Stichters van de Broederschap. Heine van Molle 1293-1357

 

◊◊◊

Een fundatie

De oudste jaarrekening van de Broederschap, over 1329-1330 telt 39 posten van personen die uit eigen middelen een fundatie vestigen ten gunste van de Broederschap. Met een part uit een vast goed als zekerheid en onderpand verplicht de gever zich om  jaarlijks een vast bedrag aan de Broederschap uit te keren, de cijns. Blijft de gever in gebreke dan heeft de Broederschap het recht om beslag te leggen op het onderpand voor het part waarop de overeenkomst is aangegaan. In de overeenkomst wordt het bedrag van de cijns genoemd, en vaak ook op welke datum dit zal worden uitgekeerd. Een uitkering vindt soms in gedeelten, en dan meestal twee keer per jaar plaats.

◊◊◊

Fundaties door een collectief

Ik beschouw deze personen al de stichters c.q. fundators van de Broederschap. De snelgroeiende stad ‘s-Hertogenbosch kent in die tijd vele stichters, van gasthuizen, van tehuizen voor oude mannen- en vrouwen, van instellingen voor de armenzorg, zoals de Tafel van de H. Geest, voor geesteszieken en leprozen, en van studiebeurzen.

Meestal gaat het dan om de stichting  door éen persoon, zoals bijvoorbeeld Reinier van Arkel, de fundator van het gelijknamige Gasthuis voor geesteszieken, dat nu nog bestaat nadat het in 1442 werd opgericht. Het ook hier niet om forse bedragen, maar hoofdzakelijk om het pand dat door de stichter wordt ingebracht. Diverse personen uit zijn omgeving zorgen vervolgens voor de voorzieningen van onderhoud en blijvende zorg.

Des anderen daags na St. Cathalijn maagd 1442 besluiten Henrick van Arkel, de broeder van na te noemen Reinier van Arkel, Symon de Bever en Jan Eghenszoon in hunne hoedanigheid van uitvoerders van het testament van wijlen Reinier van Arkel, – die hun daarbij had bevolen „te funderen ende maecken een gasthuys binnen der stadt van den Bosch met zulcker ordonnantiën daerop te ordineren ende te declareren hoe men die armen daarin tot eenigen daegen houden zal – in tegenwoordigheid der eerbaer manspoirters ende gebuer des Hijnthamereynds der stadt voorschreven: mr. Jan Batensoen, Everit van Arkel, Melis van den Hovel, Jan Hels, Wouter van Gennep, Meeus van Meerlaer, Jacob Loyer, Aert Sterrick, Adam Gijsselen ende veel meer andere getuyge, daertoe geroepen ende gebeden.

Bepaald werd bij die stichting in den gersten, dat men in den gasthuys voorschreven ten ewigen daegen in zal moeten nemen alle poirters ofte poirteresse, kijnders der voorschreven stadt van den Bossch ofte van den blode des voorschreven wilneer Reyners testatoirs wezende, die zijnloes zijn ende hoirre zijnnen niet mechtich en zijn, die men van nootswegen spannen, bijnden ende sluyten moet; mer oft in den gasthuys voorschreven ennige cameren ledich waeren, dat men daer dan oock innemen mach andere zinloes menschen alsvoor in der Meyerye van den Bosch ende nergens anders, sy en weren van den blode des voorschreven wilneer Beyners.

Reyner van Arkel heeft behalve zijn goed ook zijn naam aan de stichting gegeven. Hij wil immers zeker stellen dat zijn nageslacht als eersten van deze instelling gebruik zullen maken. Waarom hij zoveel geesteszieken onder zijn nakomelingen verwacht is niet duidelijk.

