De Salon

Het huis aan de Hinthamerstraat heeft alleen nog de footprint van een middeleeuwse stadswoning, in het keldergewelf duidelijk herkenbaar. Het kent de smalle voorgevel uit de tijd dat de breedte in voeten gemeten bepalend is voor de stadsbelasting. Belendende panden zijn in de 19e eeuw verbreed door een samenvoeging van twee oudere huizen.

Daarnaast is er de haardtelling. Met drie haarden in het voorhuis moet het desondanks een duur pand geweest zijn. Maar dat geldt dan ver voor de tijd van mijn grootouders. Ook de belasting geheven op het aantal tonnen bier dat door de bewoners word gedronken is al lang niet meer van toepassing.

Achter de voordeur strekt zich een lange smalle gang uit tot aan de keuken. Daarop volgt een bijkeuken, uitkomend op een binnenplaats met terzijde nog een werkplaats. Zoals over de hele straat het geval is komt de binnenplaats uit op  de Dieze, de stroom, waaraan nog een achterhuis staat. Dat is ook bereikbaar via een pad langs de Dieze dat leidt naar een steegje dat weer uitkomt op de Hinthamerstraat, een paar deuren verder.

Het achterhuis van Opa en Oma is verhuurd, of mogelijk verkocht. De bewoners kijken ook uit op de binnenplaats, maar de ramen van de benedenverdieping zijn altijd met zware zwarte gordijnen voor onze nieuwsgierige ogen afgesloten. Oma heeft deze afscheiding nog eens bekrachtigd door van haar kant de benedenramen met een donker behangpapier af te plakken. Het licht van de bovenramen is haar genoeg. Maatregelen die een gewelddadige nabuurrelatie doen vermoeden. Ooit, misschien wel in een ver verleden.

Geen behoefte aan pottenkijkers, spreekt ze ferm als ze onze verbaasde blikken opmerkt bij een eerste rondwandeling. Die behoefte is duidelijk wederzijds. Tussen de bewoners van de voor- en de achterhuizen gaapt ook een groot standsverschil. Tussen de mensen die op Zondag in de Sint Jans kathedraal de eerste rij banken bezet houden en het kerkvolk dat staande achter in de kerk onder het koor een plaatsje zoekt. Zij horen het Gregoriaans vrijwel niet, zij horen ook de priester op de preekstoel niet. Geluidsinstallaties zijn er nog niet. De voorganger richt zijn boodschap dan ook altijd tot de rijen der welgestelden.

Er zijn langs de Dieze veel achterhuizen met bewoners die als lastige pottenkijkers worden beschouwd, zo blijkt bij verdere verkenning van de omgeving. Een tochtje over de Dieze per boot, een vast onderdeel van elk familiebezoek, brengt geen nuancering in deze waarneming. Een flink aantal bewoners van de Bossche binnenstad lijkt teruggetrokken in het duister te leven. Maar ja, in een groot deel van het voorhuis van mijn oma heerst ook altijd de schemer, dus schril zijn de tegenstellingen niet te noemen.

Ter linkerzijde van de voordeur zijn twee hoge vensters, samen ter breedte van éen vertrek. Het eerste vertrek, het enige waarin daglicht via de vitrages vrij spel heeft, is het unieke domein van mijn grootmoeder. Deze salon, het woord word op zijn Frans uitgesproken,  wordt door Oma ook als eerste aan ons voorgesteld, haar trots en haar leven. Mijn opa en mijn vader hebben zich al spoorslags door een lange gang voor een rokertje naar achteren begeven.

In de Salon wordt een hele wand ingenomen door hoge vitrinekasten met, achter geslepen en gedecoreerde glas, rijen van flonkerend kristallen flacons in alle grootten en vormen. Aan de andere zijde staan open kasten gevuld met tientallen bontmantels. In de hoek houdt zich, zoals mijn oma het noemt, een mannekin op, die er in onze ogen wel erg vrouwelijk uitziet. Bij de ramen een zitje met vier kleine damesfauteuils, aan het plafond twee barokke kroonluchters. Het is een doorluchtig maar geheimnisvol vertrek.

