01 Het Geluk van Links

◊◊◊

Ruim een maand geleden ontvangen Loukie en ik een uitnodiging voor een boekpresenatie in het Perscentrum van het Binnenhof. Tom Pauka introduceert daar zijn nieuwe boek Het GELUK van LINKS. Het is lang geleden dat ik Tom heb ontmoet, hij bestiert met zijn vrouw Lidwi een paardenparadijs in Zuid-Frankrijk, maar besloot een jaar of zo geleden tot een verdiende oude dag aan de Spaanse kust. Daar schreef hij dit boek, met zijn herinneringen aan de tijd dat hij advieswerk deed voor de Partij van de Arbeid. Herinneringen die, zoals dat betaamt voor vertegenwoordigers de oudste generatie, doorregen kunnen worden met meer of minder wijze lessen. Ik ben er ongetwijfeld zelf ook een voorbeeld van.

◊◊◊

Het genre literatuur waarin levensherinneringen worden opgeschreven die onlosmakelijk verweven worden met wijze lessen is typerend voor de huidige generatie ouderen, vooral als zij in een min of meer publieke functie werkzaam zijn geweest. Het blijkt ongekend populair. Zelfs het boekenweek geschenk is er dit jaar aan opgedragen. Peter Sloterdijk, de Duitse filosoof, die al jaren in een ongeëvenaard tempo diepgravende analyses van ons tijdsgewricht het licht laat zien heeft er een trefzekere verwijzing naar Plato voor over. Tussen een veelheid van over elkaar buitelende gedachtensprongen.

◊◊◊

Zoals iedereen hebben wij, de ouwelui, een paar niet te breidelen behoeften. We willen erbij blijven horen. Bij de sociale omgeving waarin wij groot zijn geworden, ons werk hebben gedaan, wellicht invloed hebben verworven. Die behoefte is in toenemende mate wereldvreemd, maar het zal ons niet deren. Een tweede behoefte is daarmee in strijd, we willen niet zomaar in die omgeving worden herkend, maar als een bijzonder mens worden gezien. Als een uniek exemplaar van de mensheid, met in het oog springende ontzag afdwingende kwaliteiten. Plato heeft het dan over onze in de ziel verankerde thymotische drang. Erbij horen en tegelijk er boven uit stijgen. Het heeft iets met geluk te maken. Misschien komen we op Plato terug. Maar eerst het boek van Tom. Zowel erbij horen als – tegelijkertijd – er boven uit stijgen ligt altijd wat gecompliceerd bij de PvdA. Dat maakt het spannend om juist daar in de ziel te kijken.

◊◊◊

Op het omslag zie ik portretten van Joop den Uyl, Wim Kok, en zelfs van Wouter Bos en Diederik Samsom. Ze kijken geen van allen erg vrolijk. En al helemaal niet gelukkig. De foto van Ed van Thijn die meer dan Wouter en Samsom in dit rijtje thuishoort ontbreekt. Daar moet een goede reden voor zijn. De eerste die bij mij opkomt is dat van Ed van Thijn al helemaal geen foto beschikbaar is die zich laat verenigen met de tekst Het Geluk die breeduit op de omslagpagina staat. Van Thijn oogde altijd chagrijnig, ook als hij dit bepaald niet was. Een tweede reden kan zijn dat Ed, Joop en Wim vanouds niet zo gemakkelijk door een deur konden. Als Ed wel door Tom zou zijn toegevoegd, was er niet aan te ontkomen geweest, hij had ook in moeten gaan op de moeizame relaties tussen deze drie. De koper van het boek zou zich dan wat bedrogen kunnen voelen.

Een derde reden is misschien dat de foto’s van Wouter en Diederik willen verwijzen naar het recent verleden, zo niet de actualiteit. Onder het portret van Diederik Samsom staat nog – al is het niet meer in chocoladeletters – en de Toekomst.

