Peter Paul Rubens. Ambachtelijke arbeid. Hoe maakt Rubens een echte Rubens?

Deel 2

BS Rubens kruisafneming large

 

Schilderwerk als traject. Peter Paul Rubens werkt zeker vijf jaar, van 1610 tot na 1613 aan zijn beroemde altaarstuk De Kruisafneming. Eerst wordt ter plaatse, in de Onze-LieveVrouwe kathedraal van Antwerpen, in de kapel van het Kolveniersgilde, het middenpaneel gemaakt dat hierboven in royaal formaat is weergegeven. Rubens verschuilt zich achter het grootzeil van een Oostzeevaarder, een kotter, en achter de brede ruggen van twee gewapende Kolveniers. Hij werkt zolang het daglicht hem kan volgen. Het atelier van de schilder – het grootste van de stad – is toch niet groot genoeg om deze opdracht daar uit te kunnen voeren.

In de loop van 1612 begint hij aan de zijpanelen die wel in het eigen atelier kunnen worden gemaakt, en na 1613 volgen nog diverse boven- en onderpanelen. In 1621 tenslotte, na ruim tien jaar, vindt de oplevering, eindafrekening en inwijding plaats. Deze Kruisaflegging wordt onmiddellijk als een van zijn grootste Meesterwerken beschouwd en blijft die reputatie behouden. Het is niet vanzelfsprekend dat een hedendaagse bezoeker in awe vervalt bij de aanschouwing van dit werk. Ik weet zelfs van mijzelf niet eens of ik dit werk mooi vindt. Mooi is geen categorie die bij mij beklijft. Het werk is voor mij een project, het is interessant vanwege de vragen die ik wil stellen. Vragen over het maken. De eerste vragen die ik stel leveren een antwoord op dat ik uitdagend genoeg vindt om mij opnieuw te laten aanpreken door dit stuk. De persoon van Rubens zelf, de combinatie van koopman, diplomaat en kunstenaar, het Antwerpse leven ten tijde van de Reformatie en Contra-Reformatie. de opkomst en ondergang van kooplieden-families, van delen van het patriciaat, dat heeft al vele jaren mijn belangstelling gehad. Maar daar gaan deze essays – als het goed is – in het geheel niet over. Het gaat over de Rubens van Rubens, die ene. De aanleiding om dit werkstuk te kiezen is de diagonaal, waarvan gezegd wordt dat zij een kenmerk is van de Barok. Als een soort esthetisch principe. Dat is in mijn ogen zo’n absurde gedachte dat ik daar maar eens wat andere gedachten tegenover wil zetten. Een andere aanleiding is de analyse van een grote ets, die anno 2014 gemaakt is door een van mijn nabije (schilders-) vrienden. Ook daar twijfel ik ernstig aan de idee dat het hier naar zijn intentie of naar zijn beoogde effect om een esthetiek zou gaan. Het begrip esthetiek lijkt in deze ets überhaupt geen rol te spelen. Met mijn probleemstelling: Hoe maakt Rubens een echte Rubens? experimenteer ik met een ideosyncratische methode van kunstonderzoek, met een Rubens als object. Als dat tot een vorm van lustvolle arbeid leidt, die een behaaglijk gevoel van instemming oplevert met de opbrengst van die arbeid, dan is er reden om ook met de ets als vers twee op pad te gaan. Ik ben daar al mee bezig geweest, maar het terra incognita is in dit vers twee aanzienlijk omvangrijker. Bein- und Halsbruch.

In de steigers. Er zijn documenten waaruit blijkt dat er op steigers werd gewerkt. Medewerkers en leerlingen assisteren bij de voorbereiding, en tot op zekere hoogte bij de uitvoering. Er wordt geen melding gemaakt van een betrokkenheid van anderen dan Rubens zelf bij de schilderingen op het altaarstuk in de kerk. Maar hoe Rubens hier te werk is gegaan, daarover ken ik geen berichten.

Vrijheid als probleem. Dat is nu juist wat ik wil weten: alleen al de vraag: hoe kan een werk van zo grote afmetingen tot stand zijn gekomen? Wie op de steiger staat ziet alleen maar de ene vierkante meter voor zich. Op afstand schilderen is niet mogelijk. Er zijn dus tussenstappen geweest, met als eerste een soort van globaal plan, bijvoorbeeld een paar snelle schetsen waarvan er tenslotte éen is uitgekozen. Maar wat dan? Een start kunnen maken met een schets in de hand wil niet zeggen dat daarvan een of twee stappen verder nog gebruik van wordt gemaakt. Maar het leidt wel tot een vlakverdeling, die wat vastlegt, grenzen stelt aan het vervolg: voor elke figuur een plek, een domein, zoals de landmeter een Brabantse woestine in percelen omzet en piketpaaltjes in de grond slaat met merktekens er op. Zo’n veldje, om te beginnen, dat kan moeilijk anders, moet er zijn geweest, ook voor de Christusfiguur zelf. En naar de traditie is het middelpunt van dat veldje de navel van de Heer zelve, een gaatje, een kuiltje, een pikette. En alweer volgens de traditie behoort die navel samen te vallen met het middelpunt van het beeldvlak. Dat kan er behoorlijk saai uitzien. Niet iets voor een man als Rubens.

