Het prepositorium en zijn besognes

Uit: Rekeningen van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap, BHIC
Uit: Rekeningen van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap, BHIC

◊◊◊

De eerste bestuurders van het clerckengilde de Lieve Vrouwe Broederschap noemen zich niet proosten zoals in de kerkelijke hiërachie gebruikelijk is, of dekens zoals bij de ambachtsgilden, maar de preposititores.

In mijn latijns woordenboek lees ik dit als de vooraangeplaatsten, dat is dus letterlijk de voorzitters. Eenmaal per jaar is er een ledenbijeenkomst waarop een nieuwe voorzitter kan worden gekozen. Het kan, maar het hoeft niet tot een nieuwe voorzitter te leiden. Eenmaal gekozen merk ik op dat van 1318 tot 1375 – de periode waarop ik mij in eerste instantie richt – de door Broederschap gekozen eerste voorzitter meestal vrij vast in het zadel zit.

◊◊◊

  • Prepositus zie ik vaak vertaald als proost (profest, profest, profst). Maar die laatste benaming is in de 13e/14e eeuw voorbehouden aan de dragers van een geestelijk ambt: het hoofd van een kathedraal kapittel, een kloostervoogd, die waar nodig als plaatsvervanger van de abt, maar voor het overige als de manager optreedt, de zakelijk leider en handhaver van de kloostertucht.
  • Het gebruik van het woord proost is dunkt mij éen van de vele manieren waarop door latere schrijvers aan dit clerckengilde een religieuze betekenis wordt gegeven die het in de eerste eeuw van haar bestaan bepaald niet heeft. Proosten worden ook niet gekozen, maar, en dit lijkt mij toch een wezenlijk verschil, van hogerhand benoemd. Zij maken deel uit van een omvattende hiërarchie. Preposititores, dat zijn – als we toch met a- historische, moderne begrippen het verleden willen begrijpen – de gekozen bondsbestuurders van een vakvereniging. Van bondsbestuurders kennen we ook het verschijnsel van zetelvastheid.

◊◊◊

Bij het gebruik van de term verkiezing past ook een kanttekening. De ambachts- en koopmansgilden uit die tijd kennen tweejaarlijks verkiezingen, waarbij iemand uit hun midden tot deken wordt gekozen, maar een bestuurswisseling komt hier veel vaker voor.

In het stadsbestuur, de schepenbank, is er ook een tweejaarlijkse verkiezing. De schepenen blijven na afloop van hun zittingstermijn als leden van de Raad op afstand bij de zaken betrokken. In deze Raad worden voorstellen voor nieuwe benoemingen beslist. Dat gebeurt elke twee jaar als de helft van het bestuur plaats moet maken voor nieuwe bestuursleden. Die kunnen van buitenaf komen of uit het midden van de Raad zelf worden gekozen. Na vier jaar is de schepenbank geheel vernieuwd. Maar we zien dan veel bekende gezichten weer terug.

◊◊◊

Geen van deze formules blijkt in de praktijk bestand tegen altijd aanwezige oligarchische tendenties. Er zijn een enkele maal wel abrupte omwentelingen in de machtsverhoudingen, maar het is net als in de kerk en bij de adel: een klein aantal families beheersen de toegang tot de macht. Families zijn de gatekeepers tot de bestuurlijke macht, en het materiële, sociale en culturele kapitaal dat hier ligt opgesloten.

Het stadsbestuur in zuidelijk Brabant wordt generaties lang gedomineerd door Zeven, de Negen of de Twaalf families. Voor het stadsbestuur van ‘s-Hertogenbosch ligt dat wat opener. Er is meer sociale stijging en daling. Schependochters krijgen vaker de gelegenheid om met een veelbelovende jongeman buiten de eigen kring te trouwen.

Interessant is om te ontdekken dat oligarchie en meritocratie zich hier heel goed laten verenigen. Een vader die meerdere zonen en dochters heeft kan niet zomaar de oudste zoon in zijn plaats voordragen. De geschiktheid moet zijn gebleken uit de wijze waarop hij een of meer andere functies bekwaam, althans niet onbekwaam, heeft uitgeoefend. Bijvoorbeeld als hoofdman van de Hand- of Voetboogschutters. Faalt hij op deze toets dan wordt een jongere zoon – als beste vertegenwoordiger van de familie en haar belangen- op het schild geheven.

Het komt voor dat alle zoons worden overgeslagen (of zich niet willen aanbieden), nadat éen van oudste dochters met een capabele, wellicht ook meer vermogende outsider weet te huwen. Die wordt dan blijmoedig als schepen binnengehaald, met in zijn nasleep een hele familie van gerechtigden, waarna de kansen voor de zoons van deze generatie goeddeels verkeken zijn.

