Lieve Vrouwe Broederschap: Onze Eersteling, Bertoldus van Megen

℘℘℘℘℘℘

De aanvraag voor de instelling van een Lieve Vrouwe Broederschap wordt in eerste instantie aan de nieuwe bisschop van ‘s-Hertogenbosch voorgelegd, en die geeft in 1316 zijn goedkeuring, mede op grond van de goede berichten die hem van meerdere kanten bereiken over hun activiteiten, zoals de zorg voor een Mariakapel mogelijk door hen aangekocht rond 1280, in de eerste, de romaanse Sint Janskerk – op het hertogsleen de Pepers in het hartje van Orthen-, die al rond 1250 in gebruik wordt genomen.

℘℘℘℘℘℘

De kous is daarmee nog niet af. De Bossche prelaat is onderhorig aan de Bisschop van Luik, die vervolgens moet worden aangesproken en overtuigd. Daarom wordt nog eens goed bekeken naar de bewoordingen die nu het beste voor dit verzoek op hoger niveau in de kerkelijke hiërarchie kunnen worden gebruikt.

℘℘℘℘℘℘

Het is in het Bossche bisdom bekend voor welke zaken men in Luik gevoelig is en wat de punten zijn waarvoor Luik voor dit initiatief lof mag verwachten van de Romeinse Curie, want uiteindelijk zal ook dat station moeten worden aangedaan.  In 1318 geeft Luik zijn toestemming.

℘℘℘℘℘℘

Dat jaar wordt nu geboekstaafd als het jaar van oprichting. Het jaar 2018 is daarom een jubileumjaar.

In 1318 ligt dus het begin. Maar informeel zijn er al eerder de leden van de Broeder-schap, een behoorlijke groep, waarschijnlijk al een jaar of tien in actie. Mogelijk met de bouw en bediening van een Mariakapel in deze bescheiden romaanse kerk.

℘℘℘℘℘℘

Wie zijn het, de Broeders van het eerste uur? Eerst vanaf 1329-1330 zijn de jaarreke-ningen bekend waaruit we ook de namen van de intredende en vertrekkende leden kunnen vinden. Intrede is voor het leven, het jaar van overlijden markeert het vertrek. De betaling van een intredegeld komt op schrift te staan, en vervolgens van het doodsgeld.

℘℘℘℘℘℘

Er komen in 1330 vijf nieuwe leden bij; er moeten dan al zo’n 20 leden actief zijn geweest wier namen mogelijk voor altijd onbekend zullen blijven:

  1. Bertoldus van Meghen,
  2. twee anderen,
  3. ‘wier namen thans uitgewischt zijn’ en
  4. Johannes de Cnode;
  5. Henricus Prick

Jan en Hendrik worden tesamen genoemd: ‘Johannes de Enode de introitu suo et pro Henrico Pric’.

Het is een schraal begin maar ik ga desondanks bekijken wat dit aan informatie en inzicht oplevert.

De Middeleeuwse Stad

℘℘℘℘℘℘

Bertholdus van Meghen

Bertoldus van Megen is opgenomen in het omvangrijke gedenkboek van de hand van Dr Lucas van Dijck, Van Vroomheid naar Vriendschap, 2012, p. 529 (hierna in verwijzing VV529). Zijn vermelding is niet vanzelfsprekend. De auteur beoogt niet volledig te zijn. In 2012 behoort volledigheid nog niet tot de mogelijkheden.

℘℘℘℘℘℘

Bertholdus overlijdt in 1350. We mogen aannemen dat hij rond 1330, zoals te doen gebruikelijk, op 30-jarige leeftijd is ingetreden, dus geboren is rond 1300. Meer dan een jaar van overlijden levert dit nog niet op. Van Dijck maakt nog melding van twee andere Lieve Vrouwe Broeders van Megen, Joannes die overlijdt in 1408 (VV295) en Wilhelmus blijkt overleden in 1459.

℘℘℘℘℘℘

Dit drietal staat niet in een directe vader, zoon, kleinzoon relatie tot elkaar, maar zij moeten wel nauwe verwanten zijn geweest. In deze periode komt de naam van Megen veelvuldig voor. Maar het zijn geen verwanten van elkaar en zij zijn afkomstig uit een grote verscheidenheid van sociale geledingen. Van hoog tot laag.

