Rekenen als de beste

ωωω

Op een speciaal plekje. Een van mijn mooiste schatten. Een vuistdik boek.

Een allegaartje. Een oud handschrift. Niet zo erg oud, want het is voor ons, stervelingen, in 2017 moeiteloos te lezen.

ωωω

Cornelis Theulings heeft de eerste tachtig pagina’s volgeschreven. In 1756. Handgeschept papier, de ganzenveer in de galnootinkt gedoopt. Na die tachtig vellen had hij het rekenen wel onder de knie.

Ik kan zijn voortgang goed volgen. Tot en met de beginselen van de algebra. Maar dan? Er zijn nog vier of vijfhonderd lege bladzijden over.

ωωω

Hij gaat direct na zijn schooljaren in zaken, in het bedrijf van zijn vader, zijn broers, zijn ooms, zijn neven. Een hele kluit.

Cornelis doet naast mijn ambachtelijke plichten een deel van de bedrijfs-boekhouding. De klantenadministratie. Het familiebedrijf van de Teulingsen maakt rijtuigen.

In 1756 wordt er al gewerkt op voorraad. De klanten komen binnen in wat we nu een showroom zouden noemen. Daar staan meerdere tientallen rijtuigen klaar voor de verkoop.

ωωω

Maar veel klanten hebben speciale wensen. De kleur, de luxe, het leer van de zittingen, de olielantaarns. Ik vind het terug in dit Cijferboek van Cornelis. Sommige klanten, we zijn in het mondaine ‘s-Hertogenbosch, willen een geschilderd familiewapen op de deuren. Of fraai gebeeldhouwde houten kolommen rondom. Goud, bladgoud, in kunstig gekerfde patronen ingevoegd.

ωωω

En nu de familie Teulings toch al die kunstjes laat zien die ze bij elkaar in huis hebben, komen er ook verder reikende opdrachten.

Een paar mooie gebeeldhouwde schouwen in de ontvangstruimen van een familie. Kan dat? Cornelis meet, en cijfert en tekent in zijn Cijferboek, en noemt zijn bedrag.

ωωω

Ik lees de namen van de klanten. Ik herken moeiteloos al die namen. Tot mijn verbazing komt een deel van hen uit de kring van de Gereformeerden. De Staatskerkers. Nieuwkomers van ver boven Maas en Waal. Groningen, Drente. Alkmaar. Harderwijk. Gesteven Regenten, rijp voor een stadsbestuur waar sinds 1630 voor de Roomsen geen plaats meer is. Dat zal zo blijven totdat de Franse Revolutie overwaait.

ωωω

Maar de Roomse verstotelingen hebben al snel van hun bittere nood een schone deugd gemaakt. Kooplieden, groothandelaren in laken, zijde, linnen, pelzen, bont, messen en klein wapentuig, de Bolduque verovert de wereld. Distributie en vervoer. De vader van onze Cornelis was nog Schepen van de stad, de allerlaatste katholieke kongsie, dus ook Raadsheer en rentmeester, maar zijn talrijke zonen vinden een uitweg.

ωωω

Er worden fraaie jaaromzetten gehaald bij deze Teulingsen, met de enige rijtuigfabriek in Brabant die robuuste en chique vierwielers op voorraad maakt in een vroege vorm van serieproductie. Zelfs de grote rijtuigmakers uit Antwerpen, Gent en Luik kwamen dat zien.

ωωω

Cornelis, de kleine Cornelis van het Cijferboek, wordt een groot man in zijn fabriekscomplex aan het Vughtereind en een man van aanzien. Voor zijn forse gezin bouwt hij een breed en diep stenen huis van drie verdiepingen. Maar als het eenmaal zover is heeft hij zijn cijferboek én de bedrijfsadministratie al lang op een vergeten plankje achtergelaten.

ωωω

Zijn nazaten komen er op terug en gebruiken die lege pagina’s nog wel eens. Na honderd jaar wordt het zelfs een fotoalbum. Het album op geschept papier. De fotograaf komt met zijn driepoot en balg aan huis. De familie trekt haar mooiste plunjes aan, en brengt zo voor een laatste maal verslag uit over het wel en wee van deze oude Bossche familie.

ωωω

Dan volgt het bankroet van 1910, als de familie vergeefs geprobeerd heeft als fabrikant van automobiles-carrosseries een nieuwe bloeiperiode op gang te krijgen.

Mijn vader, een Josephus Cornelis geboren in datzelfde jaar rampjaar 1910 ging ongetwijfeld werktuigbouwkunde studeren in de nakrampen van deze nog onverwerkte rampzalige familiegeschiedenis.

ωωω

Het is een vakgebied dat hem bepaald niet op he lijf geschreven was. Talen en geschiedenis daar lag zijn lust in zijn leven. Hij bouwt een reputatie op als talenwonder.

ωωω

Desondanks werden zijn zoons al heel jong door hem meegesleept naar vakbeurzen en autosalons. Vraagt steevast aan een verkoper om voor hem de motorkap wijd open te klappen. Naar links en naar rechts. Dan geeft hij ons en wat stomverbaasde omstanders college over de jongste ontwikkelingen in de auto-en motortechniek. Beschaafd, begaafd en gedegen. Maar nog nooit ook maar éen hand uitgestoken om die warboel van olie en smeer te beroeren. Geen wroeter. Ook niet jegens zij eigen Ford Taunus.