◊◊◊

Aan de stichting van de Bossche Clerckenbroederschap is geen naam verbonden. Pas in de 15e eeuw wordt dit als een omineuze lacune in de eigen geschiedenis ervaren en een Gerard van Uden ingebracht, die aan de wieg zou hebben gestaan. Een historisch zinvolle vraag is waarom pas in die tijd, in de 15e eeuw, een dergelijke behoefte opkwam en niet eerder. De broederschap was rijk geworden, had een eigen pand laten bouwen, met een gevel voorzien van tal van nissen waarin allerlei figuren in steen werden gehouwen. Personen die met de geschiedenis van de Broederschap niets van doen hadden, maar de prots en praal verschaften aan een instelling die luisterrijk de geschiedenis in wenste te gaan. Daarbij hoorden ook een aantal raamluiken, waarvan er een beschilderd werd de tekst Praenobilis Dominus Gerardus de Uden, Fundator van de Broederschap.

Er zijn wat onduidelijkheden over de persoon van deze Gerardus van Uden, maar zeker is dat hij geen edelman was, geen heerlijkheden bezat en ook geen priester was.

◊◊◊

De Broederschap is anno 2012 is bescheidener geworden. Zij noemt Gerardus van Uden weliswaar niet meer de fundator, maar toch welde initiatiefnemer. Maar de gegevens waarop dit zou moeten stoelen, bieden nu juist hiervoor geen enkele ondersteuning. We kunnen slechts vaststellen dat Gerit van Uden éen van de 39 aan ons bekende fondsverschaffers is geweest die in 1329-1330 het bestaan van de Broederschap mogelijk maakten. Maar de bijdrage van Gerit komt nog uitvoerig aan de orde. De volgorde waarin de fondsverschaffers op de rol verschijnen in de Rekeningen bepaalt op dit ogenblik de volgorde van bespreking. Na afloop zullen we bezien of belangrijke en minder belangrijke geldschieters zijn aan te wijzen.

◊◊◊

Mijn uitgangspunt van analyse is de volgende:

Er is geen enkele reden om bij de stichting van instellingen die door bijdragen van meerdere personen tot stand konden komen, een collectiviteit, een netwerk of een groep van personen, ineens niet van stichters of founding fathers te spreken.  De Clerckenbroederschap is er éen uit vele in de zuidelijke Nederlanden van die tijd welke op initiatief van een collectiviteit binnen de stedelijke burgerij tot stand komen.

Ik heb het snode voornemen nog enkele andere tradities in de geschiedschrijving van de Broederschap met mijn kritisch oog te overzien. Met name wanneer er naar mijn inzicht sprake is van een 19e eeuwse contra-reformatorische vertekening die eist dat de rijkdom van het volle broederleven, om het zo maar eens te zeggen, verhuld wordt met een alles toedekkende sluier van zuiverheid en spiritualiteit. Die kan soms een obscure vorm aannemen.

De middeleeuwse mens, in het bijzonder de Broedermens, wordt dan tot totem van een vergane vroomheid, waarin de mens nog biddend, knielend en zingend om genade en verlossing smeekt. De middeleeuwse katholiek wordt ex post facto tot calvinist gedoopt. In de culturele antropologie van Levi-Strauss en anderen kent men iets vergelijkbaar in de ideologie van de ‘zuivere wilde’.

Misschien overbodig, maar toch gezegd. Ik bewonder de uitingen van verstilde vroomheid in een schemerige kathedraal, verlies mij moeiteloos in de sonore geluiden van het Gregoriaans. Als mijn gevoel voor esthetiek daarom vraagt ga ik zelfs even door de knieën. Mijn neef liet mij weten dat ik daarmee tot de categorie dercultuurkatholieken behoor. Het zij zo. Het is een aardige neef.

◊◊◊

Een jaarrekening zonder data.

Aan het werk. Mijn voornemen is om te achterhalen wie de 39 personen zijn die de Broederschap financieel , en van welke collectiviteiten, netwerken of groepen zij deel uitmaken. Ik ga op zoek naar hun sociale topologie. De eerste stap is die 39 personen stuk voor stuk te identificeren. Dat lijkt een zware opgave te worden. Ik ben geen liefhebber van Sudoku, maar achteraf gezien heeft dit deel van mijn onderzoek daar veel van weg.