℘℘℘℘℘℘

Uit de rijke verzameling genealogiefragmenten kies ik die ene waarin de drie voornamen regelmatig voorkomen, en zo lukt het toch om een aansluitend stamboomfragment samen te stellen. In déze familie wordt de naam Bertholdus, de Latijnse variant van het Vlaamse Berthout uitsluitend als voornaam gebruikt.

Er is ook nog een grote familie waar de naam Berthout versteend is tot een achternaam. Die kan ik laten vallen.

Een derde reden tot enige zorgvuldigheid is de achternaam van Megen. Soms gebruikt om duidelijk te maken dat het gaat om een familie die uit de buurtschap Megen bij Oss afkomstig is. De oorspronkelijke familienaam wordt ons dan onthouden.

Dan is kom ik nog een reeks van Megens tegen aan wie deze naam is toegevallen omdat ze enkele jaren een publieke functie in Megen hebben uitgeoefend. Een pastoor van Megen, de parochie.  Een schout of schepen. En tenslotte zijn er dan nog de leden van een familie, aan wie bij vererving het graafschap van Megen toevalt. Ook daar maakt het namenregister hinkstap-sprongen.

De drieslag van voornamen Berthout, Jan en Willem, terugkerend in een aantal losse fragmenten, blijkt mijn enige houvast.

Ook dit schrijf ik zo gedetailleerd op omdat ik vrees over enige tijd te zijn vergeten wat hier ook weer het prangende probleem is geweest, en hoe mijn oplossing tot stand komt. Rijp voor opname in mijn Grote Vergeetboek dus.

℘℘℘℘℘℘

Voornoemde Broeder Johannes van Meghen overlijdt in 1408 (VV529), Hij  wordt vermeld als filius dominus Models cq Moedel. Geen vermelding van intrede of geboortedatum. Ik stel zijn geboorte voorlopig op 1348, en geef hem zo de leeftijd van 60 jaar, de modale leeftijd in dit tijdperk. Dan moet ik het jaar van zijn intrede, eveneens volgens de modale waarde, stellen op 1378. Hij is ‘dominus‘, dus een priesterzoon, want ridders komen in zijn kringen niet voor. Geen adel. Zijn vader moet ook Broeder zijn geweest, ook al wordt die in de ledenlijst van de Broederschap niet genoemd. Of in elk geval niet onder die naam.

℘℘℘℘℘℘

Maar wie is heer Model? Model is een vrouwennaam (Wendelmodis), dus hij noemt zich mogelijk naar zijn moeder. Dat kan verstandig zijn, bijvoorbeeld als de vader twee maal getrouwd is. De naamgevingen in die tijd zijn uiterst pragmatisch. Zij dienen de noodzaak tot identificatie, maar dan met name ook de noodzaak om onmiddellijk te kunnen wie erfgerechtigd is jegens wie. Daarover mogen zeker geen misverstanden bestaan.

℘℘℘℘℘℘

Er is nog nauwelijks een bestuurlijke administratie van welke aard dan ook. De naam van iemand, hij kristalliseert zich geleidelijk uit. Na een eerste erfdeling waarbij de betrokkene als individu als wettelijk erfgerechtigd wordt beschouwt is een ijkpunt. De naam die hij dan opgeeft – en hij heeft verschillende keuzemogelijkheden – komt voorlopig vast te liggen. Beslissend is de naam zoals die erkenning vindt in de naaste omgeving, Zij moeten het een handzame naam vinden. Johannes kan een Jannes of een Hannes worden. Hoe dat uitpakt, daar heeft hij meestal weinig over te zeggen. En die naam vormt dan het enige rechtszekere paspoort.

℘℘℘℘℘℘

De feodale maatschappelijke orde heeft uitsluitend het vermogensrecht, het bezit, als zijn materiële grondslag. We zien diezelfde aanpak als het gaat om de identificatie en erfoed. Er zijn geen huisnummer, dus de locatie van een huis wordt aangegeven door de belenders te noemen, ter linker en ter rechterzijde, de buren tegenover en de buren van achter. De locatie van een perceel landbouwgrond gebeurt precies zo. Die locatiebepaling, zo wordt het geregistreerd, dat is de de vorm van het laatmiddeleeuwse kadaster.