Trianguleren doen we zo. Bovendien: landmeters maken bij hun opmetingen geen gebruik van rechthoeken met een middelpunt maar van driehoeksmetingen, gelijkbenige driehoeken. Zij trianguleren de beschikbare ruimte want alleen zo is een vaste maatvoering aan te houden, in correspondentie met de werkelijkheid van het te exploreren en exploiteren terrein. Het lastige is, er zijn maar weinig mensen die het blijken te weten, driehoeken hebben geen middelpunt. Geen navel. Er zijn wel middelpunten te construeren, maar afhankelijk van de wijze waarop je de passer laat extrapoleren, ontstaat een middelpunt. Een driehoek telt geen, of wel 32 tot zelfs 36 verschillende middelpunten. Christus is de mens geworden Zoon, dus hij heeft een navel, geen 32, en op de gewone plaats. Is er een lichamelijk brandpunt anders dan de navel? Hier ligt een probleem, althans waneer Rubens, gaat trianguleren om zijn enorme vlak beeldruimte in kaart te brengen. En ik meen te kunnen aantonen dat hij trianguleert. Het klinkt een beetje als een soort geestesziekte, maar voor een landmeter is het bij uitstek een bewijs van gezond verstand om te trianguleren. Hij heeft de vrijheid, maar vrijheid is een probleem, geen oplossing. Zoals de menswording van Christus ook problemen oproept, en door veel mensen niet gezien wordt als een oplossing. De oplossing die Rubens vindt om het navelvraagstuk uit de wereld te helpen, dat moet wachten tot deel 3 van dit verhaal.

Mijn kennisleidend belang. In 1978 neem ik een weekje mijn intrek in een Antwerps hotel op schootsafstand van de kathedraal, en een maal per dag zette ik mij op de koele tegels en nam het tafereel voor mij in ogenschouw. Vrijwel alles wat ik dezer dagen waarneem als ik via mijn beeldscherm de Kruisaflegging bekijk is mij destijds volledig ontgaan. Een heel enkele vraag van de vele die ik mij nu stel kwam destijds wel in mij op maar bleef zonder iets van een antwoord, en ook zonder al die vragen die worden opgeroepen als de eerste antwoorden binnenkomen.

De onverdraaglijke traagheid van het naakt. In datzelfde jaar begin ik te schilderen, manshoge naakten en bevallig vleiende naakteressen in Cape Cod, een 19e eeuws Landsend tussen New York en Boston. Daarna volgen slenterende weken in Bologna. Ik zoek naar een onbevangen, speelse hand, een beetje zoals Rembrandt – waarom niet hoog grijpen als je een rolmodel zoekt? Maar vlucht al naar landschappelijk geïnspireerde werken, want lichamen en portretten, dat vereist geduld en traagheid, bestendigheid tegen verlies, schaamte en een aaneenschakeling van mislukkingen. Naast mij werken medestudenten met Rollei of Polaroid, heen en weer rennend naar een nabijgelegen kopieerwinkel. Dat is mijn eer te na, besluit ik, en in mijn hoogmoed stel ik vast: hun werk wordt er ook al niet beter van.

Brillenmakers, landmeters en kaartenmakers. Maar hoe deed Rubens het? Er zijn in zijn tijd geen hulpmiddelen zoals het projectieapparaat dat ik op mijn colleges gebruikte om krabbels uit mijn aantekeningen voor mij op de lezenaar over mijn schouder meer dan twintig maal vergroot op het witte scherm achter mijn rug onder de aandacht te brengen.

Wangen renderen. Toch zijn er in Rubens’ en Rembrandt’s tijd al meerdere optische instrumenten die door beeldend kunstenaars worden gebruikt. In 1400 maken geneesheren in hun werk gebruik van lenzen en vergrootglazen, verschijnen brillenmakers uit Genua en Zuid-Duitsland in Vlaamse steden. Kunstenaars schilderen geen gepolijste wangen meer maar tonen een gedetailleerd huidoppervlak. Ze renderen beter dan Photoshop. Zo gedetailleerd dat geneesheren van nu kunnen zien welke huidziekten er in de vijftiende eeuw zoal voorkomen. Huidziekten waar de geneesheren van toen, ondanks hun optica, niet de minste weet hadden.

Schilderen als landmeetkunde. In 1430 is de Brabants/Vlaamse schilder van Dijck al actief gebruiker van de camera obscura bij zijn portretwerken. Landmeters maken al eeuwen gebruik van het quadrant om kaarten te tekenen, schippers om hun zeeroutes uit te zetten, en afstanden tot de kust te berekenen. Brillenmakers, landmeters en kaartenmakers zijn van oudsher lid van de stedelijke kunstenaarsgilden, de gilden waarvan de leden verplicht zijn hun kennis te delen en die voor buitenstaanders geheim te houden.

Het verkort perspectief werktuig van Leonardo. Leonardo da Vinci, kunstschilder, bouwmeester en werktuigbouwkundige ontwerpt en gebruikt in 1518 een apparaat om mensen in verkort perspectief te tekenen.

In 1490 blijken hier en daar concave en convexe spiegels in gebruik, dezelfde die de Etrusken al voor de vijfde eeuw in gepolijst koper als huisraad in bezit hebben. De prachtig en zorgvuldig opgemaakte ogen en wenkbrauwen van Etruskische vrouwen zijn hier mede getuigenis van.

