Denkwereld, Concentratie, Focus – Het is 25 oktober 1449.

Birgittijnen

Wat doet een mens zoal op een dag? Zojuist stootte ik op mijn bureau een vol glas melk om. Concentratie, volledige onderdompeling in mijn denkwereld, dat is wat mijn werk nodig heeft, met mijn blik gefocust op een boek van 492 pagina’s voor mij. Op de ene bladzijde, waar ik nu al een groot deel van de avond mee bezig ben.

Het boek ligt half opgericht op een houten leesplank. Mooi ambachtelijk werk, zo’n licht beukenhouten staander. Oogafstand veertig centimeter. Want luister, de spullen moeten wel goed voor mekaar zijn als ik werk. Ergens links van mij staat dat glas melk nu al een half uur te wachten. Ik maak een grijpbeweging. zonder op te kijken. Ravage.

Dank zij die plank is op mijn pagina 280/281 geen melk gemorst. De melk vloeit van de tafel naar de ruimte onder mijn linker MAC-scherm. Over de Volkskrant, die daar ligt omdat ik – straks – nog even een stukje wilde schrijven over die bizarre Voetnoot van Arnon Grunberg. Die krant ligt er al sinds Dinsdag. Maar nu, de melkboer is mij voor geweest. Verder uitmelken van Grunbergs overwegen lijkt mij overbodig geworden. Ik werp mij tevreden op de grond, met mijn papierrol.

Het boek is van 1963, en inclusief de exemplaren in de universitaire bibliotheken zijn er in Nederland maar 10 in de omloop. Het wordt nergens uitgeleend. En ook niet gekopieerd. Er is geen e-book versie. Er zijn geen pdf’s gemaakt. Ik heb een flinke uitgave moeten doen om dit juweel van een uitgave in bezit te krijgen. Inmiddels staan er al heel wat dunne potloodstreepjes. Ik vermoed dat ik mijzelf zo duidelijk wil maken dat het mij bij de aanschaf gaat om de inhoud, niet om het wereldlijk bezit.

Dit kostelijk leesvoer blijft gespaard. Tegenwoordig beschouw ik zulke gebeurtenissen als kleine wonderen. Mijn uur van de waarheid nadert, ik heb het nog ver weg op mijn 81e levensjaar gesteld, naar het voorbeeld van mijn vader, grootvader en overgrootvader, en dan worden kleine tekenen van een goddelijke voorzienigheid direct opgemerkt en als gerechtigheid ervaren.

Het uitblijven van straf is altijd een exclusieve vorm van beloning geweest. Vooral als beloning en straf onwerelds zijn, en geheel binnen de betekenis-wereld van mijn zelfbewustzijn worden voltrokken.
En tenslotte, de Heer mag het weten, het is een beetje monnikenwerk wat ik nu doe.

Het boek dat nu voorligt alsof ik staande een college ga geven, is geschreven door een echte monnik. Geen wijding of kruinschering, maar enkel toewijding en liefde voor het vak heeft hem daartoe aangezet: de Bossche archivaris en historisch onderzoeker H.J.M. van Rooij.

Ik ben bezig met deel II, maar het bestaat uit drie delen. Het is het Oud-archief van het Groot-Ziekengasthuis van ‘s-Hertogenbosch, gesticht op 30 maart 1274. In 1776 wordt het in een andere context voortgezet. De echte geschiedenis, vijfhonderd jaar, is daarmee ten einde.

Het tweede deel is de Regestenlijst. Het bevat 1776 overeenkomsten van schenkingen en bezitsoverdrachten die in deze vijf eeuwen zijn voltrokken.

In het Latijn; na het verscheiden van het Ancien Regime in toenemende mate ook in het Oud-Nederlands. Op half versleten rollen perkament en aangevreten archiefpapier.

Van Rooij begon aan in 1913 en werkte daar ook na zijn pensionering, elke dag aan door. In 1963 kwam het gereed. Kort daarna, in April 1964, overleed hij op 77-jarige leeftijd. Met recht zijn levenswerk. Een monnikenleven.