℘℘℘℘℘℘

Broeder Johannes Bertholdus. Ik stel vast: Broeder Johannes is een fil. nat., een natuurlijke zoon, wat nogmaals bevestigt dat zijn vader een priester is. Broeder Jan zelf trouwt waarschijnlijk twee maal, van Dijck geeft de namen (VV529). Ik kom daar later op terug.

℘℘℘℘℘℘

En dan vind ik, onverwacht, bij van Dijck (VV91) een Broeder Theodericus Bertholdus van Megen, een Heer Dirk (Theodericus), want hij is kanunnik in het kapittel van Oirschot. Kanunnik en kapitteldeken, dat is dus een man van gezag, uit de betere kringen, een latinist die vervolgens nog een theologiestudie in Leuven achter de rug heeft en zo een invloedrijke positie verwerft.

In het Obituarium van de Broederschap wordt hij per abuis, het blijkt een transciptiefout, Theodericus Berwouts genoemd. Er is een omvangrijke familie Berwouts, zo kon het gebeuren. Transciptieproblemen, ze komen regelmatig voor.

℘℘℘℘℘℘

En zo blijft het geduldig puzzelwerk. Heer Theodericus Berthouts van Megen heeft een broer die Goeswinus gezegd Moedel wordt genoemd. Het is dus hun beider vader Berthout van Megen die met een Moedel getrouwd is. Uit dit huwelijk tenslotte ook nog een zuster Hadewig geboren.

℘℘℘℘℘℘

Hadewig Bertholdus van Megen. Deze Hadewig is voor mij interessant, want zij trouwt met een Broeder Hendrik Hendrik van Uden (geb rond 1330). Hij zou een kleinzoon van Gerard Ludolf kunnen zijn. En dat is de Broeder Gerard Ludolf van Uden, een welvarend lakenkoopman (1267-1327) die in de geschiedenis van de Broederschap formeel als diens Stichter wordt beschouwd. (VV768). Hij zou sinds 1297, wanneer hij als president van de Bossche Schepenbank aantreedt actief kunnen zijn geweest in de Broederschap, nog voordat deze een formele status binnen de kerkelijke gezagsver-houdingen heft verworven. Er is dan ook al een relatie van de Schepenbank met de Tafel van de H. Geest die de jaarlijkse brooduitdeling van de stadsarmen op zich neemt, op kosten van de Schepenbank. Een zaak die later door de leden van de Broederschap wordt bekostigd. Maar is er voldoende reden om hem in persoon als diens Stichter aan te wijzen? Ik weet het zo net niet.

℘℘℘℘℘℘

Het is waarschijnlijker dat Gerard van Uden als president schepen, in functie, een besluit met die strekking heeft bezegeld.

Het zijn niet zijn tijdgenoten die hem als Stichter aanwijzen. Het is al eind 19e eeuw wanneer men in ‘s-Hertogenbosch op zoek gaat naar een persoon die als Stichter kan worden bestempeld. Vanzelfsprekend, een persoon. Een naam voor een borstbeeld.

Maar we leven dan al in het tijdperk van een uitgesproken, en zwaar bevochten  individualisme. Een levensbeschouwing die in 1318 eenvoudigweg voltrekt onbekend is. Nog niet uitgevonden. Geen haan die er naar kraaide. Misschien moeten we er genoegen mee nemen om als oorsprong het collectief van de Schepenbank aanwijzen. Of, desnoods, de corporatie van van invloedrijke Bossche lakencopers die daar dan de toon aangeeft.

De Middeleeuwse Stad

℘℘℘℘℘℘

In elk geval, de voorgaande nogal gedétailleerde beschouwing, een heel gedoe, lijkt tenslotte op te leveren wat ik hiermee hoopte te bereiken: een indicatie van de maatschappelijke positie van mijn eersteling, Broeder Bertholdus van Megen : graaf, locale adel, of rijke koopman. Ik lees als voorlopige uitkomst het laatste, zie hem als een welvarende Bossche lakenkoopman.

