De Tollins-steen van Gent

De Graslei en het tolhuus, Tollinssteen van Gent

De Gouden Eeuw van Gent

De Franse tekst vermeldt het monument op deze foto als La Maison de L’Etape, gelegen aan de Quai aux Herbes, maar het gaat dus om ‘het Spijker‘, het Corenstapelhuus aan de wonderschone Graslei, Gent, de handelskaai op de rechteroever van de Leie, die zoals alles in deze contreien, uitkomt op de Schelde. Hartje stad, in de nabijheid van de Sint-Baafskathedraal en het Gravensteen, waar de burggraven van Gent hun domicilie hadden.

De imposante kaai herinnert ons eraan dat de Gouden Eeuw in Gent en Brugge enkele eeuwen eerder zijn beslag kreeg dan in Amsterdam.

Egidius waer bestu bleven?

Zo’n twintig jaar geleden drink ik hier mijn cappuccino’s, vaak al in de avondschemering, of in het schelle floodlight dat op de gevels wordt losgelaten. Twee straten verder heb ik een kamertje gehuurd. Mijn dagen breng ik door in de Stadsarchieven van Gent. Toen nog niet gewend aan het ontvangen van bezoekers. Er zijn eindeloze kaartenbakken, maar waar moet ik beginnen? En Ordners, maar welke ladders ga ik beklimmen? In de archieven van ‘s-Hertogenbosch heb ik een verwijzing gevonden naar een Colinc in 1202, die een vredesverdrag tussen de hertog van Brabant en de graaf van Gelre mede ondertekent, éen van de vijftien of zestien ondertekenaars aan Brabantse zijde. Die van Gelder zijn verslagen, en die van Brabant eisen veel van de gelderse bezittingen op. De hertog heeft Brabantse, zo nodig Vlaamse mannen nodig om de nieuwe aanwinsten veilig te stellen. Als de eerste slag is geleverd, is het zaak de Brabantse bunders tot ontwikkeling te brengen. In Rijks-Vlaanderen lopen niet alleen de steden ver voorop in hun ontwikkeling, ook bij de landontginning, de grootschalige inpolderingen, de omzetting van wouden, bossen en woestinen in vruchtbare landbouwpercelen is een technologisch voorsprong bereikt, die allen door terzake deskundige immigranten, doorgewinterde kolonisten, poldermeesters en houtvesters, vorsters, kan worden , zin zijn meer dan welkom.

De Colinc die het vredesverdrag mede ondertekent blijkt en Tolinc te zijn. Hij blijft achter – of misschien is het zijn oudste zoon die hij terugstuurt – niet als ridder maar als korenkoopman. En in zijn voetspoor volgen nog wat verwanten uit Gent en Aalst. De Novo Oppidum de Busco Ducis wordt voor een belangrijk deel een stad van vreemdelingen.

Harnasmaker

Zoals de Tolinc uit Gent die in ‘s-Hertogenbosch een fabricus begint, een grote harnasmakerij, Het Verguld Harnas, aan de Dommel, met een watermolen die de walsen aandrijft voor het plaatwerk waar het harnas uit gevormd en gesmeed gaat worden. De eerste oprechte Metaalfabriek van de Meijerij. Het gilde van de Harnasmakers blijkt zo’n 25 leden te tellen. Zij zullen niet allen in dezelfde werkplaats hun emplooi hebben gevonden. Maar de vier of vijf andere watermolens die ik in en rond Den Bosch kan terugvinden blijken al een andere bestemming te hebben. Over de 25 harnasmakers is geen twijfel. Zij zijn allen lid van de Lieve Vrouwe Broederschap, bij hun intrede – op of nabij hun 30e levensjaar – worden zij als meester harnasmaker ingeschreven en betalen hun intredegeld. En bij hun overlijden betaalt de weduwe, die ook lid is geworden, zijn doot-schuld. Dat dient niet om een Heilige Mis op te dragen voor de overledene, dat moet apart verrekend worden, maar om het selecte gezelschap van de Gezworen Broeders van een goed voorziene dis te voorzien.

Voor de 25 harnasmakers, als gewone leden, tellen andere zaken. Of liever, tellen de zaken. Maarten van Rossum is nog niet geboren, zijn Deense huursoldaten, ouderwetse Vikingen, zullen hem ooit op het schild hijsen. Maar dat die van Gelder al snel terug zullen komen om hun verliezen ongedaan te maken, hun wonden te likken en hun eer te redden, dat staat vast. Voor een corps geschoolde harnasmakers ligt er een prachtige markt open.