Onder de rubriek Inkomsten staan de 39 personen in volgorde van de datum waarop het toegezegde bedrag is ontvangen. Datum? De jaarrekeningen bevatten geen data. Zoals de dag voor de meeste mensen geen uren telt, maar een aantal getijden waarop de klok geluid wordt, kent het kalenderjaar geen data maar maar kerkelijke feestdagen. De Broederschap kent er een aantal, waarbij de Maria-dagen de belangrijkste zijn. Er zijn negen dagen die een markeringspunt vormen. De broeders komen bijeen, bidden, zingen, eten, vergaderen, en innen.

Volledig zijn de jaarrekeningen zelden. Zij zijn voor intern gebruik, er hoeft aan niemand verantwoording te worden afgelegd. Er is geen supervisie maar broederlijke convisie.

De jaarvergadering waarin  financiële  balans wordt opgemaakt vindt plaats op de zaterdag voor het Vigilie van St Jan Baptist. Dat is 24 juni. De eerste ontvangsten die in de boeken staan worden dus geïnd na 24 juni 1329, dat is Maria Visitatie, 2 juli, als er een ommegang plaatsvind, een processie door de stad, die door de broeders besloten wordt met een maaltijd.

Op de dag van de ommegang wordt zelden geïnd. Andere Maria-dagen hebben een meer besloten karakter, met als eerstvolgende Maria Hemelvaart (Assumptionoes) op 15 augustus. Een aantal fondsverschaffers is gehouden op deze dag, die ok een ontmoetingsdag is,  zijn verplichtigen na te komen.

◊◊◊

Een onderpand aan de Vughterdijk

1329/30 -01

upten Vuchterendijc 10 st.

Ik word op de proef gesteld. De eerste weldoener is onbekend. Niet omdat hij als milde gever onbekend wenst te blijven, maar eerder omdat iedere betrokkene wel weet om wie het gaat.  Het enige dat vermeld wordt is het bedrag van zijn storting en – dat is toch kennelijk belangrijk – zijn onderpand. Op de Vughterdijk.

Het wordt een harde noot om te kraken. Zo niet een onmogelijke opgave. Ik leg het probleem een jaar of meer ter zijde, en waag tenslotte een laatste wanhopige poging. De vele honderden posten regel voor regel doornemend, waarbij ruim 700 namen passeren, vind ik maar éen post waar van een cijns met onderpand aan de Vughterdijk sprake is. Het zijden draadje.

17 -07

10 st. up ghenen Vuchterendijc aen twe huse liggen tieghen den verslach, dese bleven ons van Heinen …. gheldende tot sunte Mertens/Kertavonde

  1. up ghenen: hierna genoemde
  2. tieghen den verslach: ter hoogte van het galgenveld
  3. Heinen … : achternaam opengelaten
  4. gheldende tot: af te lossen op
  5. sunte Mertens: 11 november
  6. Korsavonde: kerstavond 23 december, de broederschap heeft dan een kertviering in de kapel van de St Jan. Kersavond is doorgestreept wat kan betekenen dat toen geen betaling plaatsvond, of dat de volledige betaling al op Sint-Maarten kon worden ingenomen.
  • Sint Maarten en Kerstavond worden in de rekeningen regelmatig als vervaldata genoemd. Vervaldagen blijken altijd ook maaltijddagen te zijn. Voor wat hoort wat. Maar het was natuurlijk niet alleen effectief maar ook efficiënt.
  • Het feest van Sint-Maarten is in deze eeuw vooral populair in de omgeving van Ieper, Aalst, Gent en Antwerpen, het gebied waar we veel parochiekerken van die naam aantreffen, en waar de lakenhandel en de lakenindustrie tot grote bloei is gekomen. Dat zal wel te maken hebben met de rode mantel van Sint-Maarten waarover in legenden verhaald wordt. Ik begin uit te kijken naar Bossche lakenkooplieden met zuidelijke connecties.