◊◊◊

In het begin van mijn studietijd volgde ik enkele jaren intensief colleges filosofie bij de Utrechtse hoogleraren Kuipers, Kantiaan en de theoloog Louët Feisser. Daar werd mij langzamerhand duidelijk dat een tekst lezen betekent: registreren wat niet is opgeschreven, en luisteren: horen waarover men zwijgt; en waarnemen wat uit een beeld is uitgevlakt. En vorm volgt functie. Wat kan de oorzaak zijn van die leegten, of is er welbewust van een bedoeling sprake? De neiging om zo naar de wereld om mij heen te kijken is een beetje mijn tweede natuur geworden. Het levert niet altijd waarderende reacties op. In de politiek al helemaal niet. Mijn Loukie is niet gerust op de afloop van deze boekbespreking.

◊◊◊

Tom Pauka heb ik in de loop der jaren een paar maal ontmoet, een etentje bij ons of bij hen,    een ontmoeting bij wederzijdse vrienden, bij een opening, een museumbezoek. Het milieu van de oude PvdA dat hij beschrijft kennen we beiden van binnenuit, maar we hebben er nooit diepgaand over gesproken. Onze relatie was een afgeleide van een eeuwenoude intensieve vriendschap tussen zijn Lidwi en mijn Loukie. Bij onze gezamenlijke ontmoetingen paste Ton en mij een bescheiden opstelling. Misschien als gevolg daarvan zijn we over de politiek niet eerder in discussie geweest. Maar hier ligt het boek voor me. Ik heb het – op mijn manier – gelezen, en ik ga in discussie.

◊◊◊

 Tom Pauka trad vele jaren regelmatig op als adviseur voor partijleiders van de PvdA.   In een specifieke rol waarvoor tegenwoordig de term personal coach of mental coach is uitgevonden. Hij heeft dat heel lang volgehouden, hij stond dan ook bekend als een echte partijtijger. Zijn wereld is mij niet helemaal vreemd. Tot in de eerste jaren van het kabinet van Wim Kok was ik op een of ander manier betrokken bij deze partij, soms ook als – in mijn geval onbezoldigd – adviseur.

◊◊◊

Onmiddelijk na mijn afstuderen word ik lid van de PvdA, wat betekende dat ik een week later door het plaatselijk bestuur word benaderd voor een gesprek. Zij zien mij als hun nieuwe voorzitter, en wel vanaf morgen. Ik weet dit af te wimpelen, maar word wel als afgevaardigde voor de Partijcongressen in Den Haag gestrikt. Daar blijkt dat mijn taak eruit bestaat om met een pakketje rode kaarten in de lucht te wapperen als het op een stemming aankomt. Dat gebeurt om de drie minuten. Ik leen mijn kaarten aan mijn buurman die er redelijk gelijkgestemd uitziet, en Voorschoten moet doen. In de gangpaden en achter de coulissen zoek ik bekende gezichten op, waardoor het toch nog leuke en leerzame dagen worden.

◊◊◊

Eenmaal per dagdeel keer ik even terug naar mijn zetel en stel een kritische vraag. Aanvankelijk zonder mijn naam staat er dan de volgende dag in de Volkskrant. “Partijleden stellen kritische vragen”.”Je moet nog naam maken” laat het afdelingsbestuur weten dat overigens tevreden is.

◊◊◊

De fractiecommissie buitenland van de tweede Kamer ziet in mijn optreden, of in mijn wandelgangen, aanleiding om mij als onbezoldigd adviseur van de fractie uit te nodigen. Het blijkt om twee of drie leden te gaan, die zich om beurten laten bijpraten door het ongeregeld stelletje buitenstaanders waartoe ik mij nu mag rekenen. Zij vinden het belangrijker om zo’n clubje te hebben dan om er wat mee te doen. En omgekeerd: wij vinden het belangrijker om ons tegenover andere partijadviseurs te doen gelden, dan om daadwerkelijk invloed uit te oefenen. Meer vermeende invloed wordt opgebouwd door met de Haagse jongens van de pers te praten, als het kan off the record onder het genot van een broodje kroket met mosterd.

