Van Clerckengilde tot Lieve Vrouwe Broederschap

Nederlands: Brabants Historisch Informatie Cen...

In het jaar 1318 verkrijgt een nieuw, en tot dan volstrekt onbekend ambachtsgilde, zich noemende de Clerckenbroederschap te ‘s-Hertogenbosch formeel erkenning van de bisschop van Luik, Adolf van der Marck.  De akte is hem waarschijnlijk aangereikt door een rondreizende diplomatieke vertegenwoordiger, de aartsdiaken van Kempenland Neapoleo de filius Ursi.

Dat is de tweede ondertekenaar, een romeins prelaat, verbonden aan het aartsbisdom Keulen.

Een derde actor is een invloedrijke edelman, met wortels in dit deel van Brabant, die als dienstman en vertrouweling werkzaam is aan het hof van de hertog in Brussel. Deze Wilhelmus van den Bossche [de Busco], is voor zijn diensten ondermeer beloond met een beneficium als titulair pastoor van de vrije kerk van Orthen, de moederkerk van een dan nog Romaanse Sint Jan in ‘s-Hertogenbosch, waaraan ook bescheiden inkomsten verbonden zijn.

Het domein Orthen is een oud Frankisch vrijdom, waarvan al in de 8e eeuw wordt gerept. Het is nog niet zo lang geleden in het bezit gekomen van de hertog van Brabant. Op dit domein, met zijn strategische ligging in een Maasdelta, werkt hij vanaf 1270-80 aan een project waarmee hij hoopt een nieuwe Hertogsstad, een novo oppidum,  tot ontwikkeling te brengen.

Wie de aanvragers zijn geweest voor deze erkenning is onbekend. Geen van de drie ondertekenaars komt daarvoor in aanmerking. Het aantal clerken in ‘s-Hertogenbosch is zeker groeiende, maar nog zeer bescheiden.

De drie belangrijkste potestas in dit gebied komen dus tot een vergelijk, over iets wat toch eigenlijk een vrij onbeduidend voorval zou moeten zijn. Het heeft waarschijnlijk de nodige voeten in de aarde gehad. In een vergelijkbaar geval in het zuiden van Brabant kostte het meer dan 20 jaar voordat een erkenning afkwam.

Het ontstaan van deze clerkenbroederschap moet van wat  oudere datum geweest zijn. Tussen ontstaan en formele erkenning van gilden kunnen decennia zijn voorbijgegaan, en de vorming van deze broederschap zou dan vallen  in de tijd dat ook andere ambachtsgilden in ‘s-Hertogenbosch zich aandienden, zo rond 1280 of al eerder. De rekeningen van de Broederschap, die vanaf 1330 jaarlijks worden vastgelegd kunnen mij daar mogelijk uitsluitsel over geven.

De St. Janskerk heeft al een kapelaansbroederschap waarin de hoger gewijde kerkdienaren zich verenigden. Deze zijn belast met de uitvoering van alle priesterlijke werkzaamheden, in dienst van welgestelde stand van geestelijken die veelal als absentee owners van het ambt optreden en hieruit alleen de inkomsten trekken. Erg scherp loopt die scheiding overigens niet.

In de nieuwe clerckenbroederschap verenigen zich de seculiere clerici. Zij die zich niet tot het priesterambt geroepen voelen, die niet in loondienst van een welgestelde presbyter willen treden, of zij die eerst willen trouwen en een gezin stichten voordat zij tot een leven als priester willen besluiten.

De clerici zijn de meest geletterden, de hoogst opgeleiden in deze laat-middeleeuwse samenleving, De eerste fase van hun opleiding vind meestal plaats aan een Kapittelschool, aan een stedelijke onderwijsinstelling die onder jurisdictie staat van de schepenbank, of ook bij een wereldlijke orde, waarvan er dan in ‘s-Hertogenbosch al meerdere zijn.

Op de weg naar het priesterschap liggen zeven wijdingen in het verschiet. Vier lagere en drie hogere. De lagere, achtereenvolgens die van ostarius, lector, exorcist en acoliet veplichten niet tot een celibatair leven. Hierna kan men een beroep vinden als schrijver, illustrator, klerk, notarius, koorzanger, organist, of ook gewoon als koopman door het leven gaan.