ωωω

De Cornelis van het Cijferboek is onze voorvader in rechte lijn. Hoever en hoeveel generaties moeten we dan terug?

ωωω

Mijn vader, ik stel hem op generatie II is van 1910. Mijn grootvader, ook een Josephus Cornelis, is directeur van La Paz, de Braziliaanse sigaren, die enorme donkerbruine joekels, ik was er ooit aan verslaafd, generatie III.

ωωω

Diens vader Jan, een buitenbeentje. Hij vertrekt als 18-jarige Zouaaf naar Rome om de Pauselijke Staat te beschermen tegen de invallen van Mussolini. Twee vernietigend verloren veldlagen verder, tot Officier bevorderd en met medailles beladen sluit hij zich aan bij zijn Franse generaal die met honderd van zijn verdoofde mannen naar het Vreemdelingenlegioen overstapt. Camaraderie.

ωωω

En zo vecht hij onmiddellijk daarna als Officier tegen de Pruissen in Rheinland-Westphalen. Om de Kolen en Staal laat mijn vader weten. Ook hier: Binnen enkele dagen een gedecimeerd bataljon. Massagraven. Zijn talrijke Wesgegroetjes moeten hem hebben gered.

ωωω

Terug in ‘s-Hertogenbosch, aanvankelijk statenloos, wordt hij begenadigd door Willem II, op voorspraak van Mgr. Zwijsen, Bisschop van ‘s-Hertogenbosch en Utrecht. Onmiddellijk daarop benoemd tot directeur der Gevangenissen voor Noord-Brabant in de rang van Majoor. Allemaal nogal bizar, maar het baarde in die tijd geen opzien, gaf wel aanzien. Dat was generatie IV.

ωωω

Dan kom ik bij een Cornelis Josephus geboren in 1821 die leiding geeft aan de – voor die tijd zeer moderne – Teulings Rijtuigfabriek. Hij is de zoveelste generatie rijtuigmakers op rij. Maar vanuit mijn opklimmende tijdreeks gezien Generatie V.

We zijn dan nog steeds niet bij die jongeman van het Cijferboek.

ωωω

In Generatie VII is mijn voorvader de rijtuigmaker Anton Cornelis, geboren in 1797, en dan, eindelijk, daar komt hij: Generatie VIII, Cornelis Theulings geboren in 1745.

Ongeveer het jaar waarin de eerste stenen straatweg werd aangelegd in het Zuiden des lands. Van ‘s-Hertogenbosch naar Luik. Vertel en aankomstpunt is het Vughtereind, dan het royale voorplein van de Teulings-fabriek, waar de rijtuigen en paarden van heinde en verre in drommen worden geparkeerd.

ωωω

Daar staat ook het oude Tolhuis. De tolrechten vanouds een erfelijk hertogelijk privilege, heeft de familie twee eeuwen eerder verworven. Het is de traditie dat bij een huwelijk de vrouwen des huizes een erfdeel daarvan als bruidsschat ontvangen. Maar bij hun overlijden keert het weer terug in de mannelijke lijn.

ωωω

En dan is er de de tap, op de hoek naast het hoge woonhuis, ook al twee eeuwen onveranderd gebleven, waar de ongehuwde Teulings-dochters leven in de brouwerij brengen.

ωωω

Cornelus wordt geboren in 1745. Hij schrijft zijn eerste bladzijde in het cijferboek in 1756, dus op 11-jarige leeftijd.

Eerste klas van de Latijnse School. Een mooi, open en stevig handschrift. Zoals dat van mijn grootvader, mijn vader en mij. Ik kijk er altijd weer met veel genoegen naar. Ook die relativerende slordige krabbels, overal in de marge, dat bevalt me zeer. Maakt ook deel uit van de essentie van ons verleden. Rommelpotten.

ωωω

Van die hele, complexe familiegeschiedenis heeft dus toch wel iets standgehouden. Je moet het weten om het te kunnen zien. Ja, zo is dat. Dat geldt voor veel dingen. Een levenswijsheid. Nouri dans le Serail.

ωωω

En als ik zo, als wijsneus, die tekst van mijn Cornelis herlees dringt zich ook de inhoudelijke verwantschap op, onmiskenbaar naar mijn gevoel. Wat is dat? Die parlevinkende verhouding tot het katholicisme. Ik hoor mijn opa, mijn vader, en mijzelf. Katholiciteit. Daar hoort een luie stoel en een glaasje bij. We houden ervan zolang en voorzover we er goedmoedig de spot mee kunnen drijven. Die Wesgegroetjes van Cornelis. Ja dat is-em. Een zielsverwant. God hebbe zijn ziel. His Boy. My Boy. Our Boy.

Kom, ik schrijf zijn tekst nog even voluit:

Cornelis Theulings
Hoort dezen syverboek toe
Al wie heme vint geeft
Het hem weder
om al die
Het niet doet
bit voor elke letter een
Wesgegroet
dit heeft Cornelus Theulings
geschreven
Den 17e November 1756.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s