◊◊◊

Die pragmatische meritocratische keuze wordt ook ingegeven door het collectieve belang bij continuïteit van de maagschap. De maagschap, dat het geheel van grootouders, ouders en kinderen met hun aanhang, heeft zijn gevestigde belangen. Naar middeleeuws recht is de maagschap als geheel aansprakelijk als er door een van hen schulden worden gemaakt of misdrijven begaan. Individueel bezit en inkomen is altijd een part van het collectief inkomen van de maagschap, waarop elk van de betrokkenen zijn rechten kan laten gelden. Elk ambt en elke publieke functie, binnen de kerk, de adel, of de derde stand is – zeker niet uitsluitend, maar ook – een gedeeld familietrofee. En een zekerheid die waar mogelijk met zorg in eigen beheer wordt gehouden

◊◊◊

Dit is dus het beeld. Een bestuurlijke positie zoals die van de prepositus vormt de kern van een vervlecht sociaal systeem. Hij is omgeven door maagschap, een stevig vruchtvlees van bloedverwanten, die onvermijdelijk ook direct belanghebbenden zijn. En daaromheen heeft zich een afschermende, dikkere of dunnere schil afgezet, gevormd door een op uitruil van zekerheden gerichte clientèle: de kring van personen en instituties die op een bevoorrechte bejegening mogen rekenen in ruil voor hun betoon van aanhankelijkheid.

En voorts, we zijn in de middeleeuwen. Alle maatschappelijke posities zijn, hoe schoon of edel ook hun institutionele vormgeving, hoe voortreffelijk ook hun bekleders, iets wat men in eigendom heeft, waaruit inkomsten voortvloeien die ook voor persoonlijke doeleinden kunnen worden aangewend. Alle posities zijn te koop, te leen, uit te besteden tegen een rente. Verhandelbaar of ook na ursupatie tot een erfgoed te maken.

◊◊◊

De idee dat het persoonlijke en het publieke, het kerkelijke en het wereldlijke, als gescheiden sferen kunnen bestaan en misschien ook moeten bestaan, is nog niet ingedaald. Die sferen bestaan niet naast elkaar, maar onder elkaar. Iedereen leeft in een gelaagde werkelijkheid.

En als ik dit zo zonder haperen neerschrijf realiseer ik mij dat dit het begrip was dat mijn oude leermeester Georges Gurvitch aan mij meegaf, in in 1960. Het begrip van een gelaagde maatschappij, een maatschappij van verdiepingen, paliers en profondeur.

Het volstaat niet om met de buitenkant van de eerste waarnemingen genoegen te nemen.  Of met het verhaal dat de betrokkenen zelf aanreiken als je op zoek bent naar informatie. Daar ligt een laag onder, en dan zeker nog een. De toegang tot een onderliggende laag is mogelijk. Er zijn twee wegen waarlangs het mij vaak wel lukte om iets van toegang te verwerven.  De eerste is om te volgen wat er gebeurt op momenten van crisis. De zaak raakt in het ongerede, de betrokkenen vallen terug op primitievere, minder gecultiveerde en beschaafde gedragsvormen, en tenslotte zelfs in oeroude bijna instinctieve acties.

De crisis in de Europese gemeenschap scheurde het idee van gemeenschap en onderlinge solidariteit aan flarden, dat toch al niet veel meer was dan de dekmantel van een Europese bovenlaag, een Brussels ambtenarenbeslag, en een Eurofiele gelovige achterban. In het heetst van de strijd was het verkeer tussen Europese staten en staatslieden niet zoveel anders dan dat van autocratische stamhoofden in tribale Arabische samenlevingen.

Een tweede ingang is om te gaan letten op wat er niet gezegd wordt, wat er niet staat, waarover gezwegen wordt, of waarover plotseling gegevens ontbreken. Dat zijn de betekenisvolle stiltes en leegtes.

Ik heb nog geen idee of het mij ook maar enigzins gaat lukken om het Rekenboek, het oudste archief van de Broederschap, volgens historici ook het eerste document in Nederland überhaupt dat op een papyrusrol werd geschreven, aan dit régime te onderwerpen en daarmee iets wezenlijk nieuws bloot te leggen.

◊◊◊

Na een uitgebreide lezing en herlezing van het Rekeningenboek van de Clerckenbroederschap is dit de inspiratie waarmee ik denk de data tot spreken te kunnen krijgen.

Voorde liefhebbers en mede-onderzoekers moet ik hierna een intermezzo inlassen, waarin ik aangeef hoe uit een behoorlijk ongeregelde, duistere en niet erg toegankelijke waslijst van op het eerste oog schrikbarend onbegrijpelijke rekeningenposten een fatsoenlijk databestand denk te kunnen bouwen.

Uit:

Ad Teulings, Op de Rol, 2012