Faire-faire avec l’esprit. Het zijn  niet alleen optische instrumenten maar ook talloze andere pragmatische uitvindingen die eerst door ambachtslieden van allerlei aard ter hand worden genomen, daar effectief blijken te zijn, dat wil zeggen in staat om veel voorkomende en halsstarrige problemen die in opeenvolgende fasen van het traject de weg blokkeren, pragmatisch en flexibel op te te lossen. Dat geldt voor handgereedschap, maar zeker ook hoofdgereedschap, dat ook allen maar al doende tot verdere ontwikkeling kan komen. Penser avec les mains en faire-faire avec l’esprit. Eigenlijk lijkt mij deze volzin – wat mij betreft – kort en krachtig, en voldoende geheimzinnig, wel een mooie samenvatting van mijn kennisleidend belang. Misschien in een traject dat voor mij tenslotte niet haalbaar maar slechts denkbaar. Maar iets dat ik wel al denkend ter hand wil nemen. Te institueren zonder enige zekerheid op een finaliseren. Dat riekt wat naar een bepaald soort Franse filosofie, ook in mijn oren, maar ik moet mijn eigen begrippen nog uitvinden. Op basis van eigen, idiosyncratisch onderzoek.

Rembrandts Kunsttheorie. Pas veel later wordt al dit handzaam gereedschap en de bijbehorende denkramen ook een onderwerp van aandacht in kringen buiten het ambachtelijk bedrijf, een object van wetenschappelijk onderzoek, wetmatige analyse, rekenkundige conceptualisering. Een Fundgrube. Ambachtelijke experimenten gaan in de regel vooraf aan het wetenschappelijk onderzoek. Ambachtelijke arbeid blijft tot in de tijd van de stoommachine en de automobiel de primaire, premature vorm van toegepast onderzoek, van experiment en innovatie. Een ongeordende bedrijvigheid waardoor de wetenschap zich laat inspireren. Of zich, gemakzuchtiger, laat verleiden tot een onbestemd begripsmatig, abstraherend categoriseren.

Kunst maken leidt onvermijdelijk tot een kunsttheorie, als dat goed afloopt een ideosyncratische. Geldig voor dit werk van deze kunstenaar. Zoals een effectief kunstwerk van Rembrandt – Ernst van de Wetering laat dit overtuigend zien in deel IV van het Rembrandt Project- tot een nieuwe stap, van Rembrandt zelf, in de conceptuele ontwikkeling van zijn eigen, Rembrandtse kunsttheorie.

De scheerspiegel van David Hockney en de pijp van Harold Wilson. Het werk van beeldend kunstenaar David Hockney ontmoet ik voor het eerst in Yorkshire, in 1970-1972. We maken een uitstapje naar York waar mijn kleuters al even enthousiast en heftig reageren op zijn immens grote werkstukken als ikzelf. Ik maak kennis met zijn experimentele studies over de relatie tussen fotografie en schilderkunst, zijn opvattingen over de bekrompenheid van het eenogig cameraperspectief, en zijn originele oplossingen om zich van deze beperkingen en illusoire beeldpresentaties te bevrijden. Een paar jaar later, als ik al tien onbekommerde boeken van hem in de kast heb staan ontvang ik zijn opwindende verhaal over de Secret Knowledge van het beeldend kunstenaarsgilde in de late Middeleeuwen, de rol van de camera obscura, de camera lucida, en de scheerspiegel in de portretkunst. In 1983 sta ik blij in de rij om hem als oudere collega te feliciteren met zijn Eredoctoraat aan de Universiteit of Bradford, ontvangen uit handen van Chancellor Ceci n’est pas une pipe Harold Wilson.

De twee putjes van Hockney en de omwenteling van 1421 in Brugge. Het spannende onderzoek van Hockney maakt mij opmerkzaam op de markers in olieverfschilderijen, de twee kleine merktekens op het linnen die hij ontdekte in de portreten vanaf 1421 bij de Flaminghi, de Vlaamse en Brabantse schilders. Twee prikgaten op de plaats van de pupillen in de ogen van de geportretteerde, de vaste punten waarmee een kunstenaar zijn overtreksel verkregen via de lens van de camera obscura kan synchroniseren met de afbeelding in wording op het linnen. Een veilige update procedure. Maar ook een noodzakelijke. Een concave of convexe spiegel produceert een virtueel beeld dat als werkelijk wordt ervaren. Elke beweging van het hoofd van de schilder verandert ook de plek waar het virtuele beeld verschijnt en de plaats van zijn projectie op het doek van de schilder. Met elke hoofdbeweging vallen de schaduwpartijen anders. De maten, de diepte.

Via de twee putjes van Hockney kom ik tenslotte uit bij de tientallen putjes van Rubens. Bij Rembrandt, bij vele anderen.

Een verborgen samenleving van ding-achtige wezens in het platte vlak. Later ontdek ik ook de putjes geslagen in de etsplaat die eenzelfde doel dienen. En ook daar, niet teen tweetal, maar meerdere, vele. In soorten en maten. Het maakt mij ervan bewust dat het mogelijk moet zijn de opeenvolgende stappen van het arbeidsproces van Rubens aan het licht te brengen door nauwgezet, zorgvuldig vooral geduldig waar te nemen wat daarover door bestudering van het doek zichtbaar kan worden gemaakt.

Een expanderende en fractaliserende ruimte. In het traject van het maakproces worden fasen begeleid door markeringen. Stippen en putjes. Van eenvoudige naar complexe. Tenslotte tot minuscule, voor het gewone oog volstrekt onzichtbare portretjes. De schilder of etser gebruikt zijn kunstoog, een lens die hij in zijn oogholte kan knijpen. Die 9 tot tien maal vergroot. De tijdlijn, de chronologie, verdeeld in fasen van bewerking, vertaalt zich in een expanderende en fractaliserende Euclidische ruimte, als het moet in een volwaardig 3D experiment.

