Graven in het Lijfrenteboek. Op zoek naar Goeswina Dirc Eijmbert Toelincx, sartoris, 1546

OSA *1311 (2): Ingrosseerrekening 1544-1545.

Nieuwe losrenten.

Gezocht

“Goeswina dochter van Dirc zoon van Eijmbert Toelincx en van Margriet dochter van wijlen Wouter van Lijth, 9 jaar. Lijfrente van 6 Carolusgulden. 7 augustus 1546.
 Het beheer berust Margriet.”

 

Gegeven

  • dochter Goeswina Dirc Eijmbert Toelincx ( June 1537- 7 augustus 1546)
  • vader Dirc Eijmbert (about 1507 – about 1577)
  • grootvader Eijmbert (about 1477 – about 1537)
  • moeder Margriet Wouter van Lijth (about 1507 – about 1577)
  • grootvader van moederszijde Wouter van Lijth (about 1477 – about 1537)

Gevonden

In mijn werkbestand vind ik maar éen kandidaat die voldoet aan deze lijst van kenmerken.

℘℘℘℘℘℘

In de greep van de pest

Goeswina is afkomstig uit een familie van welgestelde lakenkopers. Zij wordt ook wel Gooske, Goesken of Jooske genoemd. Met als familienaam Toelinck, Toelinc of Tolincx. Die laatste schrijfwijze verwijst den ik naar een verwantschap met de Antwerpse Tolincx-tak. Haar geboortejaar is bekend. Zij overlijdt kort na 1608 op 71-jarige leeftijd en wordt begraven in de Sint Janskerk, bijgezet in het graf van haar vader Dirc. Deze komt in 1560 te overlijden aan de pest die vanaf 1557 heerst in de stad en in drie jaar meer dan 1500 burgers tot slachtoffer maakt.

℘℘℘℘℘℘

Van Minderbroeder naar Galgenveld

In de kring van de Minderbroeders, de Franciscanen in het klooster aan de Pensmarkt (vlak bij de Jodenpoort) is er inmiddels, zoals op veel plaatsen in de stad, veel beroering. Het zijn belezen lieden en er groeit sympathie voor de Hervormers, en enkele broeders, waaronder een Albert van Kampen weten grote faam te verwerven als redenaar en hagepreker. Van Kampen wordt tenslotte Gereformeerd predikant en kort daarop naar de brandstapel op het Galgenveld geleid.

℘℘℘℘℘℘

Het Wilt Vercken van Dirc

Aan de kloosterpoort wordt enkele malen week brood uitgedeeld voor, naar verluidt,  wel vier- tot vijfhonderd man. Dat roept veel ergernis op De Kanunniken in het Kapittel van de Sint Jan, door de bevolking gezien als vermogende en goed doorvoede lieden, tekenen bij het stadsbestuur protest aan. En vinden gehoor. En dat alles vindt zo ongeveer aan de voordeur van het gezin van Dirc Eijmbert Toelincx plaats. Deze bezit en bewoont het stenen hoekhuis Het Wilt Vercken aan de Zijle, even voorbij dat andere bastion van de familie Toelinck, Het Verguld Harnas. Met om de hoek het beruchte convent van de Minderbroeders.

℘℘℘℘℘℘

Protegé van het Patriciaat

In 1579 volgt haar intrede in de Lieve Vrouwe Broederschap. Zij is dan wel meerderjarig, 22 jaar, maar zou pas als dertigjarige zelfstandig kunnen intreden. Dit impliceert dat zij in 1579 of kort daarvoor in het huwelijk treedt met Jan Floris Peter de Cort, uit een traditioneel, vaak van vader op zoon overgedragen Bossche priestergeslacht. Dit huwelijk, zo blijkt uit mijn werkbestand, wordt rond 1560 te zijn voltrokken. Jan Floris is dan dertig jaar, de leeftijd waarop een intrede in de Broederschap voor mannen mogelijk wordt, plaatsvindt. Zowel van vaders- en moederszijde, als van de kant van haar echtgenoot is Goeswina dus een protegé van het Bossche lakenkopers patriciaat.

℘℘℘℘℘℘

Sartoris, en de geëmancipeerde vrouw

Na het overlijden van Goeswina wordt dit huwelijk van Jan Floris Peter door een tweede huwelijk, ditmaal met een Aleijdis Romboldi, sartoris, alias Aelken Herman Rombouts opgevolgd. Ik kan haar in mijn werkbestand na veel studie identificeren als meer dan een patroniem, als een telg uit het zeer oude lakenkopers geslacht van Osch, alias de Os. Zij kan, al opklimmend worden gevolgd tot aan een stamvader in de tijd van de stichting van ‘s-Hertogenbosch. Een Founding Father ofwel, in mijn fraseologie, een echte Bossche Knar. Dus opnieuw, zoals bij Goeswina Toelincx, een echtgenoot afkomstig uit een gevestigde lakenkopers familie.

