Een Dame, in zwarte sluiers gekleed

Ets Burkhard Söll, gesluierde dood
Ets Burkhard Söll, Leiden, 2015 (detail)

◊◊◊

En dan doemt zij op, aan mijn bed,  de pijn, in de late uren van de nacht. Als een zwart gesluierde dame. Mijn vorige ontmoeting is nog niet zo lang geleden. Twee weken, drie? Een andere pijn, want voor getroffenen zijn er zijn soorten maten. Maar dezelfde gesluierde staat aan mijn zijde.

◊◊◊

 Nee, niet die lineaire pijn, van 1 tot 10, zoals op spreekuren door de arts als eerste vraag wordt voorgelegd: “Hoeveel pijn heeft U, op een schaal van 1 tot 10.” Ik ben geschoold als wetenschappelijk onderzoeker. Ik weiger mee te werken aan het voortbestaan van verkleuterde wetenschapsopvattingen. Mijn eer te na.

◊◊◊

Mijn pijnen zijn chronisch maar instabiel, wispelturig, beginnen gewelddadig of zachtmoedig, maar dat zegt niets over het verloop. Ik heb geen pijn maar wordt gepijnigd. Bovendien, ik kan er wat aan doen, maar wat nu helpt is misschien over een uur onwerkzaam. Om de filosoof Bachelard te gedenken: behalve zijn temps vécu is er ook een mijn douleur vécu. De pijnbeleving, niet de subjectieve, maar de reeële, empirische, individuele. Zet een paar metertjes op mijn hersenpan, en het wordt zichtbaar waar en met welke kracht mijn pijn toeslaat. Onregelmatiger dan mijn hartritmestoornissen. Geen enkele relatie tot het oordeel van de arts, geen enkele ook tot zijn schaal van 1 tot 10.

◊◊◊

Nog merkwaardiger, als ik de onderzoeksliteratuur van Harvard en Princeton er op nasla: De schaal van 1 tot 10 meet niet met de zucht naar overdrijving van de patiënte waarvoor zij is bedoeld, maar het inlevingsvermogen van de arts die de vraag stelt. Zijn sociabiliteit. Het stellen van de vraag zelf wordt door patiënten ervaren als het scheppen van afstandelijkheid. Dan ben je als arts in een keer van het gezeur af. Medische interesse voor de kwaliteit van leven vereist een meer directe wijze van bejegening. En kost meer tijd.

◊◊◊

Na het jaar waarin verschillende van mijn vergeten lichaamsdelen – is het slijtage?, is het verwaarlozing? – nadrukkelijk van hun bestaan laten weten. En ik realiseer mij dat voor de dame waarschijnlijk het jachtseizoen is geopend. De voortekenen zijn daar. Er komt een moment waarop zij haar zwarte sluiers zal oplichten. Mogelijk zijn de bezoeken vriendelijk bedoeld. Als milde voorbode van een ooit onvermijdelijk einde. Geen gif maar een gift. Een gebaar van respect voor het leven.

◊◊◊

Maar dat alles is van later zorg. Het leven is bij de dag. En de vraag is: hoe ga ik nu, met déze pijn om? Negeren, uitzitten, onder de wol kruipen met een spannend boek, de frisse winterlucht opsnuiven in een uitdagende wandeling?

Wandelen? Schuifelen. Kreunen bij het tuinhek van de buren.

Klagen? Mijn naasten belasten.

Er zijn alternatieven, maar veel maakt het niet uit. Het helpt niet, maar het leidt wat af. Het helpt een beetje.

◊◊◊

Dan doemen nog even de taferelen op van damesgezelschappen, die meest succesvolle Marktplaats van Nederland, waarin afwisselend elkaars kleinkinderen en elkaars lichaamsgebreken bij opbod worden geveild en afgeruild.  Maar vooreerst aan een briefing onderworpen. Een optie?

 ◊◊◊

Nee. Er zijn maatschappelijke omgangsvormen waarin ik mij nooit heb thuis gevoeld. Zoals deze. Misschien is het een angst voor magische cirkels en klopgeesten. Een tafel die bokkensprongen gaat maken als ik zou aanschuiven.

