Tussen twee ijzeren tangen, tussen de zon en de maan

2016, Januari 13

Illuminatie weerwolf

Ik begin te schrijven. Met mijn blik gericht op de rug van mijn linkerhand. Over de hele breedte, opgezet, paarsblauw. Daar is stevig huisgehouden.

Buiten is het donker. ‘Het is zeven uur!’ laat mijn Mac weten. Heerlijk! Ik schrijf ter gedachtenis aan het moment van zeven uur, een etmaal eerder, waarin ik werd herboren.
In de put van mijn rechter elleboog heeft zich nog een marker gevormd. Een verdrietig paarsrood vijvertje. Vrijwel opgedroogd. Dat zal ik nog wel een weekje bij mij dragen.

Gisterennacht. Ongebruikelijk vroeg, voor twaalven, uitgeput, naar bed gegaan. Om twee uur wordt ik zwetend wakker. Heftige pijn op de borst. Ik ken dat. Een hartritmestoornis. De pijn is desondanks weer onrustbarend. Het is weer zover.
Ik trek mijn kleren aan, stommel moeizaam de trap af. Schoenen. Rommel wat tussen mijn medicijnen voor een extra Sotalol. Dat zou kunnen helpen. Kruip weer naar boven.

In de kast ligt een mooie bloeddrukmeter. Leg de band om mijn bovenarm. De eerste drie metingen leveren niets op. Mijn hart is te onrustig om een punt van onder- en bovendruk te kunnen bepalen. Dan beginnen de waarden door te komen. Extreme waarden. Ver boven de toegestane. Extreme pols ook.
Mijn lijf reageert op deze waarnemingen zoals het hoort. Met meer angstzweet, nog meer borstpijn. Duizeligheid.

Kalmte is geboden. Ik probeer aan mijn beeldscherm afleiding te vinden, om die automatische psychische reactie zit ik niet verlegen. Het magische oog werkt niet meer. Een kwartier later, de Solatol zou nu zijn bevrijdende werk moeten hebben gedaan, weer een drie metingen. Noppes. Het is tijd voor 112. Brandweer? Nee, Ambulance.

De ambulance staat binnen vijf minuten op de stoep. Dienst Midden-Nederland. Dat is ongebruikelijk. Verouderd model auto. Verpleger, die vriendelijk probeert te zijn, en een zwijgende norse verpleegster. Ze komen van ver, hebben een vrachtje afgeleverd bij het LUMC. Hoopten, het wordt niet uitgesproken, maar het is volledig afleesbaar uit hun gedrag, op een ongestoord huiswaarts, uurtje rijden. bed in. Maar nu nog even dit pakketje afzetten. Ik ben een vieze tegenvaller. Ik zie het, ik weet het, niets menselijks is mij vreemd.

Er moet voor vertrek nog even een infuus worden aangelegd. Prikken. Heeft U een dunne naald, vraag ik, als ervaren patient. Patient met praatjes. Daar is nu geen ruimte voor. Hij begint te prikken. Linker arm, geen succes. Nog een keer daar even naast, weer vruchteloos. Twee plukken verband, twee grote pleisters. Het prikken gebeurt zoekend, er wordt heen en weer geroerd, een ontwijkend adertje wordt achtervolgd op zijn weg naar de diepte. Ik ken het en ik weet dat dit een rampzalige zoektocht gaat worden. Rechterarm, binnenzijde elleboog. Dat aan die arm nog een patient zit wordt nu vergeten. ‘Ik ben een moeilijke’ probeer ik, ter bemoediging. De verpleger is tenslotte het slachtoffer van mijn onwillige bloedvaten. Valt niet goed.

