Cornelis Theulings heeft dit geschreven, Den 19 November 1756

img_0038

ΩΩΩ

Dit behoeft nauwelijks een transcriptie. Duidelijk genoeg. Schoonschrift. Maar, dit is een ordinair huiswerkschrift. Het is schoonschrift zonder functie, neergepend, zo lijkt mij, omdat het zo lekker is om zoiets te doen. Zeker als er daarnaast ook nog gerekend moet worden. Want naar zijn inhoud is dit een rekenschrift.

Het sommetje bovenaan de pagina is een vermenigvuldiging. Het laat zich raden welke twee getallen vermenigvuldigd zijn. Als illustratie op te vatten? Nee, ik heb een dik schrift voor mij, een vuistdik boekwerk, met een perkamenten omslag. Verdroogd, kromgetrokken. Om het te openen moet je twee leren veters ontwarren. Zelfde materiaal als de omslag. Rendierhuid denk ik. Waar gingen de Bossche Oostzeevaarders destijds naar toe? Naar Kaliningrad? Ik zoek dat allemaal nog wel eens uit. Want, bij dit soort zaken, van het een komt het ander. Je moet het geluk een kans geven, dan lacht het je toe, met een onverwachte surprise achter de hand.

ΩΩΩ

Cornelis had geen zin om ergens halverwege zijn schrift naar een lege pagina te zoeken. Gemakzucht, dat is wat we hier in moeten onderkennen. Het schoonschrift is lustvol uitgepend, maar niet met een hogere opdracht. Wat gekladder, op de volgende pagina’s is het miet anders. Deugd en Ondeugd ineen. Zo wil ik die Cornelis ook wel voor mij zien. Kunst und Kladderadatsch. 

ΩΩΩ

Dit boek. Ik ben er niet naar op zoek geweest. Ik wist niet dat het bestond. Een hoofd vol vermoedens, maar deze zat er niet bij. Geluk dus. Het boek is mij, dank zij mijn nijvere arbeid, op een dag in de schoot geworpen. Erfgenamen van de familie die ergens na 1906 het pand van de Fa. C.A. Teulings heeft opgekocht. Met de bedoeling op die plek, een complex van een stuk of acht laatmiddeleeuwse bouwwerken, een glanzend nieuw bedrijf neer te zetten. Na de koop heeft het meerdere jaren onaangeroerd gestaan. Dit boek is uit de boedel gered. Het heeft meerdere leenheren gekend. Rechts boven in de hoek staan hun namen. Uitgevlakt. Tot tenslotte ook de derde naam werd uitgevlakt. Dan zijn we drie generaties verder. Zeg maar, in 2010 – het jaar waarin mijn vader werd geboren. Heeft hij het ooit onder ogen gehad? Ik denk het niet.

ΩΩΩ

Spijtig. Een spijtige geschiedenis. Want de Cornelis wiens schrift ik hier bewonder, de eerste keer dat ik het zie, en besef wat ik hier zie, kan ik een traantje wegpinken. Dit schrijft mijn, en dus ook zijn, directe voorvader. Twee nazaten van Cornelis befaamd om hun prachtige, heldere hand van schrijven. Ik mag er de mijne aan toevoegen. Ze hebben het niet van een vreemde. In mijn tak kruipen er genen in de handen.

ΩΩΩ

Een medeparochiaan, na de laatste Mis, voorbijlopend aan de serre waar mijn ouders klaar zitten om af en toe een hand op te steken, wordt vaak door mijn vader binnen gewenkt, voor een borrel en een praatje. En een partijtje schaak.

Vijftig jaar Baas in de  trijpweverij,  dus vrijwel doof. Kapotte longen van het stof. Maar een allervriendelijkste man waar geluk van af straalt. Indringende ogen.

Hij klopt vaak zelf aan. ‘Jos, jij kunt zo mooi schrijven, er moet een brief de deur uit, wil jij dat voor mij doen? Daar gaat Jos even goed voor zitten. Er wordt gedicteerd. Als Jos klaar is wordt er gelezen. ‘Wat kun jij toch prachtig schrijven, Jos! Dan pinkt er een traan. Hij kijkt naar mij. ‘Jij hebt een bijzondere vader, weet je dat? Ik denk er over na. Zover hoeft hij nu ook weer niet te gaan.

En er is een moment waarop hij aan Jos – met een scheve blik op mij, uitlegt, wat die allang weet. Hij kan niet schrijven, maar hij kan ook niet lezen. In zijn tijd, in Twente – dat moet rond 1900 zijn geweest – ging je als achtjarige als werken in de fabriek. Een stuiver per week. Er was geen geld. Om de Baas te zijn over een hal van 400 man, daar had je dat ook niet voor nodig.

ΩΩΩ

Cornelis Theulings

Hoort desen syver boek, tot

Al die heme vint, geeft

Het hem weder, al wie

Het niet en doet bit voor elke letter, een

Wesgegroet, dit heeft Cornelus

Theulings heeft dit geschreven

Den 19 November 1756

ΩΩΩ

Voor de rest van mijn leven zal ik elke avond voor het slapen door de knieën moeten gaan om deze erfschuld in te lossen. Ik vrees dat er nog wat jaren in het Vage Vuur, daar ergens in het duister tussen hemel en aarde, bij zullen komen.

ΩΩΩ

Cornelis. Hij is in 1756 11 jaar. De eerste klas van de Fransche school in ‘s-Hertogenbosch. Zijn Nederlandse taalbeheersing is, naar hedendaagse maatstaven, nog voor enige verbetering vatbaar. Maar zijn rekenvaardigheden die op de volgende pagina’s in beeld komen, die laten in niets te wensen over. Foutloos. Een koopman in de dop. Hoewel, als ik de sierlijkheid van de enorme staartdelingen bewust wordt. Met die jongen is meer aan de hand.

ΩΩΩ