Het Elfenbeen

In nood op bezoek bij mijn tandarts. Een schreeuwende kies. Ergens links van mijn voortanden. In mijn ogen een jonge man, maar vriendelijk, zorgzaam eigenlijk, en, wat meer telt, uiterst vakbekwaam. Hij is eerder bij die kies op bezoek geweest. Maar nu was het onvermijdelijk: een wortelkanaalbehandeling. Ik ben geen held in dit soort zaken. Hij weet het. Ik schuif aarzelend op zijn pijnbank. Hij vertelt wat er gaat gebeuren. En hoe hij het zal aanpakken. Dat laatste, het hoe, heeft mijn volle aandacht. Drie prikken. Lokale verdoving. Dat stelt mij gerust. Maar hij ziet mijn verkrampte handen, de blik in mijn ogen. Het opgejaagd konijn. Ik krijg een vierde prik. Misschien medisch geheel overbodig, maar hij bevestigd mij zo zijn vakbekwaamheid. Niet alleen die kwellende kies, maar deze gehele gekwelde mens, dat is zijn object.

Verbaasd merk ik dat ik ondanks die verdovingen al zijn handelingen in mijn kies precies kan volgen. Het ontstaan van die nauwe spleet in mijn kies naar beneden. Daar zit die tergende zenuw, verborgen in zijn kanaal. Naar de vergruzeling ermee. Een heel tuig aan handgereedschap komt er aan te pas. ‘We gaan diep’, laat hij weten. Dat is tot op het bot. Dat is mijn kaakbeen. Bijna tot op het bot dus. Merkwaardig. Zijn berichten blijken nu ten overvloede. Ik weet precies wat er gebeurt. Mijn hersenen doen hun werk. Als ooggetuigen.

Later als ik mijn warme bed induik komt de herinnering boven aan wat mij bij mijn tandarts overkomen is. De geheimen van mijn bewustzijn. Drie onderscheiden acties. Ik heb op zijn lichtblauwe behandeltafel gelegen. Het rek met handgereedschappen aan mijn rechterzijde. Ik zie hoe zij stuk voor stuk worden ingezet. Daarvan ben ik mij het hele uur bewust geweest. De tandarts die zich over mijn open mond heeft gebogen en uitvoerig tegen mij praat. Ik hang aan zijn lippen. Het is niet monomaan. We zijn in gesprek. Er komt geen geluid meer uit mijn mond. Ik kan zonodig mijn hand opsteken als de scherpe pijn toeslaat. Gelukkig niet nodig. Mijn taligheid is even zoek. Maar er is nog mijn lichaamstaal. Deze tandarts verstaat de lichaamstaal. Tien woordenboeken op de boekenplank boven mij, maar tussen al die dikke van Dales staat er geen bij met als opschrift: Lichaamstaal – Nederlands.

De derde actie van mijn bewustzijn heb ik al aangegeven. Er is daar klaarblijkelijk ergens een gezichtsvermogen dat kan worden geactiveerd. Het grote oog. Het is niet anders: de tastbare werkelijkheid van wat er tijdens de behandeling in het inwendige van mijn kies komt mij voor ogen. Wat daar diep in de holte van mijn kies gebeurt wordt mij visueel in beeld gebracht. Ik zie de opening van mijn kies, het wortelkanaal, de diepe, smalle insnijding, het polijstwerk. Ik zou het in tekening kunnen brengen. Op een andere schaal, maar in de juiste proporties.

Ik lig in mijn bed en denk na. Bij Freud, heel lang geleden, in mijn prille jeugd, heb ik nooit over zoiets gelezen. Maar nu: mijn gedroom heeft de regie stevig in handen, wil van geen ophouden weten. Is dat nu mijn onderbewuste, met die altijd weer verdrongen beelden dat nu zijn kansen schoon ziet? Het bericht dat mij bereikt begint een dwingend karakter te krijgen. Ik probeer mijn slaap te hervatten maar krijg daarvoor geen ruimte. Er valt iets mede te delen, een laatste oordeel, zoals iemand die op zijn sterfbed wegdroomt schijnt mee te krijgen, maar wat?

En daar sta ik dan, als klein jongetje, wat zal het zijn, twaalf, dertien jaar? Voor de boekenkast van mijn vader. Op de onderste plank een rij boeken die in de verstoffing zijn geraakt. Een van de boeken, een Amerikaanse roman, heeft al vaker mijn aandacht getrokken. Het is een uitgave, ik vermoed nu van rond 1929-1930, mijn vader zal 21 zijn geweest. Of misschien al veel eerder. Naar uitvoering is het een voorloper van de pocket books die dan nog moeten worden uitgevonden. Een slappe kaft, geen houtvrij papier, verlijmd, niet ingenaaid. De boven- onder- en zijkant niet rechts afgesneden. De katernen zitten nog aan elkaar.