Terra Incognita. Ik blijk mij te wagen op onontgonnen terrein. Ik moet de wat heuristische begrippen zelf uit mijn hoge hoed toveren, want ook na maanden zoeken vind in de literatuur niets van dit alles beschreven. Terra incognita. De uitleg vraagt tijd en geduld. Van mij en van de lezer. Het is niet anders.

De volle waarneming. Mijn traject leidt niet alleen langs putjes en potjes,  een ware hiërarchie van putjes-dingen, maar langs talrijke andere ding-achtige wezens die in het platte vlak een verborgen bestaan leiden. Het doek gaat open voor een Dingen-Viertel. Een soort van doolhof, waar ik een weg moet zien te vinden zonder gebruik te maken van interpretaties, kunsttheorieën, pre-coderingen, huisregels, of wat dan ook. De waarneming, en niets dan de waarneming, daar moet ik mee zien rond te komen, water en brood, maar dan wel de volle waarneming.

Ik loop te ver vooruit op mijn verhaal. Het is hoog tijd terug te keren naar het beginpunt en dan gewoon opnieuw aan de slag te gaan.

  • Afleggen en loslaten. We zien een kruis, een lijkbleke Christusfiguur waaruit het bloed is weggetrokken, vier ladders, vijf mannen op die ladders, en linksonder drie vrouwen. Het zijn geen heiligen, maar burgers van Antwerpen, Brabanders. De mannen zijn ingespannen bezig met hun werk. De man links boven is rood aangelopen van de inspannning, maar het kan ook zijn dat hij met zijn buik te lang over de balk heeft gehangen. Het lijk van Christus wordt van het kruis afgenomen, en de twee krachtpatsers boven lijken op het eerste gezicht het volle gewicht van het dode lichaam onder handen te hebben. Maar kijken we wat zorgvuldiger, niet naar wat we verwachten te zien maar naar wat er te zien is, dan blijkt dat zij het lijf al hebben losgelaten.
  • “Los!”. De derde man rechts lijkt iets van een regie te voeren. Hij heft zijn linkerhand met een brede zwaai naar achter over zijn rechter schouder.  Hij heeft even tevoren zoiets als ‘Los!’ geroepen. Hij neemt een positie in vanwaar ook eerder niet veel anders kan worden gedaan dan de regie voeren. Een Christusdrager van het hoogste niveau.
  • Spierbundels en aanhechtingen. De twee krachtfiguren hoog op de ladder met hun indrukwekkende spierbundels zijn weliswaar figuranten, maar we praten dan wel over mannen met echte spierbundels, geen stripfiguren, en ook niet het soort van de uit een Italiaanse prentenverzameling overgetrokken beroepsworstelaar. Wat we hier zien dat zijn Brabantse gezichten, in de vertrouwde locale plunje. Zoomen we in op de spierbundels dan zien we een gedetailleerd beeld, met de botstructuur, de aanhechtingspunten, de spieren zelf die zich precies vertonen zoals zij er volgens een sportmedicus in deze toestand behoren uit te zien. Hoewel, in déze situatie, dat moet ik toch iets corrigeren, want wat we zien is de spierbundels van enkele seconden daarvoor. De beide mannen in beeld blijken het lijk net te hebben losgelaten. De spierballen van hun bovenarm zouden zich dan onmiddellijk ontspannen. Maar Rubens schilder niet naar de natuur, maar naar het beoogde effect op het publiek. Hij geeft de voorkeur aan een beeld van actie en drama, zoekt dat éne moment, die seconden waarin de spanning te snijden is, offert daar moeiteloos een accurate weergave van de werkelijkheid aan op. Het publiek kijkt ademloos toe, ervaart die split second als het hoogste moment van de waarheid. Zoals de nieuwsgaarder in Gaza, die het vaste scenario van de martelaar die ten grave gesneld wordt per video in beeld brengt. En dan vraagt of ze het nog een keer over willen doen, bij een nog betere camera-instelling.
  • Hoog en laag op de Jakobsladder. Het wapen van de Kolveniers is de haakbus, een schietwapen waarbij loden kogels via de loop worden ingebracht en met veel kruit afgeschoten. Het is lichter te bedienen dan de hand of voetboog. Het leidt niet tot brede schouders en indrukwekkende  spierbundels. Maar deze wapens worden gemaakt door wapensmeden, en deze vormen de harde kern van het Kolveniersgilde. In processies lopen zij voorop, dragen het vaandel, en slaande trom. Hun plaats in het beeld aan het eind van de ladder is zowel symbolisch als functioneel. Net zoals bij de Jakobsladder is de vraag wat het eind is en wat het begin afhankelijk van de plaats waar je staat of waar je begint.
  • Hoofd en lichaam. Het volle gewicht komt nu terecht bij de jongeman met de weelderig golvende rosse haren die lager op de ladder staat. Hij vangt het lichaam met zijn borst op, en zijn rechterknie, en helt nu met zijn bovenlichaam zwaar achterover. Het is de vraag of hij zijn evenwicht zal kunnen bewaren. Een close up van zijn kuiten en voeten toont dat zij strak gespannen staan. De kuitspieren zijn geprononceerd, de enkelbanden aangespannen. Eigenlijk past deze stevige beenpartij meer bij een stevig uit de kluiten gewassen manspersoon dan bij het weelderig golvende rossig-blonde haar van het gezicht dat boven de schouders uitsteekt. De verhoudingen tussen de omvang van het hoofd enerzijds, dat volgens de criteria waar ook de schilder Rubens zich aan houdt, en de rest van het lichaam, die 1:8 zou moeten zijn, worden hier niet aangehouden. In eerste instantie dacht ik met een vrouwspersoon te maken te hebben, maar hij is figurant voor de persoon van Joannes de Evangelist.