◊◊◊

Helaas ben ik dan onverbeterlijk.  Ik gedraag mij als de luis in de pels. Het is de rol waar ik goed in ben of tenminste goed in voel. Mij op het lijf geschreven. Evenwichtige geruisloze Wim Kok zinnen krijg ik niet over mijn tong. Het is een tijd waarin luizen zoals ik de wind mee hebben, maar het zijn  toch de tijgers die op vaste koers blijven en de partij door de storm loodsen.

◊◊◊

Het gaat allemaal erg snel. Ik krijg de uitnodiging mij verkiesbaar te stellen voor de Eerste Kamer. Zou ik dat willen? Dat zou ik wel willen. Waarom? Ik vraag het me ook af. “Om achter de schermen te kijken” zeg ik. “Hoe ziet dat er uit”, wordt mij gevraagd. Daar weet ik wel antwoord op. “Het parlement is een besluitenfabriek”, zeg ik. “Als een stukje beleid eenmaal bij wet is vastgelegd wil geen kamerlid meer weten wat er in de praktijk van terechtkomt. De industriepolitiek, daar gaan miljarden naar toe. Ik zou willen uitzoeken wat er precies met dat geld gedaan wordt, welke effecten, misschien zelfs welke beoogde resultaten worden bereikt.” Dat doet de rekenkamer, krijg ik te horen. “Heeft U wel eens een verslag van de rekenkamer gelezen?” vraag ik. Dat is niet het geval, daar zijn andere fractiespecialisten voor. “Hoe denk je dat te doen?” Ik zie het al vorm krijgen al is het ter plaatse bedacht. “Als Eerste Kamerlid, ik volg het werkproces, ga in iedere fase van de uitvoering met een sleutelfiguur praten, Bij Tampat Senang, off the record, tot op de bedrijfsvloer waar het geld verdwijnt”. Ik wordt verkiesbaar. Op de kiesvergadering wordt ik even apart genomen. Er is een probleem. Een partijtijger, 30 jaar actief in de partij, gefoldert, alles gedaan, wil dat hem recht wordt gedaan. Hij eist de plaats op, gesteund door enkele bentgenoten. Ik spreek de zaal toe. “Ik doe het graag, maar mijn collega heeft dit kamerlidmaatschap verdient. Ik niet.” Applaus.

◊◊◊

Ik blijf een rol spelen jegens een kleine oppositiegroep binnen de Tweede Kamerfractie, onder aanvoering van Stan Poppe, die tot taak heeft binnen de partij een herkenbaar links tegengeluid te laten horen. Zij worden door de overige fractieleden niet gedoogd maar gekoesterd. Want zij maken noodzakelijk deel uit van het gezicht van de partij. Zoals wat later de vrouwen en de allochtonen. In de oppositiegroep klinkt het: “Willen we naar de Dam?”. “Willen we naar de Dam?”. “Dan gàan we naar de Dam”. En iedereen in de partij houdt zijn hart vast. Gaan Joop, Ed, Wim, Ad het straks op dat podium redden? Adviseurs vliegen af en aan.

◊◊◊

Ik blijk wel – zij het met mate – een liefhebber van dit soort happenings, op de Dam of elders. Voel iets van verwantschap. Dat heeft niet met sociale klasse te maken, want ook ik kom niet niet uit een arbeidersgezin. De optocht naar de Dam, dat doet bij mij, en velen met mij, een appèl op een andere nestgeur, het riekt naar het Zuiden, het vrolijk, wat genotzuchtig, onbekommerd katholicisme. Bijeenkomen op de Dam is meer een carnaval voor boven de rivieren dan het vastnagelen van een morele aanklacht jegens de heersende klasse. Als de Internationale opklinkt trekken de pleiners een missaaltje tevoorschijn en kelen de eerste regels mee alsof een Te Deum Laudamus uit de kast is gehaald. De ontroering die ik daarbij voel is die van de verloren zoon, weer even thuis in de moederkerk. Birds of a feather flock together.

