Carmelemiet al naar gelang hun voorkomen of hun geestelijke inhoud. Carmeletiet en Carmelemiet eten niet met ons mee, dus we kunnen er onbevangen verder op improviseren. Vele jaren later word ik door een klasgenoot mij aan de druipgroten herinnerd. Het blijkt het enige dat hem is blijven heugen. Bij mij is een andere herinnering sterker gebleven, een tot dan ongekende emotie van kilte. Koud en kil is misschien overdreven, maar warm gaat zeker te ver. De pompoensoep die middag en avond op ons staat op te wachten als wij de refter betreden is warmer.

◊◊◊

Ik moet in Zenderen aan mijn Oom Cor denken. Dit is dus die wereld waarin hij, van zijn zesde tot zijn twintigste, is opgegroeid. Kort na zijn geboorte overleed zijn vader. Zijn broer Gerard en zijn zus Mina, mijn moeder, werden ondergebracht bij ooms en tantes, om redenen die mij zijn ontgaan en nooit doorgegeven. Hem overkwam hetzelfde, maar op zijn zesde werd hij door zijn moeder aan God geschonken.  Ik denk dat hem, zo niet met Gods volle instemming, dan toch tenminste met zijn eigen, door God geschapen instinct, krap twee dagen voor zijn wijding tot priester in volle genade het huzarenpad werd gewezen.

◊◊◊

Tegen de achtergrond van het doorgalmende geluid van Pater Carmeletiet neem ik de volgende dag een besluit. Ik zal hier, ter plaatse, van mij geloof afvallen. Een beter moment is er niet. Om te beginnen zal ik op het Carmellyceum nooit meer de kapel bezoeken voor een Heilige Mis voorafgaand aan het eerste lesuur. Dat is een schamele beslissing want de attendance rate op mijn schoolrapport staat op een schamele vier keer in mijn eerste studiejaar. En waarschijnlijk betreft dit onder meer de opening en sluiting van het schooljaar. De tweede stap is een gang naar de biechtstoel. Een andere manier om persoonlijk contact te leggen met deze paters is er zo op het oog niet. Ergens in de loop van de week is voor ieder deelnemer een sceance voorzien. Een derde stap wordt door nieuwe ontwikkelingen ingehaald.

◊◊◊

Achter het duistere houtgevlochten schermpje zie ik de schaduw van een mij onbekend gezicht, hoor ik de openingsformules reciteren, en wordt vervolgens uitgenodigd tot een schuldbelijdenis. Over de eerste woorden heb ik nagedacht. “Pater”, ik wil U laten weten dat ik een zondig mens ben, en in de achterliggende dagen besloten heb niet meer in God te geloven en de kerk te verlaten”.

Het is even stil aan de andere kant. “Dat is geen eenvoudige beslissing” zegt de pater. “Weet je dit wel zeker?”. “Ik verwacht niet dat ik op mijn schreden zal terugkeren” verklaar ik. De stiltes die vallen stellen mij op mijn gemak.

“Je maakt misschien een moeilijke periode door” zegt de pater. “Dat hebben we allemaal wel eens”.

“Deze retraite past mij niet, helemaal niet, daar heeft U gelijk in” laat ik weten. Er valt een langere stilte. “Vind je het goed dat ik deze biecht even afsluit met een gebed” vraagt de pater. Ik knik hem toe. Zijn bidden is denken. Hij spreekt wel fluisterend wat zinnen, maar die zal hij kunnen dromen. Hij komt tot een voorstel. “Loop even mee daar buiten’, zei hij, “de zon schijnt. Dit vraagt om een gesprek, het is geen onderwerp voor een biecht”.

◊◊◊

We lopen een pad af door het Twentse parklandschap. Hij kijkt me van terzijde aan “Het is jouw beslissing. Maar geef jezelf de tijd.  Denk erover na. Lees je veel? Wat lees je?”. “Ik heb net Cervantes gelezen”, zeg ik, “Don Quichot”. Ik kan mijn behoefte om indruk op hem te maken niet onderdrukken, en laat de pulp over de drie desperado’s van het Vreemdelingenlegioen maar even buiten beschouwing.

“Dat is een goed begin”, zegt hij, het staat op de pauselijke lijst van verboden boeken, maar er zijn wel ergere dingen. Wat heeft je het meest getroffen?” Daar was voor mij, naar waarheid, maar éen antwoord op mogelijk. “Die onmogelijke relatie met zijn Joncvrouwe, de dochter van de herbergier, hoe ze elkaar totaal niet begrijpen en elkaar toch in bed weten te vinden en daarin troost vinden.”

◊◊◊

“Ik snap het”, zegt hij. “Dat zijn belangrijke momenten in een leven. “Wil je hier verder deze week nog wel blijven?”. Daar had ik nog geen moment over nagedacht. “Misschien moet je gewoon de zon opzoeken. Pak je fiets. Ga naar buiten. Als je hier nog eens een over wilt praten, kom dan langs. Ik loop hier niet weg. Zie mij als een oudere vriend. Heb je vrienden?”. Ik voelde de warme van de zon tot mijn huid doordringen. “Nee, zei ik, ik heb geen echte vrienden. U bent misschien de eerste.”

“Maak je geen zorgen, zei hij, er komen er vast meer. Je bent in goede handen”.

Een uurtje later peddel ik traag en afwezig op mijn fiets op weg naar huis. Bij een stukje heide stap ik af, loop de hei op en zoek een behaaglijk plekje tussen de schrale kluiten. Mijn lustgevoelens beginnen zich te roeren. De zon staat al laag als ik weer wakker word. En ik weet het zeker. Dit gaat een mooie zomer worden.

◊◊◊

3 reacties op ‘16 In Goede Handen

  1. Pater J.G.J. Tiecke (Enschede 1903) nam in 1956 afscheid van ‘De Grundel’, voor hij naar Oss ging. Kunt u ons misschien zeggen wanneer hij naar Hengelo kwam, en of er ergens foto’s van hem te vinden zijn?
    Met groet en de complimenten voor uw schrijfstijl, Goaitsen van der Vliet, Twentse Taalbank

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.