◊◊◊

Van Ganzenbroeders naar Zwanenbroeders

  • In die legende spelen ook ganzen een rol. Bij het napluizen van de Rekeningen vinden we meermalen rond Sint-Maarten  uitgaven gedaan worden voor een ganzenmaaltijd van de broeders, zoals dat ook bij Zuid-Brabantse en Vlaamse lakenkooplieden het geval is. Dat roept bij mij een frivole gedachte op:  de Broederschap vereerde eerst eeuwenlang de eenvoudige boerengans als stoofdier, als men bij bijzondere gelegenheden gezamenlijk ter tafel ging. Maar zoals in het sprookje evolueerde de gans in de 16e eeuw uiteindelijk tot een regale zwaan, die het aanzien gaf aan de bevoorrechte klasse der Zwanenbroeders.

◊◊◊

Heinen van Molle, vermelding van 1329-1357, ws in 1357 overleden

Het onderpand aan de Vughterdijk wordt verder in de Jaarrekeningen van 1330-1375 niet meer genoemd. Opnieuw een zijden draadje. Ik loop alle Heinen in de jaarrekening na met het bedrag van 10 st als aanknopingspunt. De enige die in aanmerking komt blijkt dan een Heinen van Molle, die jaarlijks een erfcijns inbrengt van 10 st wellicht te betalen in twee delen, eenmaal op Korsavonde en/of eenmaal op sunte Jansmisse.

◊◊◊

in verdere bewerking

Opmerkingen

  • Heinen /Henrici de Molle wordt steeds als een der eersten in de lijst van ontvangen cijnzen vermeld. Dit is een verdere ondersteuning mijn stelling dat het bij de eerste anonieme rekening van 1329/1330 om deze zelfde persoon gaat.
  • ad 01 in de groslijst van lopende cijnzen, in later jaren opgemaakt wordt de  bijdrage waartoe Hein van Mol/Hernrici de Molle zich verplicht heeft gesteld op 10 st. in twee termijnen te betalen, op Sint Maarten en op Kerstavond.
  • Halling. In datzelfde jaar krijgt Hein van Mol een gulden Hellinc terug. Op het eerste gezicht lijkt het te gaan om herstel van een omrekenfout, zoals dat nog wel een aantal maal in de rekeningen voorkomt. Hein zou dan hebben betaald in een klinkende munt die in ‘s-Hertogenbosch weinig courant is. In de Rekeningen wordt de ontvangst daarvan uitgeschreven in een fictieve rekeneenheid waaraan de wisselkoers van alle in omloop zijnde munten wordt afgemeten. Een hallinc is een oude kleine munt die al in 1228 in omloop komt. Een zilveren halling heeft de waarde van een halve penning of mijt, in Vlaanderen ook wel obool genoemd. Maar hier is sprake van een gouden halling en dat is een zwaargewicht van geheel andere orde. Ik ben daarom geneigd te denken dat er sprake is van een herziening van de schenkingsovereenkomst. Hein van Mol heeft eerst uit zijn onderpand aan de Vughterdijk een zekerheid van twee gouden halling aan de Broederschap toegezegd. Dit levert een jaarlijkse cijns op van 10 st. Maar de zaken gaan misschien slecht, de zekerheid wordt zoals we uit de rekeningposten kunnen zien teruggebracht tot een enkele gouden halling en Hein betaalt nu in twee termijnen een bedrag van twee maal 2 en 1/2 st. per jaar (zie Annales hierna over dit gouden muntstuk). Een aantal jaren is hij in staat de vijf st. in een keer te betalen. Twee keer betaald hij weer 10 st. maar dan gaat het achterstallige posten. Tenslotte wordt er weer 10 st. betaald maar daarbij is een familielid betrokken
  • Ik ga er voorlopig van uit dat Hein van Mol zelf de betalingen verricht. Het kan ook zijn dat hij in 1356 is overleden en zijn nabestaanden de verplichting hebben overgenomen. In 1356/1377 neemt een Johannis de Mol de betaling van de cijns van 5 st. over. Dat zou zijn zoon kunnen zijn.