  • Wrong Party. Joannes Nieuwhoofd is oud genoeg om de nodige kruisigingen te hebben meegemaakt, want die zijn op en rond Golgotha aan de orde van de dag. Maar hij is desondanks niet voor de gelegenheid gekleed: gedrapeerd in kardinaalsrode zijde in plaats van een degelijk werkpak. Zijde van verre, mogelijk geïmporteerd uit het nabije Libanon, maar waarschijnlijker via de kameelroute uit India of China. In deze kleur peperduur. Bij Joost van den Vondel in Amsterdam wordt kardinaalsrode zijde niet per el of per palm, maar per duim geprijsd en afgemeten.
  • Neerdaling en afdwaling. En dan! De schone jongeling Joannes waagt het om tersluiks te kijken naar de twee beeldschone dames die, links van hem, geknield als bevonden zij zich op een kerkbankje voor het altaarstuk in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen, en niet voor het dode lichaam boven op de berg van Golgotha. En zij hebben hun ogen niet gericht op de Christus, maar op de ijdele ogen van de fijnbesnaarde jongeman in zijn zijden lakenen. Wat deze drie jongeren betreft: voor hen is Christus even ver weg. Voor Johannes Nieuwhoofd al helemaal onbegrijpelijk, omdat op hetzelfde moment de gekruisigde met zijn volle gewicht op hem neerdaalt.
  • Kunst als schuldsanering. Ik heb maar éen verklaring voor dit bizarre toneel: de vader van deze jongeman heeft een stevige bijdrage geleverd aan de kosten van het altaarstuk, dat in vaste termijnen aan de schilder diende te worden uitbetaald. Contracten als deze worden in het gildenboek heel precies en omstandig beschreven. Zij hebben de kracht van wet, en zijn door de stadsregering bevestigd. Kijken we naar de jaren waarin uitbetaling heeft plaatsgevonden dan is het niet de schilder Rubens die te traag is in het nakomen van zijn verplichtingen, daar staat hij ook niet voor bekend, maar zijn opdrachtgevers, de Kolveniers die hun betalingsverplichtingen niet op tijd, jaren over tijd, kunnen of willen nakomen.
  • Weelde dragen. De oorspronkelijke figurant die voor Joannes model heeft gestaan zal zijn dagenlange pose vast wel uitbetaald hebben gekregen, maar er is tenslotte niet veel meer dan een afbeelding van zijn kuiten en enkels vereeuwigd. Zijn kop is gevallen, als een ware martelaar. Het is zelfs de vraag of hij ooit de weelde van de ellenlange drap de soie die over zijn schouders plooien heeft gevoeld.
  • Spierschilder en fijnschilder. De jongeman is en profil afgebeeld. Het gaat duidelijk om een portret. Bij uitvergroting blijkt dat de kwast van een fijnschilder is gehanteerd, vlakke, gepolijste wangen, een facie zonder diepte. Niet direct de hand van de Meester. Gegeven de stand van rug en schouders is de hals wat verwrongen geraakt. Het portret en profil is echt het absolute maximum aan draaierij, en eigenlijk – schildertechnisch en constructief gezien al over de schreef. Voor iedereen die in de praktijk wel eens een kop op een schouder heeft gezet moet het duidelijk zij: hier vertoefde eerder een ander kop, een die wél, zoals het op zo’n historisch moment hoort naar de Christusfiguur heeft gekeken. De Kolveniers zullen aan deze koppen-wisseling toch weinig genoegen hebben beleefd. Eervol is anders. Hun nalatigheid in de afrekening komt hen uiteindelijk duur te staan.
  • Elk van de vier figuren in de onderdriehoek ter rechterzijde, is in kostbare zijde gehuld afgebeeld. De twee knielende vrouwen, waarvan de tweede de voet van Christus op haar schouder laat rusten, dezelfde voet die zij ooit met heur haar heeft mogen schoonwassen, figureert voor de persoon van Maria Magdalena. Volgens sommige exegeten geen historische figuur, maar een compositie van van drie of vier Maria Magdalena legendes. En de staande mannenfiguur, die ik terloops als de regisseur heb aangeduid. Het zou mij niet verbazen als hij de initiatiefnemer tot de uitvoering van dit altaarstuk zou blijken te zijn, de koopman/hoofdman van het Kolveniersgilde, die als eerste, en met het grootste bedrag over de brug is gekomen. Smeden tegenover patriciërs, dat lijkt mij een heel natuurlijke compositie voor een stedelijk schuttersgilde. Kooplieden en patriciërs  die als het op vechten aankomt zich laten vertegenwoordigen door twee of meer ambachtslieden, waarbij zij de uitrusting en soldij voor hun rekening nemen, en zo nodig een beschaafd weduwenpensioen.
  • De ongesluierde dood. Maria in het blauw, ter rechterzijde gaat, zoals het een timmermansvrouw betaamt, in goed-burgerlijk linnen gekleed. Zij is de enige uit het hele gezelschap die haar zoon recht in de ogen kijkt, lijkbleek, zoals zijn lijf, het hoofd alsof hij zich een laatste maal tot haar wendt. Zacharias, de oude man boven haar, heeft, zoals het oude mannen betaamt, op de leeftijd waar zij zelf de dood lijfelijk onder ogen zien, geen blik op het levenloze lichaam nodig, die blik is naar binnen gekeerd