En zo vindt de Gouden Eeuw van Gent zijn bescheiden voortzetting in het technologisch hoogstaande handwerk uit Het Verguld Harnas, aan het uiteinde van de Markt van ‘s-Hertogenbosch. In de stad hebben zich een al een kleine twintig armigers gevestigd. Uit die groep kan zelfs een opdracht voor een verguld harnas voortkomen.

Maar voor de bulk is er meer te verwachten van de Bossche ambachtsgilden. De stad stelt zijn poorten alleen open voor de kooplieden en ambachten. Zij worden vrije burgers, maar wel burgers met enkele indringende maatschappelijke verplichtingen. Het lidmaatschap van een ambachtsgilde is verplicht. Er zijn in de stad een twaalftal gilden, met bij elkaar enkele honderden meesters en gezellen. Zij kunnen worden opgeroepen voor de verdediging van de stad, voor hulp aan andere Brabantse steden, of voor ondersteuning van ambitieuze hertogelijke expedities elders aan de buitengrenzen van Brabant. In dat geval moeten zij zich melden, in volle wapenrusting, en te paard.

Derwaarts gaan is stroomopwaarts

De Colinc die een Tolinc bleek te zijn is een belangrijke verbindingsschakel. Als ik eenmaal zijn migranten-status heb vastgesteld blijkt dat hij deel uitmaakt van een stroom van migranten uit de zuidelijke steden en agglomeraties, uit het gebied waar de grenzen tussen Brabant en Vlaanderen poreus zijn. Het Noordelijk deel van Vlaanderen, inclusief het deel dat wat later Zeeuws-Vlaanderen gaat heten, kent een eigen staatsrechtelijke positie. Het is een Rijks-Vlaanderen, zoals Brabant zelf formeel onderhorig aan de Duitse Keizer in Keulen, en in de buitengebieden van het omvangrijke Roomse Keizerrijk. Gent, Aalst, Dendermonde, het Land van Waas, de Vier Ambachten, Hulst. In die contreien begint de stroom van emigranten die zich in ‘s-Hertogenbosch meldt om een nieuw bestaan op te bouwen. Daar moet ik de oudere generaties proberen te vinden.

graafschap Vlaanderen met de vier kwartieren

In de Bossche Protocollen waarin iets uit de ontstaansperiode van de stad zichtaar kan worden gemaakt tref ik meerdere families aan die doen vermoeden dat we hier met Vlaamse advena, incommelinghe van doen hebben. Anders dan op het platteland, waar de feodale rechtsopvattingen nog opgeld doen, is onder het stadsprivilege het eigendomsrecht, het erfrecht en het huwelijksrecht privaatrechtelijk geregeld.  Wie poorter wordt van Den Bosch gaat doet dat om er te blijven, om er zijn kinderen en kindskinderen te zien opgroeien.

Zo komen we er bijvoorbeeld de familie van Overbeke tegen die – zoals de Tolincx – een wapen voert met drie merletten en zich tegelijkertijd aanmeldt als poorter van ‘s-Hertogenbosch. Zij wonen vlak bij elkaar, komen beiden in de schepenbank terecht, kopen aangrenzende percelen land in het nabijgelegen Berlicum en Haren, verbinden zich door huwelijk met deels dezelfde families, en bewonen tenslotte opnieuw als buren het domein van het omgrachte hof en zaalhuis Seldensathe in Middelrode.

Tenslotte blijkt er sprake van een sterke genetische verwantschap. Ergens in het Gentse bevindt zich een gemeenschappelijke voorvader. Overbeke is een kleine heerlijkheid tussen de Leie en de Schelde, die in 1090 door de graaf van Vlaanderen aan de burggraven, tevens heren van Aalst in leen is gegeven.

Op dat moment is een Theoderic ofwel Diederick Tollinc, zoon van de kruisvaarder Zeger van Gent in het bezit gesteld van het burggraafschap van Aalst, waartoe ook het omringende Land van Aalst behoort. De begiftiging is ongetwijfeld een beloning voor zijn optreden in de veldslag tussen Hertog Hendrik van Brabant (de stichter van ‘s-Hertogenbosch), en Graaf Otto van Gelre, die in een zware nederlaag voor de graaf eindigde. En, het gaat tenslotte om Vlaanderen en niet om Brabant, een vasthoud-premie aan iemand die de graaf niet graag ziet vertrekken.