◊◊◊

Aanknopingspunten

In het obituarium der St Jan komt een Hanricus Moll voor, overleden in 1399. Hij is lid van de Lieve Vrouwe Broederschap.  Hij zou een kleinzoon van Hein de Mol kunnen zijn. In het Wapenboek van de Broederschap zien we een Gerardus van Moll Laurensz de Moll, overleden in 1513. Blijkens Smulders zou het gaan om Gerit zoon van Gerit zoon van Laurens van Mol. Hij is gewandsnijder en lakenkoper, Hij is getrouwd met Aleid  dochter van Laurens Laurens Vanny alias Back, weduwe van Willem zoon van Willem Sceijmeker. Van Dijck (2012, 547) voegt nog enkele andere gegevens over deze Gerit toe uit diverse bronnen.

Het is mogelijk alle hier genoemden in een familieverband te brengen. Vanuit dit familienetwerk blijkt het mogelijk deze met andere stichters van de broederschap in verband te brengen. Maagschappen, beroeps- en gildeverbanden  geven vervolgens zo laat het zich aanzien, meer zicht op het maatschappelijk segment waarin we deze groeperingen kunnen plaatsen.

◊◊◊

(Wordt vervolgd op deze pagina)

Annales 1

Cijnsposten van Heinen de Molle in de Rekeningen van 1329-1330 tot 1374-1375

  • pro memorie groslijst van te cijnzen (principe van volgorde nog onbekend)
  • post 02
  • tsijns 10 st up ghenen Vuchterendijc aen twe huse ligghen tieghen den veslach, dese bleven ons van Heinen …. geldende tot Sunte Mertens misse
  1. – 1329/1330 17 01 inghenomen uiten Vuchterendijc 10 st sjaars
  2. – 1329/1330 19 17 uyt ghegeven omme 5 st sjars Heinen van Molle 1 gulden hellinc (zwaar goud, oud vlaams)
  3. – 1329/1330 24 02 recepi ad opus confraternitatis 2 en 1/2 st de Henrico dicto Mol
  4. 1335/1336 27 03 ontfaen ter broederschap 2 en 1/2 st van Heinen van Mol, [hiaat in de boekhouding]
  5. – 1336/1337 23 02 recepi de Henrico dicto Mol 5 st de census, item 2 en 1/2 st.
  6. – 1336/1337 24 02 recepi de Henrico dicto Mol 2 en 1/2 st [10 st. sjaars] >[hierna 5 st sjaars]
  7. 1341/1342 29 06 recepta in annuis redditibus 5 st in hereditate Heinrici de Molle, Navitate Domini et Johannis
  8. 1342/1343 31 01 recepta in annuis redditibus et in parata pecunia Primo 5 st in hereditate Henrici de Molle
  9. 1343/1344 33 01 recepta in annuis redditibus et in parata pecunia 5 st in hereditate Henrici de Molle
  10. 1344/1345 35 03 recepta in annuis redditibus et in parata pecunia 5 st in hereditate Henrici de Molle
  11. 1346/1347 37 05 recepta in annuis redditibus 5 st in hereditate Henrici de Molle
  12. 1347/1348 43 09 census restantes 5 st de hereditate Henrici de Mollr
  13. 1347/1348 44 03 recepta in annuis redditibus et in parata pecunia 10 st in hereditate Heinrici de Molle de duobis annis
  14. 1350/1351 50 02 recepta in annuis redditibus et in parata pecunia 10 st in hereditate Henrici de Molle de duobis annis
  15. 1351/1352 54 04 recepta in annuis redditibus et in parata pecunia 5 st in hereditate Henrici de Mol
  16. 1352/1353 58 04 recepta in annuis redditibus et in parata pecunia 5 st in hereditate Henrici de Mol
  17. 1353/1354 61 04 recepta in annuis redditibus et in parata pecunia 5 st in hereditate Henrici de Mol
  18. 1354/1355 64 04 recepta in annuis redditibus et in parata pecunia 5 st in hereditate Henrici de Mol
  19. 1355/1356 68 04 recepta in annuis redditibus et in parata pecunia 5 st in hereditate Henrici de Mol
  20. – 1356/1357 70 05 recepta in parata pecunia de hereditate Johannis de Mol 5 st.
  21. – 1356/1357 73 01 restantes census in prima 5 st in hereditate Henrici de Mol (totaal 10 st sjaars)
  22. 1357/1358 74 recepta 08 de hereditate Henrici de Mol 5 St.
  23. geen cijnsinkomsten meer uit dit erfgoed.