Kunst als koopmanschap en diplomatie. Mijn waarnemingen zijn, dat blijkt, deels interpretaties, maar er is toch een onderscheid te maken met intentionele of subjectieve interpretaties. Ik loop mijn waarnemingen ongegeneerd na, zonder aanzien des persoons, dat wil zeggen zonder de vraag naar mijn subjectiviteit of de objectiviteit van het kunstwerk. Al doende, springend van detail naar detail, wacht ik op het moment dat zich een tegenstrijdigheid aandient, aan mij aandient, zoals die tussen de gespierde kuiten en brede heupen van de figuur van Joannes, de figurant enerzijds en de babyface met vrouwelijke haarlokken die aan de andere zijde van het omgehangen kardinaalsrood opduikt. De ene figurant is de andere niet, zoveel is zeker. Dat is een probleem, maar voor een pragmatische zakenman als Rubens geen groot probleem, hij is als Tom Poes en doet iets, hij bedekt het probleem van de onthoofding, met de flamboyante rode mantel der liefde. Een met kunstmiddelen tot stand gebrachte oplossing ten dienste van een dringend noodzakelijke schuldsanering, de achterstallige betalingen van zijn clientèle, het Kloveniersgilde. Het is een pragmatische, elegante oplossing, een ervaren diplomaat waardig. Misschien zijn al de vier in zijde gehulde personen aan de voet van het kruis gewoon een vorm van middeleeuwse sluikreclame. Iedereen in Antwerpen weet wie die rijke zijdehandelaar is, die voor zijn medeburgers in de bres is gesprongen, zoals tout Amsterdam weet wie tot de vaste klanten van de sublieme zijdewinkel van Joost van den Vondel behoren. Zoals Tulp, Trip en Tholincx.

Waarneming als toetsing. Ik bied mijn waarnemingen dus niet aan in concurrentie met een andere waarneming, tenminste niet als die in de orde is van: het is maar wat je er in wilt zien. Wie mijn conclusie in twijfel wil trekken is van harte uitgenodigd, maar hij zal dan wel met een alternatieve oplossing moeten komen voor zaken als het hoofd en de voeten, de plunje tegenover de zijde, de kolenschoppen tegenover de fluwelen kinderhandjes, de blik op het vrouwelijk schoon in plaats van de blik op de lijkbleke Christus.

Kunsttheorie leidt niet tot kunst. Ik teken ondertussen ook nog zonder daarover expliciet te zijn een soort van handelen dat ik aan de schilder toeken, pragmatisch, realistisch, als man van de wereld die zijn pappenheimers kent, en daar met Italiaanse grandezza mee omgaat. Niet dat dit uit mijn empirische filosofie volgt, maar omdat het op dit ogenblik een waarneming lijkt te completeren, die ik even later weer zal moeten terugnemen. Het risico lopen op mijn ongelijk, en het veranderen van mijn traject op weg naar een effectief onderzoeksresultaat, het hoort er allemaal bij. Ik geef weinig voor een adagium waarbij vereist is dat kunsttheoretische vragen binnen een kunsttheoretisch paradigma moeten worden opgelost. Kunsttheoretische vragen worden door problemen die zich voordoen bij het maken en aan de man brengen van een werkstuk, als ware het een kunstwerk. Kunsttheorie zelf produceert nieuwe kunsttheorie, maar geen werkstukken van kunst.

De man met de drie ogen. Wat er ook bij hoort, iets waar ik zelf niet meer van opkijk, maar wat mijn lezers ongetwijfeld verontrust is de ervaring dat ik op mijn weg naar spanning, verrassing en inzicht, opnieuw geen stap dichter gekomen ben bij de clou die ik voor dit deel van mijn verhaal had bestemd: Rubens en de man met de drie ogen. Want zoals ik mij gemakkelijk kan vergissen is ook aan het gedoodverfde Brabantse genie Rubens niets menselijks vreemd. Ook niet het voor een groot schilder ondenkbare. Maar daarover dus meer in het derde kleine essay in deze serie. En wat mijn langdradigheid betreft, ik koos, zoals aangekondigd, voor de weg van de volle waarneming. En die poging tot zelftucht of – tuchtiging verdraagt zich moeilijk met de klare lijn en de snelle conclusie. Voor wie dat prefereert is er een uitstekend alternatief. Rubens? Thumps Up!

9 reacties op ‘Peter Paul Rubens. Ambachtelijke arbeid. Hoe maakt Rubens een echte Rubens?

  1. Beste Ad,

    Het verhaal is duidelijk. Nederigheid past de Bodars. Dat gaat ons lukken. Veel dank voor deze aangename en leerzame correspondentie. Het allerbeste.