Het vredesverdrag tussen Brabant en Gelre wordt in 1203 in Leuven getekend. Theoderic wordt er als ridder Diederick Tolinc in genoemd, en zijn aanwezigheid is door een wat beschadigd uithangend zegel bevestigd. Hij zal, zoals gebruikelijk, op het slagveld juist voor de aanvang van de strijd – het is allemaal wat bloedig maar toch heel netjes – door de Hertog tot ridder zijn geslagen. Het is ook zeker dat hij tenminste een veertigtal van zijn esquires, maar waarschijnlijk meer, afkomstig uit het Land van Waas achter zich geschaard heeft. Daaronder moet zich een heer van Overbeke hebben bevonden.

Op de terugweg heeft dit strijdlustig gezelschap ‘s-Hertogenbosch aangedaan, in een van de grote herbergen op de markt gelogeerd, en zich tegoed gedaan aan de tonnen bier die door de stadsregering werden aangeboden. Ook die tonnen zijn nog in de archieven van de rentmeesters te traceren.

De route van het slagveld naar de stad, maar nu spreek ik uitsluitend mijn voorstellingsvermogen aan, moet via Middelrode gelopen hebben, door Het Gewat, de enige doorwaadbare plek over het riviertje de Aa in de wijde omgeving – en dus langs het Steen van Seldensathe, in 1203 niet meer dan een eenvoudige, omgrachte leenhoeve. Aan beide plekken schijnen zij goede herinneringen en mooie verhalen aan overgehouden te hebben, want hun zonen keren er later terug.

Wapen van Overbeke (Vlaanderen) @@@

wapen van Overbeke

Zoek en het zal U gegeven worden

Bij de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag laat ik mijn vermoeden dat Colinc een Tolinc is door handschriftgeleerden bevestigen. Een eerste hoopvolle verwachting wordt waargemaakt. Ja, daar staat gewoon Tolinc, ziet U die kleine zwier half naar boven, dat maakt het een echte T. Ik zie het. Welzeker zie ik het. En dat brengt mij naar Gent. Want over deze Tolinc en zijn familie, daarover zal ik alleen in Gent meer te weten kunnen komen. Maar na een week in Gent geef ik die zoektocht op. Ik kom allerlei andere wetenswaardigheden tegen, en sommige daarvan heb ik nog steeds niet uitgewerkt. Googelen brengt jaren later mijn Tolinc weer in beeld. En vorig jaar begin ik te begrijpen waarom sommige leden van een clan waaruit burggraven en kasteleins van Gent ontsproten, zich plotseling Tollinc of Tollins/Tollin gaan noemen. En nog meer wordt het mij duidelijk hoe ik, op dat terras van het corencopershuus in Gent, tegen de gevel van die grijze mastodont aanleunend, een zoekende ben geweest, terwijl ik er al die tijd kind aan huis was.

Yseren Leenen

De Spiker, het coerenstapelhuus, cq het tolhuus van den coerne, het steenen huus metten yseren leenen (met de ijzeren leunen / de balustrade op de 1e etage). Die leenen, daar is nu weinig meer van over.

Op de foto is te zien dit het grijze, brute Corenstapelhuus aanzienlijk ouder is dan de omringende gebouwen. Het wordt – zo laat archeologisch en dendrologisch onderzoek zien – rond 1150 gebouwd, is daarmee een van de oudste monumenten van Gent. In een romaanse stijl, die voor het overige voorbehouden is aan oude kloosters en kapellen. In grote moppen van Doornikse kalksteen, zoals die ook voor de Sint Baafskathedraal zijn gebruikt die op de achtergond te zien is. Het is goed mogelijk dat diezelfde groep bouwmeesters in deze civiele opdracht van het corencoepersgilde de hand hebben gehad.

Gent, Ghendt, de stad

Graenders alom

De erfelijk burggraaf van Gent verwierf in ruil voor wat krijgshaftigheden ten dienste van zijn ambitieuze leenheer, het privilege waarbij een fors deel van het graan – een kwart – dat in de stad gelost werd door de binnenkomende schepen kon worden ingehouden, een stapelbelasting. Een stapel ook, omdat ál het graan een week tot veertien dagen op de zolders moest worden vastgehouden. Het korenstapelhuis telde vijf enorme, boven elkaar gelegen graenders ofwel graanzolders, en in het achterhuis nog eens eenzelfde aantal. De muren zijn een meter dik, maar de balklagen al even kolossaal. Zo nodig kunnen in de directe omgeving nog zo’n 150 andere stapelhuizen worden afgehuurd.