Het boudoir noemt mijn grootvader dit, een benaming waarmee hij onderstreept dat hij zich daar, zoals hij ons manmoedig laat weten, nooit zal vertonen. Entrée interdite. Hij kijkt er opgewekt bij. Hij lijkt mij ook niet de man die zich snel over zoiets zal opwinden.

De salon is het begin van een kamerreeks in lintbebouwing. Ter linkerzijde volgden nog drie kamers, die hun daglicht ontvangen van een bovenlicht van de deur, naar de al maar duister wordende gang. Aan de rechterzijde is er alleen de uitgestrektheid van een bleekgelige muur, onderbroken door een cordon van ingekleurde Engelse prenten. Buitentaferelen van gepoederde dames en heren, in in een vergulde barokke lijst.

Mijn ouders krijgen de eerste kamer toegewezen. Mijn broers de tweede. Waar de derde voor dient blijft onduidelijk. Misschien word ik te jong bevonden voor een verblijf in een van deze spelonken. Waarschijnlijk is het de niet in gebruik genomen slaapkamer van mijn grootouders. In de grote achterkamer krijg ik een kermisbed toebedeeld, de uitklapbare rookstoel van mijn opa. Een walm van de zware Braziliaanse La Paz sigaren blijf dag en nacht hangen. Verslavend, ook voor mij, veertig jaar lang.  Achter een piano forte waarop mijn oma speelt, is een vierdelig kamerscherm. Daar staat de sponde van mijn grootouders. Er brand een eeuwigdurend houtvuur in de openhaard. Het wordt mijn taak om nieuwe houtblokken aan te slepen. Hier is geen extra kachel nodig, verklaart Oma. Het verwijst naar de donkere ongebruikte slaapkamer. Daar is wel een open haard, maar sinds mensenheugenis niet meer in gebruik. Zuinigheid, dat spreekt mijn moeder wel aan.

Het wordt snel duidelijk dat de resolute Oma Köpke hier de lakens uitdeelde, en dat mijn Opa zich daarbij wel bevindt. Zijn bijdrage aan het gesprek beperkt zich meestal tot ironiserend commentaar, waardoor niemand veel vat op hem krijgt. Zeker Oma niet. Voorzien van deze stevige teflon laag valt er waarschijnlijk goed met haar te leven.

Op mijn opmerking dat het hier in huis wel erg donker is, zegt Opa: Oh, we kunnen altijd een schemerlampje aansteken, en vervolgt met: Gertrud is mijn lichtpuntje in huis. Het is waarschijnlijk een van zijn vele bon mots, maar ook Gertrud lijkt er nog niet door verveeld geraakt.

Gertrud is de dochter van een Pruisische majoor, wat, zo kort na de oorlog, vragen oproept. Maar haar vader en grootvader zijn ooit gevlucht. En worden welkom geheten Den Haag. Zij  worden officier geweest bij de artillerie in het Nederlandse leger, onmiddellijk in de rang van Majoor. Want een artillerie van enige betekenis die hebben wij nog niet. Zij hebben de Nederlandse zaak gediend en hun bataljons zware artillerie ook onbevangen ingezet in de strijd tegen de Duitsers. In 1939. Het zware geschut nagelt hen vast aan een plek. De Duitse mobiele colonnes rijden er met een klein boogje omheen.

Sinds de Zilvervloot van Willem van Oranje is er altijd al een groot contingent Pruisische officieren geweest die de weg naar het Nederlandse leger heeft weten te vinden. In Den Haag en omgeving, waar de vader van Gertrud een functie heeft op het Ministerie van Oorlog, heeft zich een hechte Duitse kolonie gevormd. Haar vader organiseert een maal per jaar een klassieke jachtpartij te paard van internationale allure, waaraan ook leden van het hof deelnemen. Ons is dat alles destijds onbekend.  Al wie in 1945 iets Duitser had liep het risico publiek geschoren te worden en deed er beter aan zich zo stil mogelijk te houden.