    Met vriendelijke groeten, Charles

    Like

    1. Avontuur, vastberadenheid, doorzettingsvermogen… voldoende redenen om trots op te zijn. En om razend nieuwsgierig te blijven naar het verleden
      beste groet
      Ad

      Like

  2. Beste Ad,

    Wederom grote dank, Het gaat mij steeds meer boeien en zal zeker een keer naar KB gaan. Mag ik u twee slotvragen stellen:

    1) Wat is het antwoord dat ik voortaan geef op feesten en partijen op de vraag waar mijn voorvaderen vandaan komen (en dan natuurlijk niet terug tot Adam)? Ook aan mijn kinderen wil het wat preciezer meegeven. Tot nu toe zat ik, ingegeven door een Bodar stamboomverslag dat ‘slechts’ terugging tot het overlijden van bovengenoemde Josef in 1794 in Mons, Henegauwen, op de lijn ‘van Franse komaf’. Henegauwen behoorde immers toen tot Frankrijk, zo stelt het verslag. Nu weet ik meer en kronkelt het stamboompad geografisch een beetje. Mijn vader roemde (vooral met een wijntje op) onze Franse afkomst met zelfs een spannende lijn naar Hugenoten. Over de doden niets dan goeds, maar hou ik het voortaan maar wat algemener op ‘De Zuidelijke Nederlanden met af en toe een tijdelijke slinger naar dieper Frankrijk’?
    2) U heeft destijds mijn over-over-….grootvader Willem Bodar getraceerd als geboren te Breda in 1715 en overleden te Sluis in Zeeland op 12 juni 1784. Als ik verder terug wil zoeken naar de vader van Willem, enz., in welke bronnen raadt u me aan te gaan zoeken?

    Met vriendelijke groeten,

    Charles Bodar

    Like

    1. Er zijn vast wel genealogen die met stamboomonderzoek hun brood verdienen. Verder zou ik zeggen, houdt U van den domme, Uw familie en zeker Uw kinderen horen liever sprookjes. Verder, een landkaart bijvoegen om duidelijk tr maken dat Mons/Bergen in het Belgische Henegouwen ligt dt nooit , de belgen zeggen NOOIT, bij Frankrijk heeft gehoord,. Ik verbleef ooit graag in Bergen/Mons, vrijwel de gehele bevolking spreekt hun moers taal, vlaams. Een mijnbouwgebied rondom was vroeger de vrijwel enige bron van inkomen. Met eeuwige ups en downs. Drie jaar werk, drie jaar in de bedeling. Op de rand van de armoede gebracht gingen zoons dan in het Vreemdelingenlegioen van de Wallons. Als ze in Breda of Roermond of Den Bosch kwamen konden ze met hun Vlaams volledig uit de voeten, het is net als het Brabants een oud-Nederlands. Het Algemeen beschaafd Nederlands is niet geboren in Den Haag en Amsterdam (nog steeds te merken) maar in Brabant en Vlaanderen. Daar zaten ook de echte taalgeleerden.
      Hier in Leiden meent 80 procent van de families die van bloedarme Vlaamse en Brabantse boerenwevers afstamden dezer dagen dat zij rijke grootburgerlijke Hugenoten waren. Het wordt met opeens ernstige gezichten ter tafel gebracht.
      Ik heb jarenlang met een verre Teulings in onmin geleefd. In mijn stamboomopstelling stond zijn voorvader aangegeven als Jacobus Theodorus Maria, maar dat moest Jaques zijn. Ik kreeg een fotokopie van de inschrijving in het bevolkingsregister: inderdaad, Jaques. Maar dat was uit de tijd dat Napoleon de Lage Landen veroverde, en Lodewijk Napoleon hier met grote voortvarendheid de Burgerlijke Stand, de meter, en nog wat invoerde. Dus mijn overgrootvader uit die tijd werd een Jean, en niet Johannes plus die andere voornamen zoals in zijn doopregister stond. Hij noemde zich Jan en kon daar geen kwaad mee. Maar Jacob ipv Jaques bleek een brug te ver. Ik bracht schande over zijn familie – letterlijk. Hij kon zijn kinderen niet meer onder ogen komen.
      Ook aan het nabije Roomse verleden wilde hij niet worden herinnerd. Het doet denken aan al die stambomen die tot 1600 teruggaan, de jaren van de godsdienststrijd tussen de Calvinisten en de Roomsen. Voor 1600 heerste de duisternis, het bijgeloof, de armoedzaaierij. Daar houdt volgens velen de geschiedenis gewoon op. Behalve als je nog een Hugenoot uit de hoge hoed kunt toveren. of een landjonker, of de eigenaar van een Voornaam stadshuis. Geld zet tenslotte morele bezwaren opzij.
      Tussen Kerst en Oud en Nieuw kom ik graag met zulke verhalen bij mijn kinderen en kleinkinderen op de proppen.

      beste groet

      Ad

      Like

  3. Beste Ad,
    Veel dank voor de reactie en uiterst boeiend. Ik zal neef Antoine nog eens benaderen, Wellicht weet hij nog meer. Toch snap ik nog niet hoe het kan dat op geni.com staat dat Jan Baptist Willem Bodar (1732) en Josef Jan Baptist Bodar (1762) beiden in Abondance Rhones Alpes zijn geboren, terwijl hun vader, respectievelijk, grootvader, Willem Bodar, in 1715 in Breda is geboren (en in Sluis Zeeland stierf). Later zijn de kinderen van Josef Jan Baptist via Antwerpen in Den Bosch belandt. Dat duidt toch wel op een ‘U-bocht’ Brabant-Frankrijk-Brabant?