De kraankinderen maken lange dagen in de tredmolen waarmee de tonnen graan worden gelost en tot hoog in de graenders worden gehesen.

Kraankinderen 1470 Brugge

Ook de graaf van Vlaanderen pikt als leenheer een graantje mee. Rechtstreeks, via een aandeel in de tol, maar zeker ook indirect, door de sterk stijgende welvaart van de stad, waarover weer belastingen konden worden geheven.

Bij de profijt verkregen via de economische groei van steden verbleken de opbrengsten van de kleine landadel uit de inning van feodale pachten en renten. Het politieke gewicht van de kleine landadel verschrompelde. De meest onverschrokken edelen probeerden overeind te blijven door hun verzameling heerlijkheden uit te breiden ten koste van hun buren. De verliezers trokken naar de stad, om als schout, schepen of koopman een nieuwe toekomst op te bouwen. We vinden ze ook terug onder de corencopers.

Gent, Ghendt, de stad

Een vorstelijk graafschap

Ook de opkomende new towns raken in een onderlinge concurrentiestrijd verwikkeld. Gent weet hier zijn economische voorsprong om te zetten in een door de graaf bevestigd monopolie: het stapelrecht over alle invoer van graan in geheel Vlaanderen. De graaf ziet zijn ambities tot een sterk centraal gezag onderschreven. De stad Gent ontwikkelt zich tot het grootste handelscentrum van Europa. De Franse koning en de Duitse keizer strijden verbeten om de eer, een van hun dochters aan het Vlaamse hof te verknopen. Staatsrechtelijk is de Graaf in zijn autonomie en bevoegdheden een gelijke, zijn formeel bescheidener titel doet daar niets aan af.

Om de stad Gent – de enige macht die aan dit bijzondere Graafschap zou kunnen tornen – in toom te houden wordt pal in het centrum het indrukwekkende Gravensteen als grafelijk paleis geplant. In zijn uiterlijk heeft het niets van een paleis. In alle opzichten gebouwd als een dwangburcht, onneembaar, ongrijpbaar. Daar hoeft geen ferme taal meer aan toegevoegd te worden.

Gent, Ghendt, de stad

Een symbiose van staat en markt

Aan de overkant van het water, in de driehoek van Gras- op Korenlei, met de royale kade als basis en de daarachter liggende Korenmarkt waar de kooplieden Tollincx hun verblijf hielden, vormt zich het tegenwicht voor de gecentraliseerde politieke macht. Hier zijn we in het commerciële centrum van de graanhandel in Vlaanderen en Brabant, verbonden met de handelswereld van Europa, van Genua tot Riga. De twee grootheden zijn geen tegenpolen. Ze roepen elkaar op in een symbiotische verbondenheid.

Graanmeters van het gilde controleren maten, gewichten en kwaliteiten van de aangeboden handelswaar. De bronzen vaten waarin steekproefsgewijs de inhoud van houten tonnen wordt overgegoten dragen het merkteken van het stadsbestuur. Bij fraude is er een grafelijke wetgeving en een grafelijke schout die de handelaar in de ijzers slaat. de graanmeters vormen een eigen gilde, dat geen deel uitmaakt van het kooplieden-gilde van corencopers. We spreken over 1250-1350, en toch in beginsel over een systeem van scheiding van machten.

de Spijker in scheerlicht

Een spijker als bankkluis

Voor de opslag van de indrukwekkende tolopbrengst in graan is een steen van vijf verdiepingen beslist geen overbodige luxe. Tot een kwart van het graan wordt ook weer in het Spijker zelf ter verkoop aangeboden. De overige driekwart is bestemd voor de ‘vrije’ wekelijkse verkoop op de Korenmarkt. Daar dragen de reders en schippers hun handel aan locale en regionale groothandelaren tegen wisselbrieven die bij terugkeer ter beurze worden gebracht. Ook op de Korenmarkt verandert het koren nog maar ten dele van ruilmiddel in voedingsgrondstof. Op de markt in Gent overheerst de groothandel. En hoe dan ook, graan is en blijft een ruilmiddel, couranter dan klinkende munt. Pachten, cijnzen en talrijke heffingen – zowel in het feodale stelsel als in de locale stedelijke economie, worden in graan verevend. Kinderen leren rekenen in schepels graan. Ook welvarende burgers stapelen tonnen graan op zolder.