◊◊◊

Maar, een verstandige, trefzekere manier van omgaan met pijn is er niet, zeker niet als het een chronisch verschijnsel gaat worden. Je moet het nemen zoals het komt, hoor ik mijn oude moeder zeggen, en toen ging het over haar jaren van pijn. En ik denk dat zij, God hebbe haar ziel, het volste gelijk had. Of was het haar moeder? Zij was Nader tot God, sloeg haastig een kruisje als de hemel verduisterde en de bliksem ergens insloeg. Eiste wijwaterbakjes met palmtakken op elke verdieping van ons huis.

◊◊◊

Maar dan, en dat lijkt toch verstandig, is er nog de weg naar het medisch circuit. De medische discipline, die ooit begon met de magische handoplegging, en de medische wetenschap, die begon met de troebele piskijker. Maar de belangrijkste kracht van hun bestaan is, dat zij gezworenen zijn, pijndragers, zij hebben zich voor eeuwig verplichtend de pijnen die hen worden voorgelegd ook tot hun zorg te maken. Daardoor sta ik er niet meer alleen voor, ook voor mij geldt het overdrachtsrecht, de opluchting van een gedeelde verantwoordelijkheid.

◊◊◊

 Dokter, hier zijn mijn pijnen, ga Uw gang, misschien kunt U er iets mee. De relatie die wordt aangegaan is niet zonder kosten voor de aangever. Hij bekent zich tot patiënt. Het impliceert – op zijn simpelst gezegd – een scheiding van lichaam en geest, lijf en ziel; een vorm van zelf-fragmentatie.

◊◊◊

De arts weet zich geneesheer. Zoals een landheer zijn domein, neemt hij het lijf van zijn patiënt-vazal in rechtmatig eigendom. Tenminste het beheer van de pijnregio’s. Via de menslievende vraag: ‘Waar heeft U last van?’ wordt koele informatie vastgelegd.  Een nauwkeurige lokalisatie met lengte- en breedtegraden van de te bewerken pijnregio’s.

◊◊◊

Ik loop er al weken mee rond, zeurende lage rugpijnen die veranderen in scherpe zwaardsteken als ik een keukenkastje induik. Een – zo beleef ik het -scheurend heupgewricht, wat lager een gebarsten kniegewricht, daartussen versteende spierbundels die loodzwaar, bekneld, in staking zijn gegaan. In deze termen maak ik mijzelf duidelijk wat er aan de hand is.

◊◊◊

Maar nu ik ben bij de arts. En ik hoor mij zeggen:

“Het is vooral mijn linkerheup en mijn linkerknie. Bij mijn enkels houdt de pijn op. Met mijn rechterbeen: niets aan de hand. Ik kan niet zitten, niet lopen, niet liggen, niet slapen zonder die smerige pijnen”.

◊◊◊

Ai, foutje. Waar ik last van heb? “Onder in de rug?” – “Ja ook, vanaf hier”. “Niet in de enkel?” – “Nee, niets in de enkel”.

De topologie is compleet. Een conclusie snel getrokken. “Hernia, maar een atypische”. “Atypisch?” “Ja, die enkel, dat klopt niet. Maar toch een hernia – en we gaan die niet opereren. Daar wordt U niet beter van. Teveel risico’s. U zult het moeten uitzingen.”

◊◊◊

Hij heeft al acht ‘klantjes’ die het ook moeten uitzingen. De jongste is nu éen jaar in controle. De oudste vijf. “Wordt de pijn langzaam minder?” Soms, zo blijkt, geen garanties. Maar omgekeerd: Je kunt er oud mee worden.  Hij schrijft een briefje. “Opiaten”, laat hij weten, “over drie maanden terugkomen.” Opiaten! Dat klinkt goed.

◊◊◊

En vijf jaar respijt, misschien selectief, maar dat heb ik toch goed gehoord?  – het doet mij mijn pijn vergeten. Mijn dame in het zwart heeft het nakijken. Dan sta ik op, iets te snel, met het begin van een schreeuw, omgezet in een traan. ‘Excuus” zeg ik.

◊◊◊

“Sterkte!, hij kijkt op van zijn scherm en lacht me even toe: “Tot over drie maanden.” Hij spreekt mijn geest aan, dat is helend, en, wel, het voelt als een bemoediging.

◊◊◊