Annales

  • In het volgende fragment van een oorkonde uit dezelfde periode komt de gouden halling uitvoerig aan de orde.  (te Schelle, 1366:)
  • Allen den ghenen die dese lett_en selen sien en_ hoeren lesen / Wij Staes de cost_e / Peter minne en_ jan (onleesbaar) late Gielijs sanders / Maken cont en_ doen te verstane in (onleesbaar) jeghenwoerdighe_ lett_en / dat vore ons come_ es in p_pren persoene / peter scute / en_ heeft verlijt en_ bekent dat hij heeft vercocht wale en_ witteleke o_me ene su_me van ghelde die heme volcomeleke es vergouden janne mertens / enen ouden gulden hellinc goed en_ gherecht van goude van + den swaersten ghewichte / ochte de werde daer na in goeden and_en paymente / welken voerseide_ ouden swaren gulden hellinc / de voerghenoemde peter scute / en_ sine nacomelinghe / sculdech sijn te betaelne / erfleke en_ e_mermeer / en_ te ghildene den voerseghden janne Mertens en_ sinen nacomelinghen / alle jare altoes te kersauonde / Ende om~dat de voerghenoemde Peter scute / desen voerseiden ouden swaren gulden hellinc / den voerghenoemde_ janne Mertens / alle jare vordane ten voerscreuene_ t_mine / wale en_ witteleke betalen wille / soe heeft hi / vore hem en_ vore sine nacomelinghe / daer toe gheset tenen onderpande metten rechte en_ mette_ vo_nesse / sijn huus en_ den hof ghelijc alst gheleghen es metten gronde en_ datter toe behoert / tusschen janne donk_e in deen side / ende ja_ne loeke_ in dander side . Jn alsulker manieren dat hier ne_meer vore vte en gheet vte desen onderpande dan twintegh schellinghe payments en_ achte oude jnghelsche / Ende al desen voerseiden onderpand mochte de voerghenoemde jan Mertens aneverden en_ sine hant daer ane slaen / alse ane sinen bewijsden en_ besetten onderpand / ghelijc alse een vo_nesse soude wisen / waert dat heme de voerseide Peter scute / ochte sine nacomelinghe niet en gouden ochte gnoech en daden ochte dat hen iet ghebrake van + den voerseiden ouden gulden hellinc / ten voerghenoemden daghe ghelijc alse vore es ghescreuen / Hier toe es gheschiet / al datt_ mette_ rechte en_ mette_ vo_nesse toe sculdech was te gheschiene / ende en~gheen poent van rechte achter ghelaten + / bii manissen jans van + den vere / recht_e Gielijs sanders voerghenoemt diere sculdech op was te maenne / en_ bi wijsdoeme van ons laten voerseid diere sculdech op waren te wise / En_ om~dat wij late voerghenoemt ghene p_pre zeghele en hebben / soe bidden wij eersame_ lieden en_ wisen / Gielise sanders alse h_e janne van + den vere alse recht_e / en_ goesene sanders alse gielijs man / dat si dese lett_en willen bezeghelen met horen p_pren zeghelen / En_ wij gielijs sanders alse h_e jan van + den vere alse recht_e / en_ goesen alse gielijs man voerghen_ / ou_mids de bede der voerseider late / hebben wij dese lett_en bezeghelt met onsen p_pren zeghelen jn ke_nissen der waerheit / Die ghegheuen waren in den jare ons h_en doen men screef . dusentech / + drie + hondert / + ende sess + en + sestich jn sente benedictus daghe –

Uit: Ad Teulings, de Broederschap, 2010-2012