◊◊◊

Joop den Uyl en Wim Kok zijn al evenmin gegoten uit het staal van de arbeidende klasse. Gesprekken of vergaderingen met hen leiden zelden tot gedeelde vrolijkheid, laat staan tot iets van gemeenschappelijke geluksgevoelens. In de kerk van Joop en Wim zijn de muren witgekalkt, de cherubijntjes met hun charmante piemeltjes van de preekstoel gebeiteld. De apotheose van deze tegenstelling ervaar ik bij de confrontatie tussen de beroemde televisieconfrontatie tussen Pim Fortuin en Ad Melkert. Nomen est Omen. Fris aangebracht mannenparfum versus verschaald okselzweet. Zij vertegenwoordigen beide een geëmancipeerde bevolkingsgroep.

◊◊◊

Wat staat Tom Pauka voor ogen met de titel Het Geluk van Links? En waarom is bij mij nooit de gedachte opgekomen om bij links zoiets als mijn geluk te zoeken? Of dat van mijn medemens? Twee jaar kabinet Kok blijken voor mij voldoende om de PvdA vaarwel te zeggen zoals ik eerder als twaalfjarige puber pardoes de katholieke kerk achter mij heb gelaten. Het is voor mij een van de vele redenen om dit boek ter hand te nemen.

◊◊◊

“Beperkt discreet maar niet onvriendelijk – zoals de schrijver zich heeft voorgenomen – wordt verteld hoe leiders in het politieke klimaat hun koers bepalen” lees ik op de flaptekst. En ik lees tussen de regels: Tom gaat voorzichtig uit de school klappen over wat hij waarnam over het functioneren van Joop, Ed, Wim, binnen de Partij van de Arbeid. Geen luizenverhaal, maar echte tijgertaal. Ik ga op avontuur.

◊◊◊

4 thoughts on “01 Het Geluk van Links

  1. Ach, de helaasheid der dingen. Een mooi, zeg, Paasheuvel-sentiment. Zou niet misstaan in S&D, als ironische kroniek van een verloren jeugd,net als de mijne overigens, maar toch niet van het kaliber van wat de jongens van de Internationale (indertijd) zouden vinden van de tussentijdse vorderingen (vandaag). Zij hadden niet zo’n knus idee van het Geluk van Links, wat overigens niet wil zeggen dat we toen niet meetelden.

    Like

  2. Dag Ad, Geniet van de eerste tot de laatste letter van jouw artikels. Raak en geen letter te veel. Vooral die welke ’dichtbij’ afspelen zoals Het Tuindorp (waar 28 april weer de jaarlijkse boekenmarkt zal plaatsvinden) en Saasveld. Ik kijk er met genoegen naar uit en datzelfde geldt voor de lezing na de jaarvergadering van de Heemkunde Weerselo over ons onderwerp; heb gisteren in Saasveld nog enkele dia’s gemaakt en de film voor ontwikkeling ingeleverd. Groeten aan jullie beiden,Gé
    Date: Sun, 7 Apr 2013 16:19:00 +0000
    To: lukvangeen@hotmail.com

    Like

    1. Dag Gé, de eigenlijke story over het varken van Saasveld moet nog komen. Ik wil het nog op tijd voor jouw inleiding plaatsen. Ik hoop dat die nog niet deze week is. Naar je foto’s ben ik natuurlijk ook benieuwd
      beste groet
      Ad

      Like

  3. Hallo Ad, dank je voor de aandacht! Dat Ed van Thijn niet op het omslag staat is omdat hij geen partijleider was, hij opereerde in de schaduw van Joop. Ga je na het recenseren van de voor- en achterkant van het boek ook nog schrijven over de binnenkant? Dat zou ik wel leuk vinden! Vriendelijke groet, ook voor Loukie, Tom

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s