Een Jonger Stierenbloed

Aleschinsky, Astre et Desastre 1919
Aleschinsky, Astre et Desastre 1919

◊◊◊

Het zijn feestdagen, er wordt zorg besteed aan zorgvuldig gerijpt vlees, eendenborsten, of klassiek – een handgemaakte runderrollade. Vrienden die ik zoals hen toekomt op een overjarige gans ga trakteren blijven toch nog een paar weken langer in Berlijn hangen. Het geeft mij vrij spel voor een maal van verse zuurkool uit het vat, met rookworst. Rookworst blijkt elk jaar verder te degenereren. We moeten het nu stellen met een broodmager, scheel, zouteloos, tot gruis vermalen vleesproduct.

◊◊◊

Een diep verlangen komt op naar die oorlogswinter van 1944 op een boerderij in Saasveld, een uitgekleed varken op de ladder gespalkt, de darmen zorgvuldig uitgeknepen in een melkemmer. In afwachting van een rijke vulling van malse vlees- en orgaanresten.

◊◊◊

In de wereld van de kookboeken ben ik sterk achteropgeraakt. Er staan er nog een stuk op vijf in mijn boekenkast, de nieuwste aanwinst dateert van 2009. Maar het herinnert mij aan Ma, die had een enkel losbandig, vergeeld kookboek van de huishoudschool waarin ook alles over het wecken en dekken was opgenomen. Zodra het boek uit elkaar viel fantaseerde ze er zelf lustig op los met toetjes van een rol beschuit, flessen vanillevla en yoghurt. En in de zomer met aalbessen en aardbeien.

En nu – haar schuld –  kan niet meer geïmponeerd raken van de bord-versierders die nu voor chefs willen doorgaan.

◊◊◊

In de keten van eenvoudige feestelijkheden rond het jaareinde is een uitje opgenomen. Met mijn oudste zoon ga ik een dagje treinen, 1e klas, maar wel gratis, wat dacht je wat, naar ’s-Hertogenbosch. Het is voor ons beiden een zwaar jaar geweest, voor hem een levensbedreigend jaar. Het dagje uit is een probeersel, een soort eindejaars-toets.  Hoe staat ons wankele lijf ervoor in de wentelgang des levens? Het uitje is een paar maal afgeblazen, nu zal de waarheid aan het licht komen.

◊◊◊

We verkeren liefdevol met elkaar. Tijd is breekbaar en van waarde. In de trein is geen koffie, wel een buiten dienst getreden toilet.  Maar om de bocht wacht ‘s-Hertogenbosch en het oogt ons vriendelijk toe. We dreutelen van het station naar de Grote Markt.

Mijn in de loop der jaren vergaarde kennis van de stadsgeschiedenis kan waar nodig aangewend worden voor verder opgevoerde traagheid. Elke straathoek is aanleiding een korte onderbreking met een verhaaltje. Wandelen op zijn hondjes. Maar nu ook een confrontatie met mijn slijtend geheugen.

◊◊◊

Op de volgende hoek is een Kleine Konditorei, mijn zoon rent naar het toilet, exclusieve doppio cappuccino’s geven mij aanleiding tot het neuriën van Unter der Lanterne steht Lili Marleen. Wat maakt mij zo Deutsch-ig vandaag? Wat is hier die Kaserne? Is de oorlog voorbij? De melodie hangt uren welgemoed in mijn voorhoofd.

◊◊◊

Na een traditie getrouwe halte bij boekhandel Heinen vinden we de weg naar het Noord-Brabants Museum annex Stadsmuseum. Het blijkt omgetoverd te zijn in een chaotische verzameling opgedirkte winkeletalages. Zelfs de routekaart is ten prooi gevallen aan grafische overvallers.

◊◊◊

Maar de grote houten maquette van de oude stad biedt transparantie en de mogelijkheid om een weg terug te vinden naar het verleden. Want daar staat het geboortehuis van Opa. En daar de La Paz Sigarenfabriek waarvan hij bedrijfsleider-directeur was. En daar is het Vughtereind met de Fabriek van Rijtuigen en Carrosseries-Automobiles Fa. C.A. Teulings. En daar ook het huis van Opa en Oma aan de Hinthamerstraat. Het is helder. We hoeven deze route niet meer te voet af te leggen.

◊◊◊

We beginnen ons toch de Emmaus-gangers te voelen die we niet wilden zijn. De duistere bisschoppelijke Kathedraal van Sint-Jan de Evangelist wacht ons op, en in de kapel terzijde, de Illustre Lieve Vrouwe. In mijn moment van Moderne Devotie in luister  te onderhouden met een paar kaarsjes. Maar de kapel blijkt geen bedevaartoord meet re zijn maar een nationale rampplek. De waskaarsjes zijn ingeruild voor up-to-date waxine-lichtjes.