Het Corenstapelhuus is in feite een enorme bankkluis waar een groot deel het regionale handelskapitaal zich opstapelt. De dikke muren en getraliede ramen zijn er ook daarom niet voor niets. Een spijker heeft permanente bewaking nodig. Zoals later de Beurs aan de Dam van Amsterdam. Waar de feodale landadel nog voor zijn eigen grachten en ophaalbruggen moet zorgen, is in de stad de bewaking een zorg van het stadsbestuur.

Ook de tolheffing kan beschouwd worden als een instrument van overheidsinterventie. Via de tolheffing blijft de prijsvorming, de markt- en koersontwikkeling, transparant en inzichtelijk . Zonodig kan bijgestuurd worden. Marktinterventie dus. In geval van schaarste, en overvloed, gebeurde dat dan ook zonder aarzelen.

Engelse graankooplieden zijn in Gent als inkopers van graan de meest frequente en geziene bezoekers. Uit Artesië, de Noord-Franse graanschuren komen de meeste aanbieders. Rond 1200-1250 is er al een bloeiende internationale handel.

Gent, Ghendt, de stad

Rudiment van een sociale interventie-staat

De Korentol wordt – welhaast onvermijdelijk – door de graaf van Vlaanderen beleend aan een telg uit de dynastie van de Gentse burggraven, en tegen een vast bedrag in erfpacht vergeven. In erfpacht, want de risico’s zijn groot. De burggraven, ooit grafelijke ministerialen, bezitten in de stad – aan het water – hun eigen burcht. De maagschap, dat is, de clan van grootouders, ouders, de tolhouder, en de volwassen kinderen, zowel van vaders als moederszijde staan – naar oud-Frankisch recht – garant bij een eventueel faillissement van de tolhouder. De Tollinc dient – binnen het kader van dit familiale vangnet – voor eigen rekening en risico het tolhuus van den coerne te exploiteren. In tijden van overvloed, en in tijden van schaarste. Lombarden, Italiaanse geldwisselaars verstrekken indien nodig een lening waarmee in eerste instantie een tij kan worden gekeerd. Maar een 25% opslag is in die kring ook al heel normaal.

Jan van Mirabello +1339 zegel

Zegel van Lombard de Mirabello

Maar niet allen het kapitaalbelang wordt bewaakt. Een kwart, alweer een kwart, van van de graanstapel – zo heeft de stadsregering het bepaald – is ten allen tijde bestemd voor verkoop aan de stadsbevolking tegen een vaste lage prijs, om deze in tijden van schaarste en hongersnood te ondersteunen.

Efficiënt en profijtelijk zaken doen vereist van de tolhouders, i.c. de Tollinc’s veel inside kennis en ervaring. Zonen worden daarom na voltooing van de Latijnse school als leerling corencoeper enkele jaren ter hand van vakgenoten in andere steden gesteld. Bij de keuze van een echtgenote heeft de dochter van een corencoeper de sterke voorkeur.

De meeste Tollin’s (in het Frans), of – in het Vlaams – Tolinc’s komen zo voorgoed terecht in de kringen van het korenkopersgilde. Zij blijven desondanks – naar het beroep van hun oudste broer – de Tollincxs genoemd.

Naar Den Bosch toe

Enkelen van deze Tollincs verdwalen in Engeland, waar zij in de leer zijn gegaan, in Dantzig of Riga; anderen vinden, in het gevolg van Hertog Hendrik de Ie van Brabant en de mannen van de Graaf van Vlaanderen, na de strijd tegen de Geldersen, waarbij de grenzen van Brabant opnieuw worden getrokken, hun weg naar de Newtown ‘s-Hertogenbosch.

A 's-Hertogenbosch begin 13e eeuw

In de literatuur vond ik nog wat oudere berichten over de Tollinssteen van Gent bij Diericx, II, p255; Schaeyes, II, p 162-3; Fr de Potter, II 477-498; Varenbergh (specifiek over de Spijker, 1849, p232; Em. Varenbergh, 1874, pp 182, 276 e a; Varenbergh, 1872, p 1-10; en 1896, 60-70. Daarover elders meer.