In Brabant, zoals in heel Europa, is het een tijd van verstatelijking, verstedelijking, centralisering en bureaucratisering. Die ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door, en bevordert op zijn beurt, een zeer sterke groei van het aantal ambtenaren zowel aan het hof van vorsten en adelijke heren, als bij het stedelijke en gewestelijke bestuursapparaat.

In de steden groeit het aantal seculiere, niet aan een celibaat gebonden, en voor hun inkomen niet van de kerk afhankelijke clerici sterk. Hun belangen verschillen aanzienlijk van de hoger gewijde priesters, en de kerkelijke instituties bieden geen goede basis voor de behartiging van hun belangen. Naar het voorbeeld van de ambachten en kooplieden ontstaan de clerkengilden waarvan het Bossche gilde een vroeg voorbeeld is. Deze corporatieve vorm van zelforganisatie wordt in kerkelijke kring met de nodige argwaan gevolgd. Niet in het minst omdat het ook gaat om een collectiviteit van sociale stijgers, die buiten de hierachische structuren van de kerk om, en mede dank zij de het vrije stedelijke burgerschap, een eigenstandige maatschappelijke positie weet te veroveren. Uit het milieu van deze buitenbeentjes, een nieuwe meritocratie, zijn in Zuid-Europa al de nodige ketterijen voortgekomen.

Formele instemming en toezicht van het kerkelijk gezag wordt noodzakelijk geacht en de broeders moeten onder meer met de hand op de Schrift trouw zweren aan het kerkelijk gezag. Door zich tevens onder het patronaat van een heilige te stellen, en in ‘s-Hertogenbosch is dat niemand minder dan de Maagd Maria, kan twijfel aan hun loyaliteit worden bezworen. De overgang van een adels- naar een volks-katholicisme die al een eeuw of meer aan de gang is, heeft ook een Maria-cultus opgeleverd waarvan de waarde door de kerk snel is onderkend.

Geruststellend is ook dat priesters met hogere wijdingen lid kunnen worden van de broederschap, al spelen zij in dit gezelschap geen dominerende rol. Het zijn – als ik het goed zie – vrijwel uitsluitend de getrouwde, in concubinaat levende of anderszins  met natuurlijke zonen en dochters begiftigde priesters die in deze Broederschap een thuishaven vinden. Het is vooral daardoor dat zich in dit milieu een unieke ontwikkeling voordoet. Vrouwen worden al na enkele decennia zonder veel slag of stoot toegelaten tot deze Clerkenbroederschap. Ook, misschien zelfs juist, vrouwen die een relatie met een priester van hogere wijding hebben onderhouden, of de natuurlijke dochters uit een dergelijke relatie, en daarvan zijn er vele. Een aantal jaren geleden maakte ik melding van het verschijnsel van de Brabantse priesterkasten, waarin het priesterambacht over meerdere generaties van vader op zoon werd overgedragen. Een flink aantal namen van die priesterfamilies kom ik tegen in de kringen van de Broederschap.

Een paar maal wordt in de kring van de broederschap een heftige discussie gevoerd over de vraag of aan gewijde priesters die een relatie onderhouden  waaruit  natuurlijke kinderen voortkomen de toegang moet worden geweigerd. Het mag, zeker in deze tijd, als een opluchting worden ervaren als we dan mogen lezen dat de leden van de Broederschap bij meerderheid besluit om hen geen belemmeringen in de weg te leggen.

De broederschap lijkt dus, tenminste in de eerste eeuwen van haar bestaan, een progressieve organisatie. Een de unieke ontwikkeling , en opnieuw, naar het mij voorkomt, maar ik wil kijken of ik mijn eerste indrukken met harde feiten kan onderbouwen. Een interessante vraag lijkt mij ook of de toenemende devotie rondom Maria, die met verloop van tijd grote vormen aanneemt, juist door de aanwezigheid van zoveel vrouwen in de broederschap wordt geïnspireerd.

Los van die vraag is het zo dat de Mariaverering de broederschap geen windeieren legt. Er kunnen veel aflaten verdiend worden, en als de grenzen van de groei op dit punt bereikt lijken te zijn worden naast de vier al bestaande, twee nieuwe Maria-vieringen ingevoerd, waardoor de Bossche kathedraal een leidende positie kan innemen op de Noord-Europese aflatenmarkt. Maar opnieuw. na twaalf jaar rondgelopen te hebben met impressies waarvoor ik steeds meer aanwijzingen meende te zien is het tijd om wat meer empirisch te werk te gaan. De hoogste tijd misschien, want als bij dope vergeven Maria-kindje weet ik dat de Moeder Gods mij niet eeuwig in bescherming zal nemen.