℘℘℘℘℘℘

De import van Predikanten

Zoals bij Goeswina wordt ook deze bij Aleijdis, onmiddellijk achter hun patroniem, het beroep ‘sartoris‘ opgegeven: lakensnijder. In de families van Bossche lakenkopers is dat zeer vaak het geval. De vrouw werkt mee, maar in een vaste arbeidsverdeling. De man reist de markten af, in Keulen, Antwerpen, Kopenhagen (Skane alias Schonen, Malmö), of zelfs over het Kanaal in Zuid Engeland, waar zich, op al die plaatsen een kleine Brabantse kooplieden-natie bevindt.Leveranciers van wol en laken, maar wat later ook van voormalige monniken, nu Predikanten van de Reformed Church.

℘℘℘℘℘℘

En ‘s-nachts klossen de weefgetouwen

De vrouw geeft leiding aan de Bossche lakenindustrie. Die kent geen fabriekshallen. Het is een bloeiende huisnijverheid. In veel huisgezinnen staat in de enige kamer die een wevershuisje groot is een weefgetouw en daar wordt dag en nacht gewerkt. Gezinnen met veel kinderen. Zij verdienen een schamel loon. Het zijn deze weversknechten die in de beide Beeldenstormen die kort na elkaar over de stad razen het voortouw nemen.

℘℘℘℘℘℘

Kapitaal en Arbeid. Handen ineen

Onderzoekers uit de jaren zeventig schrijven over deze eruptie wel opgetogen dat hier van een eerste echte klassenstrijd gesproken mag worden. Dat wordt weersproken door de observaties uit alledaagse kronieken van die tijd. Ondernemers roepen hun knechten op om zich met geweld een toegang te verschaffen tot de Roomse kerken en kloosters om zo hun bijdrage te leveren aan de verspreiding van de Nieuwe Religie, de Calvinisten, Wederdopers, en een ‘harde kern’ van de Gereformeerde Synode.

℘℘℘℘℘℘

Het Bossche Loodje

Het Bossche lakengilde heeft een tiental keurmeesters in dienst die de kwaliteit van de grondstoffen en de lakens controleren, en vervolgens het eindproduct van het Bossche Zegel voorzien.

Het is van essentieel belang dat de vrouw des huizes als sartoris ook lid is van de Lieve Vrouwe Broederschap.  In dat gezelschap heerst niet alleen de vroomheid en gezang maar worden tussentijds ook de laatste lakenplooien gladgestreken.

℘℘℘℘℘℘

Het Bossche Corporatisme

Het lakenambacht heeft, zoals het ambacht van de harnasmakers, het recht zelf zijn huisregels op te stellen. Zij zijn in deze niet  ondergeschikt aan de lokale Schepenbank, nog aan het hertogelijk Hof, de Raad van Brabant. Zij kunnen daarom worden gezien als prototype van een corporatieve publiekrechtelijke organisatie. Een mengvorm van private en publieke regelgeving.

Het lakenambacht is de maatschappelijke groepering die al vanaf de stichting van de stad rond 1170 letterlijk de lakens uitdeelt.

℘℘℘℘℘℘

Het lokale Plutocratie

De lakenkopers, de bovenregionaal georiënteerde ondernemers verkrijgen net zoals de harnasmakers een uniek hertogelijk privilege. De beschikking over een aantal vaste plaatsen in het college van Schepenen en Raadsheren. De lakenkopers komen zo op het kussen van zes van de veertien raadszetels. De harnasmakers, lees de Tolincx of Toelincx, over twee. Tezamen vormen deze twee ondernemerspartijen, voorzover zij een gesloten front kunnen maken, over een krappe meerderheid.

℘℘℘℘℘℘

Een wisselend autocratisch bewind

Het stelsel valt in duigen als de Spanjaarden met hun autocratisch bewind aan het bescheiden Bossche corporatisme een einde maken. Maar ook het bewind van de Nieuwe Bataafse Republiek is op dit punt al even autocratisch ingesteld. Het behoeft niet te verwonderen dat het Bossche stadsbestuur, aangestuurd door de de plutocraten van de internationale lakenhandel – als we dit grote woord even mogen laten vallen – op het hoogtepunt van de tachtigjarige oorlog niet meer weten hoe ze moeten beslissen welke strijdende partij hun steun verdient. Het maakt hen niet zoveel uit of je nu door de hond of de kat gebeten wordt.

 

℘℘℘℘℘℘