Ik heb nog éen ingang over waarlangs ik deze conclusie kan toetsen. Broeder Bertoldus is in elk geval getrouwd met een Katherijn Goessen Moedel, de echtgenote waaraan bijvoorbeeld de zoon Gozewijn zijn naam en alias ontleent: Gooswijn Moedel Bertholdus.

Deze is erfsecretaris van Maasland, éen van de vier gewesten van de Meierij van ‘s-Hertogenbosch, en hij woont dus in de gewest-hoofdtad Oirschot. Hij schrijft zich in 1378, tesamen met zijn vrouw Gheerborghen uit de Bossche lakencopers-familie van Vladeracken in als lid van de Broederschap.

℘℘℘℘℘℘

De boven-regionaal georiënteerde lakenkopers zijn echte ondernemers. Zij onderhouden een vast locaal netwerk van wevers, scheerders, lakenbereiders en meer, ambachtslieden.  Zij halen hun wol ook uit Antwerpen en Engeland. En verkopen het kamgaren eindproduct weer op verschillende jaarmarkten in het buitenland. Zij hebben zich een dominante positie in het locale machtsapparaat verworven.

Vanaf de instelling van de allereerste Schepenbank van de stad wordt hen het recht op vijf zetels in de raad toegekend. De harnasmakers, op hun terrein óok boven-regionaal werkzaam, ook met een lokaal netwerk van gespecialiseerde ambachtelijke toeleveranciers, zijn de enigen aan wie ook zo’n hertogelijk privilege wordt toegekend, maar dan veel bescheidener. Voor hen zijn sinds de oprichting van de raad maar twee vaste zetels beschikbaar. Dat weerspiegelt de feitelijke situatie. Er zijn in de stad vijf onderscheiden lakenkopers-families, tegen maar twee ondernemers in het harnasmakersbedrijf.

Ik noteer terzijde, voor mijn Grote Vergeetboek, dat zo ook de eerste, de alleroudste families, stamvaders, mijn ‘Bossche Knarren‘ kunnen worden geidentificeerd.

℘℘℘℘℘℘

Nog een open leiddraad. Over de naam Moedel heb ik eerder opgemerkt dat dit een vrouwennaam is. Op zichzelf niet onjuist, maar op mijn Katharijn Goessen blijkt dit niet zozeer van toepassing: Moedel is haar achternaam, een hele reeks van haar voorouders dragen die naam, in verschillende schrijfvarianten. En pas een heel eind opklimmend,  naar zijn overgrootmoeder, komen we bij moeder met de voornaam Moedel (Wendelmodis, Wendelmoed). Zij moet over een aanzienlijk erfgoed beschikt hebben, zodat het bij navolgende erfdelingen duidelijk bleef wie tot de erfgerechtigden behoorden en wie (uit een voorafgaand of volgend huwelijk) niet.

Ga ik nog even de antecedenten van Katherina zelf na, dan blijken haar vader en grootvader lakenkopers.

En daarmee is deze kous voorlopig af: Met de allereeste intreder van de Broederschap van wie een naam bekend is, Bertholdus van Megen, afkomstig uit het gelijknamige gehucht bij Oss, drukt de machtige corporatie van Bossche lakencopers zijn significant stempel op het ontstaan van deze godvruchtige instelling.

℘℘℘℘℘℘

Bij wijze van finale. Voor mijn Grote Vergeetboek leg ik vast dat naast Katherina nog drie broers en een zuster worden genoemd. Ik tref ze aan onder de naam van Sceepstal (een erfgoed) bij dr Lucas van Dijck, (VV678).

Broeder Dominus Johannes Goessen Moedel, alias van Sceepstal (1330-1391), is pastoor te Helvoirt. De pastoor, zo laat van Dijck ons weten heeft zes kinderen bij niet minder dan vier verschillende vrouwen: Willem, Hendrik, Rover (Rutgherus), Jan, Arnoud (Aert), en Christina (Christien).

Hier is natuurlijk alle aanleiding om problemen te verwachten als het bij zijn overlijden op een erfdeling aankomt. Het kan niet anders of de kinderen en kleinkinderen zullen dit in hun benaming tot uitdrukking willen brengen, beter gezegd, moeten brengen.

℘℘℘℘℘℘

De Middeleeuwse Stad