We gaan naar de linkerhand zegt hij. Op de rug, dat lukt altijd.’ Dat had hij nou niet moeten zeggen. Het prikken en het gewroet met de naald begin. Ik zie aan alle kanten onderhuidse bloedingen. ‘U moet stoppen’ vind ik. Hij maakt nog even wat diepe duiken met zijn naald, en dan is het over. Het LUMC moet dit verder maar uitzoeken. Hij kijkt op het beeldscherm dat mijn hartritme registreert. ‘Heeft U nog pijn?’ Ja, ik zou naar het LUMC willen rennen, maar ik lig daar, gevangen, tussen twee ijzeren tangen.
De verpleger probeert zijn imago als geneeskundige wat op te vijzelen. Blaast U eens stevig op de rug van Uw rechterhand. Dertig seconden. Ik blaas. “Het wil wel eens helpen” zegt hij. Ik moet nog een kunstje doen. Zonder soulaas.

Ik denk aan mijn kinderjaren. Als er iets was, kinkhoest, buikgriep of wat ook, kwam eerst de vroedvrouw op bezoek, later wijkverpleegster genoemd. Zij beschikt over een heel arsenaal van kunstjes en papjes, dat wordt uitgeprobeerd. Mijn moeder kent ze ook, zij is in haar jonge jaren verpleegster geweest in het Bossche ziekenhuis waar adelijke Duitse dames de scepter zwaaiden. Maar de vroedvrouw bewaakte de toegang tot de hogere medische echelons, zoals de huisarts. De natuurlijke drempel, om de kosten van de gezondheidszorg binnen grenzen te houden.

Mijn verpleger is nog niet uitgeblust. Hij neemt plaats achter het stuur: ‘We gaan bonzen, dat wil vaak helpen!. Let him speak for himself. In welk klein boerendorp in Midden-Nederland zou dit protocol schering en inslag zijn. We bonzen op weg naar het LUMC dwars over fietspaden, bestormen verkeersdrempels. ‘Wordt de pijn minder? Nee. Ik had hem graag van dienst willen zijn. Een succesje op de laatste rit van zijn nachtdienst. Zo ben ik, de beroerdste niet. Maar de maan was duister, en de weerwolf hield zich schuil in het donkere bos.

Op het LUMC lijkt de zon te schijnen. Vier, vijf stafleden rondom mijn bedje dat naar de handelkamer werd gereden. Liefdevolle, geruststellende blikken en gebaren. een arts, intakegesprek, uitvoerig, zorgvuldig. Ze wil alles weten. ‘Het staat allemaal in mijn status’. Maar ze wil alles van mijzelf horen, ook wat van mijn harthistories. Ze is volhardend. Vriendelijk, lacht er af en toe guitig bij, maar gaat onverdroten door. Speelt dan strenge schooljuffrouw.

Het is onderhoudend, leidt af van mijn heftige borstpijnen, en ik begin te vermoeden dat dat precies de bedoeling is. En ook, in mijn status staat vast “there’s a hole in his bucket” om te kijken hoe het met mijn geheugen gesteld is. Want op dit LUMC, ik heb er ruime ervaring, pakken ze op intensive care niet alleen het toevallige incident waarmee je binnenkomt, maar de hele mens. Holisme, in de enige, pragmatische vorm die ik hogelijk weet te waarderen. Het werkt een beetje. De verantwoordelijkheid voor mijn lot wordt van mijn schouders genomen. Ik kan mijn onrustbarend hart aan haar, en die cohort daaromheen overgeven.

Het laboratorium komt met de bloeduitslagen. Er is, ik heb het nauwelijks gemerkt, een infuus aangelegd. Bloed afgestapt, Er hangen zakken aan een haak waaruit vloeistoffen in mijn lijf worden gepompt. Ik krijg een zuurstofmasker op want de pompfunctie van mijn hart is te zwak en er komt onvoldoende zuurstof in mijn bloed. Mijn hersenen worden weer een beetje helder. Zuurstof, ook die ervaring ken ik, daar wil ik wel een overdosis van.
Een technicus komt met meetapparatuur waarmee de geschiedenis van mijn hartfunctie over de afgelopen maanden kan worden afgelezen, dank zij de pacemaker die ooit ergens bij mijn linkerschouder werd geïmplanteerd. Er zijn meer hartritme stoornissen geweest de afgelopen weken, maar minder heftig.