◊◊◊

De zijmuren van de kapel hing ooit vol met zilveren plaatjes met ingegraveerde bedankjes aan Maria. Zij zijn nu door ijzeren tralies omgeven en volledig ontoegankelijk.  Het dankplaatje van onze overgrootvader is niet meer te bezien. Als het er nog hangt. Hij heeft als Pauselijk Zouaaf de twee veldslagen bij Rome tegen Garribaldi overleefd. En daarna nog twee rampzalige veldslagen als officier in het veteranenlegioen Zouaven dat in dienst van het Franse leger tegen de Pruisen optrok. Om met alle andere Franse bataljons volledig in de pan te worden gehakt.

◊◊◊

Er hangen in de Maria-kapel veel minder plaatjes dan in het verleden. Het zilver vond waarschijnlijk te veel aftrek. Maar de altijd oplettende Maagd ontgaat weinig en elke onrechtmatigheid zal zeker bij de allerhoogste ter sprake zijn gebracht.  Al valt mij dit keer op dat ze wat slaperige oogjes heeft gekregen.

◊◊◊

Er liggen een stuk of twaalf zwart granieten Teulings-grafstenen in het plaveisel van de kerk – onze rijke stinkers. Die zijn nu grotendeels versleten. Maar pal achter het hoofdaltaar, in het duister van de halfronde kooromgang, ligt het weinig betreden, allermooiste Teulings-graf, met mereltjes en al.

Als we daar aankomen is  precies op die plek het omvangrijke kerstgebeuren opgesteld. Stalletje, kribbetje, ezel en os – en talloze aangelegenheden. De bekende familie van Nazareth is plompverloren boven op mijn voorouders neergestreken. Respect! Nu ja, ik heb niets tegen een paar Palestijnse vluchtelingen, ondersteun een gecontroleerd vreemdelingenbeleid, en dus, het blijft Vrede op Aarde.

◊◊◊

Maar voor mijn zoon en mij is nu de grens van onze fysieke en geestelijke mogelijkheden nu ruimschoots overschreden.

◊◊◊

In de Hinhamerstraat, achter de Kathedraal, voor het Lieve Vrouwe Broederschapshuis verzamelen zich de Zwanenbroeders voor hun Kerstzwanen maaltijd. In het zicht van de Woning van Opa Jos en Oma Gertrud Köpke.  In gepaste stilte herdenken Jasper en ik Gross-Mutti Gertruds heerlijke gebraden katteboutjes, in en kort na de oorlog een kerstgift uit haar grote verzameling schattebouten. Maar vandaag geen katten- of zwanenboutjes meer.

◊◊◊

We treden toe tot het rustiek eethuisje annex biertap op de hoek, met uitzicht op het groene gazonnetje terzijde van de St Jan, daar waar bij een stevige plensbui the old bones na eeuwen van ondergronds vertoeven boven het gras komen drijven. Het wil vandaag niet regenen. Geen dag voor verrassende pop-ups. 

◊◊◊

De nieuwe eigenaren – al weer vijf jaar, laten ze weten, dus ik ben al meer dan vijf jaar niet meer in Den Bosch geweest – hebben als vanouds een extreem beschaafde menukaart. Tien varianten hamburgers. Maar dan van vers, grof gemalen, uitgerijpt Brabants rundvlees, met het nog jonge stierenbloed doordrenkt. Op een houtgrill geroosterd, formaat XXXL. Geserveerd met sla, venkel, meloentjes, en allerhande oogstrelende vruchten van het land.

◊◊◊

De wanden, hoe kan het anders, hangen tot aan het plafond vol met Maria-snuisterijen, versjacherde inboedelspullen van overleden Bossche Opa’s en Oma’s: wat moeten we daar nu mee? Dat cafe!

◊◊◊

Kortom, dood en verderf alom, en als de deur opengaat komt telkens een zoele mistral wind mee naar binnen. We weten een praatje te maken met onze marketentster, en zij bezwijkt, terecht, voor ons beider charmes, vergeet haar toch ook iets gevorderde leeftijd, zoals wij de onze, en blijft af en toe schuchter om onze tafel hangen. Wij zijn, op twee aan de tap hangende Bosschenaren, op dit uur de enige vleesetende bezoekers.

◊◊◊

En zo wordt ik, ongelovige Thomas, met eigen ogen getuige van het Wonder, want daar zit Jasper tegenover mij. Mijn oudste zoon. Hij eet, vreugdevol genietend, zijn XXXL helemaal op, met kleine beetjes. OK, de sla en het andere groenvoer is nog een brug te ver, maar ondertussen. Die Illustre Maagd heeft potdorie niet zitten slapen. En zij stoort zich allang niet meer aan waxinelichtjes.

◊◊◊

Hij is pas van maandenlang ruimtevoedsel uit een slangetje naar zijn maag overgestapt op enkele oude aardse geneugten. Soep, appelmoes. Maar nu, om met David Hockney te spreken: A Bigger Splash!

◊◊◊

Het is tijd om onze Bossche Bollen bij Jan de Groot af te halen, en tegen drieën zitten wij weer in de 1e klas coupé. In de verwachting aan onze tomeloze vermoeidheid ruimte te moeten geven. Maar de adrenaline van het jonge stierenbloed houdt  ons wakker, warm, spraakzaam en gelukkig. Tot onze wegen, ter hoogte van Schiphol, zich splitsen.

◊◊◊