Alle Brabantse auteurs die zich met de geschiedenis van deze Clerckenbroederschap, later, de Lieve Vrouwe Broederschap hebben beziggehouden, plaatsen deze in een krans van opkomende volkse vroomheid en toewijding aan de kerk. Dat lijkt mij op een misverstand te berusten. Vroomheid en calculatie, belangenbehariging, daarin is in de late Middeleeuwen geen streng onderscheid te maken. De rituelen rond de Mariaverering bestaan niet zonder de verwachting dat daar vanuit de hemel iets tegenover kan worden gesteld, waarvan nog bij leven kan worden genoten.

Het gezag van de kerk in de nieuwe steden, de novo oppidi zoals ‘s-Hertogenbosch, is rond 1300 nog allerminst vanzelfsprekend. De bisschoppen en kardinalen zijn ver weg, in Keulen, luik en Utrecht, en vooral, zij hebben wel andere, meer wereldse zaken aan hun hoofd. In feite brengt het aanhouden van formele, maar zwakke banden met de kerkvorsten voor de gildeleden  het voordeel dat zij zich daarmee ook relatief onafhankelijk kunnen maken van de stedelijke bestuurlijke elite en van het hertogelijk gezagsapparaat.

Een typerend kenmerk van deze corporatieve organisatie is dat zij hun collectieve belangen tot gelding kunnen brengen door te balanceren tussen de machtige instituties van kerk en staat en in die kwaliteit over meer vrijheid en zelfstandigheid beschikken dan enig ander ambachtsgilde. Deze balancing act is wel vergelijkbaar met het spel dat ooit door de naoorlogse vakbonden kon worden gespeeld in de driehoeksverhouding met werkgeversorganisaties en centrale overheden.

Zo kan het, op momenten dat de kerk aan invloed op het gilde lijkt te verliezen gebeuren dat aan de broederschap een nieuwe bevoegdheid wordt verleend tot het verlenen van aflaten. Deze vorm van patronage blijkt bijzonder effectief. Een anderhalve eeuw later is de concurrentie-positie van de Broederschap op de Noord-Europese aflatenmarkt vrijwel onaantastbaar. Van heinde en verre melden zich buitenleden. Met als gevolg dat de inkomsten uit intredegelden en doodschulden over de jaren heen een meer dan gestage groei laten zien.

Ook het patronage-systeem,  het spel van geven en nemen zoals dat tussen de Brabantse stadsbesturen en hun leenheer, de hertog van Brabant wordt gespeeld is natuurlijk niet aan de corporatieve gilde-organisaties ontgaan. De Hertog heeft regelmatig fondsen nodig om ten strijde te kunnen trekken, en moet dan ook een beroep doen op de inkomsten van de steden, zo niet ook op de strijdbare mannen. Deze Beden worden verhoord in ruil voor uitbreiding van stadsprivileges, tol- en andere vrijheiden.

Op de langere termijn stelt dit het stadsbestuur in staat meer economische groei te genereren, de welvaart van haar kooplieden, ambachten en burgers te bevorderen. meer stabiliteit in het patroon van inkomsten en uitgaven tot stand te brengen, en zo ook weer meer stedelijke belastinginkomsten te genereren. Een meestal onvoorzien en ook onbedoeld sluitstuk van dit proces is dat daarmee – tenminste voor enige tijd – ook de macht van de stad tegenover het hof van de hertog wordt versterkt. Maar patronage is een spel van twee partijen, en er zijn veel momenten waarop de altijd indrukwekkender heerschappij van de hertog het aflegt tegen de blote macht van de steden. En verkregen privileges blijken dan in een handomdraai door de heersende partij teniet gedaan. Driehoeksverhoudingen leveren meer duurzame opbrengsten.

De Bossche Clerkenbroederschap die later bekend komt te staan als de Maria- of Lieve Vrouwe Broederschap, en nog later als de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap. Veranderd meermalen van karakter, structuur en doelstellingen. Vóor 1628 is het Illustre uitsluitend een eretitel van de Maagd Maria zelve.