Pas tegen de tijd waarin mijn vader, op leeftijd geraakt, na het eten een port begint te schenken waarop ook de naam Köpke voorkomt, treedt de familie van mijn Oma uit de schemer en kunnen wat meer details verstrekt worden.

Een foto van 1939 toont de majoor Köpke met een grote kennel van jachthonden. Op de foto die ik mij ooit heb toegeëigend zie ik een glimmend gelaarsde man met een stijve tot aan de kuiten reikende officiersjas, omgeven door een onrustige roedel. Wat terzijde op de achtergrond staat een bedeesd ogende, eveneens stijf gejaste stalknecht.

Soms geeft mijn vader uiting aan het scabreuze vermoeden, niet dan nadat had hij al enkele glaasjes port tot zich had genomen, dat een groot deel van de Nederlandse artillerie geleid werd door Pruisische officieren, en dat dit misschien toch ook ertoe bijdroeg dat al drie dagen na de Duitse inval tot overgave werd besloten. Ik begrijp het als een uiting van trouw aan zijn eigen moeder, wier plaats door Gertrud was ingenomen.

Oma Gertrud is de tweede vrouw van mijn grootvader. Zijn eerste, Adriana van Mil staat, althans wat lengte en omvang betreft, in sterk contrast tot de reuzin Gertrud. Zij overlijdt in 1938, en in 1939 is mijn grootvader, zeer tot ergernis van zijn zoon Jos, mijn vader, al weer hertrouwd, of in elk geval bij hem ingetrokken. Verleid noemt hij het, waar hij weinig geloof hecht aan de mogelijkheid van een liefde op het eerste gezicht.

Maar zoiets als verleid worden kan ik mij bij deze in mijn ogen zeer charmante dame, als achtjarige toch heel wel voorstellen. Zij torent hoog boven ons uit, hult zich in zijden, geplisseerde jurken die tot haar enkels reiken, heeft een gulle lach en een opgewekt humeur. Maar vooral ook, een ongekend diep decolleté, waarin zich een omvangrijke blanke boezem aandient.

Als wij aankomen of weggaan , ook al was het maar voor een middagwandeling door de stad, tilt zij mij omhoog en drukt mijn neus in haar rijke boezem. Het doet naar adem happen, de geuren van haar talloze parfums die opstijgen brengen mij in verwarring naast op zijn minst ook in verlegenheid. Mijn vader ziet het misprijzend aan en blijft op veilige afstand. Hem is zo’n ontboezeming nooit ten deel gevallen. Eigen schuld.

De pikante knuffels zijn voor mij ruimschoots voldoende om schaamteloos haar partij te kiezen. Ze is best lief, breng ik naar voren.

Ja, ja, zegt mijn vader, ze heeft haar zaakjes goed voor elkaar. Ook mijn moeder lijkt die mening toegedaan. Adriana was een hele lieve vrouw.

Uit: Op de Groei

Bilbao, El Arenal, september 2012

2 reacties op ‘De Salon

  1. Ik had een bon mot voorhanden, iets over motards die je achterop komen en dan wijzen naar de dichts bijzijnde parkeerplaats. Te hard gereden? Door het stoplicht? Maar ja, ik schrijf wel vaker dingen die niet op de juiste plaats terecht komen.

    Like

  2. Ad , ik ben weer zeer onder de indruk van jouw mooie taalgebruik.
    Je had misschien niet socioloog, maar schrijver moeten worden !!
    Enfin, zoals de Fransen zeggen :
    ” Mieux vaut tard que jamais ! ”
    ( Mijn variant : ” Vieux motard que jamais “).

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.