De cardioloog verschijnt weer aan mijn bed. Het behandeltraject zal in drie fasen verlopen. Maar hij is haast meer geïnteresseerd in mij dan in mijn hartfalen. Hoe ziet mijn leven er uit, ik was toch hoogleraar en erg actief? Waar heeft hij dat nu weer vandaan. Ik vertel er wat over. Hij wil meer weten, middeleeuwse geschiedenis? Laat-middeleeuwse zeg ik, Ancien Regime. Wat dan? Stadsgeschiedenis. Hertogdom Brabant, sociale netwerken van kooplieden en bestuurders. Politieke en Sociaal Culturele Wetenschappen. Stapels archieven, vele meters boeken. Hij zal er op terugkomen. Nieuwsgierig, vijfendertig jaar, sociabel, rosse haren, de eerste cardioloog met rosse haren zeg ik. Ja, zijn soort is zeldzaam.

Ik heb geluk zegt hij, je hebt geen mechanische aortaklep gekregen, zeven jaar geleden. Ik heb een varkentje weet ik. Daarom kunnen we toch een klapje geven. Klapje, weet ik, is een elektroshock. Gevangen tussen twee ijzeren tangen. Maar mijn pacemaker dan? Hebben we ook een oplossing voor. We leggen een driehoek aan, drie grote plakkers, die vormen een route ver buiten het gebied van de pacemaker.

Maar eerst ga je nog even pijn lijden. Ik ga proberen om je pacemaker aan te sturen, interventie op te voeren of te schokken, om te zien of dat helpt.
Ik merk het, met deze man wil ik nog wel even door een paar pijndrempels heen. En zo gebeurt, maar zonder gevolg.
En dan staat opens weer een heel team rondom de cardioloog. We gaan je even wegmaken. Diepe slaap. Als je bijkomt is het over. En ik zink weg met vier engelen rondom mij heen die mij allerliefst toeknikken.

En dan, opeens, ben ik daar weer. Geen pin, geen vermoeidheid, geen dik hoofd. Hoe is het? Het is goed. Het is heerlijk zeg ik. Geweldig. Ik kijk ze aan. Zo goed als nu, laat ik weten, heb ik mij in maanden niet gevoeld. ” Ik ben een Nieuw Mens!. Een ontroerd, dankbaar nieuw mens. Ik mag gaan zitten, staan. Ik schud handen. Nog een half uurtje bijkomen, dan kun je naar huis.

Zo is het. Als ik het LUMC uitloop is het nog donker. Ik zie de maan, maar de zon begint op te komen. Het is koud, het drupt een beetje. Ik loop horden mensen tegemoet, op weg naar hun werk. En ik keer huiswaarts. Herder, laat je schaapjes gaan.

 

Nawoord.

Het is 23 Januari. Nog even en de klok heit 24. Ik schrijf. Kijk uit op de rug van mijn rechterhand. Licht gezwollen. Blauwpaarsgroengeel. Vier donkerrood gekleurde vlekken. Bij twee ervan is drie keer pal naast elkaar geprikt. Zwarte markers. 

De naam van die verknipte prikker hoef ik niet te weten. Hij zal zijn straf niet ontgaan. Mijn veertien Engelen komen hem na. Zij zullen hem wijzen, niet naar sHemels Paradijzen, maar naar de sneeuwstormen in New York, klem gezet tussen de metershoge sneeuwbergen. vastgevroren. De weerwolf kijkt hem recht in de ogen.

Geen spoedeisende patiënt onder zijn hoede, gelukkig. Zelfs zijn thermoskan met koffie is bevroren. De brandweer is op pad, ik ben niet moordlustig in mijn dromen, maar zijn handen, zij zullen blauw zijn, blauw als de rug van mijn linkerhand. Eerste graads bevriezing ook. Laat lidtekens na die hem lang zullen heugen.