De eerste keer dat ik de pocket nieuwsgierig doorblader stel ik vast dat de lezer, mijn vader, na pagina 34 de katernen niet meer losgesneden heeft. Daarvoor is het elfenbeen nodig dat achter het rijtje boeken ligt verborgen. Ik lees en voeg vier pagina’s toe. Dan houd ook ik dit boek voor gezien. We zijn op pagina 38. De rest is voor later.

Als ik op mijn 19e in Utrecht ga studeren plunder ik wat literatuur uit de huiselijke boekenkast. Dat gaat zonder nader overleg. Mijn vader heeft zijn na zoveel jaren zijn belangstellingen verlegd. Het kleine rijtje prehistorische pockets lijkt verdwenen. Maar niet mijn vader, maar mijn broer Jan, net afgestudeerd bij Rietveld aan de kunstacademie vermoed ik als de dader. Hij is al jong een bejubeld binnenhuisarchitect, vooral in vrouwenkringen waar hij van hand tot hand gaat. Als ik in zijn afwezigheid zijn kamer betreed zie ik het onmiddellijk. Daar staat het rijtje pockets, niet als leesvoer, maar als architectonisch element. Ik sla mijn boek open. Aangesneden pagina’s tot en met pagina 36. En jawel, op zijn bureau ligt het elfenbeen. Ik graai de twee bij elkaar, vul mijn koffer aan en vertrek naar Utrecht. Zonder briefje achter te laten. In deze Teulings familie zijn we als mannen onder elkaar een stelletje rasechte graaiers.

In Utrecht kom ik te wonen in een groot studentenhuis, als bewoner van een grote voorkamer. Het dispuut De Blaaker dat ik met zeven studiegenoten heb opgericht erkent mij meestal als gastheer. De leden bellen niet aan bij de massieve voordeur, maar trekken bij mij een van de schuiframen omhoog en stappen via mijn bed naar binnen. Dat is nu eenmaal hoe mannen hun zaken aanpakken. Het is zoveel jaren geleden al niet anders dan nu: mannen hebben disputen, vrouwen hebben kringen.

Mijn boekenkast heeft zich inmiddels snel vermenigvuldigd. Mijn oude pockets staan er verloren en vergeeld bij. Er is weinig belangstelling voor behalve bij mijn dispuutgenoot en vriend Richard Stolzenburg, telg uit een Amsterdamse joodse familie. Hij kan mij meer vertellen over de auteur en de uitgeverij. Weet ook mijn oude elfenbeen te waarderen. Het leidt ertoe dat we elkaar erkennen als de enige twee echte intellectuelen in dit gezelschap.

Ergens in de jaren daarna gaat dit kostelijk bezit verloren. Want zo is het: gestolen goed gedijd niet. Zelfs al zijn mijn vader en broer Jan inmiddels moeiteloos door mij verwittigd.

In mijn nachtelijke herinnering, zoveel jaren later, een paar uren geleden, houd ik mijn elfenbeen voor het laatst in de hand. Voel hoe scherp het is, hoe glad en hoe mooi getekend. En dan, elke schoonheid kent zijn keerzijde, dan is daar opeens dat beeld, een scène die zich haarscherp, vlak voor mijn neus afspeelt. Een jong olifantje, naast zijn zorgzame moeder, die beiden schuil zullen gaan in het donkere oerwoud. Het olifantje is een van zijn slagtanden kwijt geraakt. Botweg afgezaagd. Hij zal het de rest van zijn leven zonder deze bescherming moeten stellen. Opgejaagd, omdat iemand zo nodig een elfenbeen op zijn bureau wilde zien liggen.

Het begint mij te dagen. Een aantal uren daarvoor is, op diezelfde plaats ook uit mijn gebit een kies vergruizeld. Mijn gebit, dat van een oude man die in deze jaren van ontbinding steeds een nieuw een deel van zijn lijf ziet uitvallen. Een proces van ontmanteling dat van geen ophouden weet. Meer dan een ontmanteling, ook, nu dit tot bewustzijn komt, een ontmanning. Maar ja, wat stelt het eigenlijk voor? Het jonge dier wiens slagtand is afgezaagd, dat gaat ergens over. Maar ik, een oude man, die al kreunt als hij weer eens een van zijn kiezen kwijtraakt?

Geen treurnis maar bevrijdende ontspanning. Mijn olifantje en ik. Innig tevreden met deze lotsverbondenheid verval ik in diepe slaap. Eerst twaalf uur later wordt ik wakker. Verfrist? Niet echt. Verjongd? Allerminst. Maar dankbaar voor de zonnestralen die laat deze middag door het jaloezie van de badkamer naar binnen dringen.