Het Regest dat deze week mijn aandacht heeft, nummer 1036 dateert van 1449 oktober 25.

2016-01-09_08-58-54

Het betreft – ik volg de transparante transcriptie van archivaris van Rooij -de uitvoering van een testament van wijlen Petrus de Corter. Er zijn drie executeurs aangewezen door de overledene: Goeswinus Toelinc, Bernardus Hugen en Arnoldus Coelborner. Zij voeren de wil van de testateur uit, waarin is vastgelegd dat een erfcijns wordt overgedragen aan het convent van Sint Geertrui in ‘s-Hertogenbosch. Denkelijk namens dit convent neemt Lambertus van Doernen, zoon van Chrispianus deze schenking aan.

Het zijn namen die ik vaker ben tegengekomen. Zij maken deel uit van het Bossche regentschap. Dat is een soort zelfbesturend netwerk, waarin publieke maatschappelijke functies door private personen worden uitgeoefend, zaken die sinds de Franse revolutie geheel in overheidsorganen door ambtenaren in dienstverband worden afgewikkeld. Ik volg die private actoren met hun grote public spirit in zekere bewondering

De genoemde zijn geen ambtenaren, maar notabelen, geschikt en dan altijd gereed voor een publieke zaak. De plaats van handeling is in request 1036 de stedelijke Schepenkamer, en volgens de wet zijn twee van de zeven schepenen aanwezig, niet om ook hun politieke invloed uit te oefenen, maar om het Regest te formeel bezegelen en zo rechtsgeldigheid jegens derden te geven.

Het perkament krijgt het zegel aangehangen van Giselbertus Haeck en Rodolphus die Bever. Ook hun namen ben ik al meermalen tegengekomen.

Rodolf de Bever komt uit een patriciërsgeslacht, dat al vanaf de stichting van de
stad op allerlei terreinen van het maatschappelijk leven een rol speelt. In elke generatie zien we tenminste een lid van deze familie in de schepenbanken.

Deze Rodolf vind ik behalve als schepen, ook terug als provisor van het zeer invloedrijke en selecte gezelschap van de Lieve Vrouwe Broederschap, de enige lokale en regionale organisatie waar men – rond zijn dertigste – gekozen wordt voor het leven. Naast aandacht voor het onderhouden van de Maria-devotie is er ruimte voor een vorm van regionale senaatsactiviteit, de al even subtiele regie van een huwelijksmarkt, met name om de vele priesterkinderen op hun juiste bestemming te brengen.

Arnoud Coelborner, het is tijdrovend, maar met volharding, een vrolijkmakende puzzel om zijn spoor terug te vinden. Net zoals er drie of vier Rodolf die Bever’s in aanmerking komen als executeur testamentair, zijn er ook meerdere Coelborners te vinden met de voornaam Arnoldus die in dit tijdsinterval een rol zouden kunnen hebben gespeeld.

We komen uit bij de jurist Mr Arnt Coelborner, geboren rond 1410 en overleden voor 1472. Ook een oud locaal patriciersgeslacht. Natuurlijk ook met regelmaat terug te vinden in de schepenbanken.

Natuurlijk ook lid van de Lieve Vrouwe Broederschap, waar iedereen iedereen kent en polst voor de openvallend maatschappelijke en politieke functies. Dat is – in onze ogen – een bijzonder systeem. Deze zetels komen vrijwel overal na een of twee jaar weer vrij, maar de bezetters als collectief vormen een soliede en vaak ook degelijk gezelschap. In belangrijke mate gerekruteerd uit de kring der Broederschap.

Voor Arnt Coelborner is de route korter. Hij is getrouwd met Margriete Vulllinc, en zij is de weduwe van Ghijsbrecht Toelinc. Toelinc! Het kan niet anders of Goeswinus Toelinc, het derde lid van de executeurs, kan niet ver uit de buurt zijn.

Ghijsbrecht is een telg uit de Teulings stam (dan geschreven als Tolinc of Toelinc) die ook al bij de stichting van de stad ‘s-Hertogenbosch rond 1265 paraat staan. Ghijsbrecht is huydecoper en leerlooier, koopman op Antwerpen en mogelijk ook Riga (voor pelzen), met een ambachtelijk bedrijf voor de leerverwerking. Hij is van de jaargang 1420-1477.