Na de verovering van ‘s-Hertogenbosch in dat jaar wordt de Broederschap op een geheel nieuwe leest geschoeid. Statutair gaat dan de helft van de leden van de Broederschap bestaan uit gezworen Calvinisten. En de andere helft zijn dan nog wel papen, naar geen gezworen papen. De Maagd Maria wordt afgeschaft. Het Illustre wil men graag behouden, en slaat naar unaniem besluit van de leden vanaf dat moment op een unieke kwaliteit van henzelf, een onderscheidend merkteken van een nieuwe, naar sociale stijging strevende stedelijke middenklasse.

In het vakgebied waarin ik vele jaren werkzaam was zou dit als een wel zeer helder voorbeeld van organisational goal-displacement kunnen gelden. Vasthouden aan de oude doelstellingen zou betekenen dat deze stante pede moet worden opgeheven. Maar de organisatie is dan misschien al langer een doel-in-zichzelf  geworden. Een nieuwe doelstelling hoeft nauwelijks bedacht te worden. De organisatie is er om er te zijn. Van Dijck (1973) benoemt deze nieuwe broederschap pijnlijk treffend als de Sociëteit van Optimaten. Enkele decennia later, in 2012,  – als ware het een Rotary Club – een vereniging tot onderlinge vriendschap.

De eerste Clerkenbroederschap van 1318 daarentegen heeft, net als de ambachtsgilden in die dagen, een aantal voor die tijd opmerkelijke democratische, en emancipatorische  kenmerken. De leden kiezen jaarlijks zelf hun bestuur, bij meerderheid van stemmen. Bij de ambachten zijn dat de twee dekens, bij de klerkenbroederschap de twee proosten of provisoren. Nieuwe leden worden voorgedragen door een of meer zittende leden, om dan ook bij meerderheid van stemmen te worden toegelaten. Men beheert en controleert zelf inkomsten, uitgaven, en opbrengsten uit bezittingen, en is daarvoor niet aan derden verantwoording verschuldigd, noch aan de kerkelijke instituties, noch aan het stads- of landsbestuur.

Mijn belangrijkste bron van onderzoek is het Rekeningenboek van de Lieve Vrouwen Broederschap dat vanaf 1330 biizonder goed is bijgehouden. Ik ben daar nieuwsgierig naar omdat meerdere van mijn voorouders in rechte lijn zich al in de beginperiode als lid hebben ingeschreven, en later ook als gezworen broeders bekend zijn geworden. Behalve dit feit is mij van hen maar zeer weinig bekend. Ik hoop dat het mogelijk is om via deze broederschap wat meer zicht te krijgen op hun sociale omgeving, de netwerken waarin zij verweven waren, en de historische context waarin we hun handel en wandel en in het Bossche leven van die tijd moeten plaatsen.

Sinds kort is veel van het bronnenmateriaal, zij het niet volledig, en helaas vaak in sterk verkorte vorm, op Internet beschikbaar. Het is daarmee toegankelijk voor nadere studie, maar dat wil nog niet zeggen dat die studie gemakkelijk is. Ook in de bronnen zelf zijn de aantekeningen heel summier, minder dan een regel per post. Het is vaak gissen wie een betaling doet of een uitbetaling verstrekt wordt. Het speuren naar opheldering kost per post al gauw een halve dag werk, en blijft zelfs dan te vaak zonder resultaat. Mij bekruipt voortdurend het gevoel dat dit alweer zo’n project wordt dat veel te veel tijd gaat kosten, waardoor ik andere boeiende stories te lang moet laten rusten. Mijn eerste opdracht aan mijzelf is om te zien of ik er, met een eerste steekproef, wat kan opdiepen dat naar meer smaakt.

Uit: Ad Teulings, Op de rol, 01, aug 2012

Bronnen:

Oldewelt, W.F.H., 1925, Rekeningen van de Illustere Lieve vrouwe Broederschap, 1330-1375, PGKW ‘s-Hertogenbosch, ex libris @at;

van Dijck, G.C.M, 1973, RU Utrecht, prschr, ex libris @at;

Peeters, C. 1985, de Sint Janskathedraal te ‘s-Hertogenbosch, ‘s-Gravenhage, 1985, ex libris @at;

de Bruijn, M.W.J., 2012, Hereditario Iure – in enen erfrecht. In: van Genabeek, R., e.a. (Red.), Putten uit het Bossche verleden, Alphen, 2012, ex libris @at

van Dijck, G.C.M., 2012, Van vroomheid naar vriendschap, 2012, ex libris @at.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s