    Met vriendelijke groeten,

    Charles

    Like

    1. Beste Charles,
      De jongemannen die in dienst traden van het Waals Regiment gingen een contract aan van – ik meen – drie jaar. Daarna konden ze mog een keer bijtekenen, maar daarna hield het vaak op. De schuintamboers van Rommedebom en fuseliers stonden na elk contract voor de keuze om een Brabantse deerne te trouwen of een jonge deerne die in het Waalse nest thuis zat te smachten. Zoiets. Abondance zou dus een broedplaats kunnen zijn waar tussen twee contracten door de kinderen ter werelf kwamen. En het Waals Regiment was net als het Welsh Regiment een soort Vreemdelingenlegioen. Een huurleger dat zelden in actie kwam maar door het Haagse Gouvernement in een stuk of tien garnizoenssteden paraat werd gehouden om een opstand van de Brabanders te ontmoedigen. Zo ging het immers ook in onze Overzeese Kolonien. Maar let wel, het is ergens vast allemaal uitgebreid bestudeerd en opgeschreven, en ik weet zeker dat je er bij de KB stapels met boeken over kunt lezen.

      beste groet

      Ad

      Like

  4. Beste Ad,

    Mijn naam is Charles Bodar, zoon van Lambert Bodar en Mia Vlemmings. Ik ben me voorzichtig aan het verdiepen in de geschiedenis van de Bodars en zag op geni.com dat uw naam staat bij een tak aan de boom die over de Bodars gaat. Het verhaal stopt /begint bij Willlem Bodar (1715 Breda). De zoon van deze Willem is in Abondance Frankrijk geboren evenals zijn kleinzoon, Daarna leidt het spoor via Belgie naar Den Bosch. Mijn vragen zijn:
    1) hoe zeker is deze uittocht vanuit Brabant begin 18e eeuw naar Frankrijk om daar een aantal generaties weer terug te komen?
    2) heeft u pogingen gedaan om de vader van Willem (1715) te traceren?
    Andere informatie over de vroege Bodars is mij eveneens zeer welkom
    Bij voorbaat dank.

    Charles Bodar, Zeist
    06-46860717

    Like

    1. Beste Charles,
      Bij mijn beste weten (maar ik heb mij meer 10 jaar geleden vanwege de link Teulings-Bodar, een enkele ontmoeting en wat emails met Antoine een korte tijd in verdiept) is er geen route van de Bodars eerst van Brabant naar Frankrijk en daarna weer terug. De Bodars kwamen mee met het Waals regiment (gelegerd in Wallonië dus) dat een substantieel deel uitmaakte van het garnizoen dat vanuit het Bolwerk genaamd de Papenbril er voor moest zorgen dat de katholieke bevolking zich niet te buiten ging aan oproerigheden. Zij ontvingen hun soldij van het Haagse Gouvernement, dat daarvoor weer een speciale belasting oplegde aan de Bosschenaren. Er bleven af en toe een Bodar haken aan een Bossche deerne. Maar om deze vorm van overlopen te beperken werd het Waalse Regiment om de paar jaar gedeeltelijk ververst. De Bodar’s behoorden tot de categorie van Walloniers die van vader op zoon verslaafd raakten aan het Bossche garnizoensleven – dat zich overigens grotendeels in de stad afspeelde, want zij konden op kamers gaan wonen bij particulieren. Dat spaarde het Gouvernement weer een boel geld.
      De ex-soldaten en hun vrouwen vonden als zij in Den Bosch bleven, veelal emplooi in de straathandel, zoals pruimtabakventers en appelverkoopsters, als los werklieden (turfstekers) en later in de locale sigarenindustrie. Ik schreef een tukje uit op een van mijn storyboards, maar kan dit niet onmiddellijk terugvinden. Het is niet mijn bedoeling om anderszins op de Bodar’s terug te komen – tenzij Antoine Bodar mij daartoe zou oproepen, maar zelfs dan…
      In mijn stamboom komt ook nog een relatie voor (zie o.a. mijn geni.com website) met de Griffins die kort na de verovering van ‘s-Hertogenbosch in den Bosch neerstreken als deel van het Welsh Regiment aangekocht door Maurits en zijn opvolgers enkele eeuwen ook als leveranciers van huursoldaten dienden, ook op de payroll van het Haagse Gouvernement. Het Welsh Regiment dat aangekocht werd voor het Bossche Garnizoen was gelegerd in Yorkshire, maar daar viel niet veel meer onder de duim te houden, dus waarom niet op naar de Papenbril?

      mvg

      Ad Teulings

      Like

  5. Dit is op Wanderings. Images. Observations. herblogden reageerde:

    A series of essays in progress to become:
    I. Wanderings. Images.Observations.
    I. 1. Arts and Crafts
    !. 1. 1. Peter Paul Rubens Making a True Rubens
    I. 1. 2. Rembrandt van Rijn Making a True Rembrandt
    I. 1. 3. Style as Superficial Categorization of a Painting Surface in Progress
    II . Arts an Crafts in Modern Times
    II. 1. Lucien Freud making a Real Freud Portrait
    II.2. David Hockney making a Real Hockney Panorama
    I!.3. Portrait Surface as Chartered Landscape
    II.4. Surface and Depth. Redundancy of the Vanishing Point
    II.5. Portrait and Scenery in two Etchings by Burkhardt Söll
    I hope to complete this program somewhere early October this year
    Ad Teulings

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.