Ghijsbrecht en Gozewijn zijn neven. Maar ook Gozewijn was korte tijd. stadsbestuurder en blijft daarna in contact als raadsheer. En natuurlijk is hij toegetreden tot de Lieve Vrouwe Broederschap. In zijn tak van de familie domineren de harnasmakers, die ook al, vanaf de eerste uren van de stichting van de stad aanwezig zijn en nodig blijken.

Niet alleen ridders, maar ook burgers trekken geijzerd ten strijd. Het voltallige smedengilde rijdt te paard en draagr een harnas. De overigen een maliënkolder. En in elk geval een ketel op het hoofd, maar dat is het werk van de ketelmakers.

Een harnasmakerij is een voor die tijd vrij groot bedrijf met wel twintig of dertig fijnsnmeden. Het ijzer wordt geplet tot dunne platen tussen een aantal walsen die door een watermolen worden aangedreven. De bekendste prestatie van dit Toelinck bedrijf is het vervaardigen van een met goudplaat verguld harnas. In opdracht van de hertog van Brabant die dit aan de hertog van Gelre ten geschenke geeft.

‘s-Hertogenbosch kent nog steeds een straatje waar de Dieze stroom overkluisd is, en daar genoeg verval had om waterkracht op te wekken. De plek heet ook vandaag nog Het Verguld Harnas.

Ook bij de andere in dit regest is een verhaal te ontdekken. Dat heeft mij nog wel de nodige tijd gekost.

De overledene, Petrus de Corter kan ik nu identificeren als Peter de Gorter. C en G zijn in manuscripten soms niet te onderscheiden, zoals trouwens ook de T en de C.
Peter de Gorter is natuurlijk ook een lid van de Lieve Vrouwe Broederschap. Hij is samen met zijn vrouw Alijt Troijaerts en zijn broer Tielman de stichter van het klooster van Sinte Gertruijden bij de Brusselse Poort in de Orthenstraat. In eerste instantie lieten zij voor acht monniken ieder een eigen woning bouwen met daarnaast een gezamelijke kapel.
Daarna vond een uitbreiding plaats voor zes Augustinessen en vier ‘gewielde’ zusters, Birgittijnessen die zich niet alleen door hun opvallende hoofdtooi wisten te onderscheiden.

Het was heren en dames van goede komaf. Het individuele wonen rond een gezamenlijke kapel is dan ook een sociale innovatie van de eerste orde. Er was durf voor nodig. En macht en invloed op de achterhand.

Het project maakte het mogelijk om een moeizaam verlopen huwelijk af te sluiten met een scheiding via intrede in deze orde, met een eigen woninkje, aan de mannenkant, of aan de vrouwenkant. En, aan de Orthenstraat, daar woonde je toch niet in de eenzaamheid. Het volle leven is om de hoek.

Bernardus Hughen, dat blijkt tenslotte maar om éen persoon te kunnen gaan, Bernard Hughen van den Wiel, voorheen schepen van Heusden, maar overgekomen naar ‘s-Hertogenbosch. Hij en zijn vrouw Liesbeth van Hemert, beiden afkomstig uit oude families van regionale adel, doen al kort na hun huwelijk afstand van een deel van hun bezittingen, bestemd voor de stichting van nieuwe kloosters.

Anders dan we nu gewend zijn te denken, zorgen die instellingen niet voor meer rigiditeit, maar juist diversiteit. De Lieve Vrouwe Broederschap die het mogelijk maakt dat priesters een metgezel hebben waarmee een gezin kan worden gevormd.
Een bastaard verliest niet zijn erfrecht en zijn maatschappelijke kansen want er is in de Broederschap een collectief dat deze functie overneemt. Zoals ook het vinden van een partner zonder het status- en positieverlies dat normaliter van bastaardij gepaard gaat.

De kloostergemeenschappen van de Brigitijnen doen naar hun vorm en functie denken aan de woon- en leefcollectieven die in de jaren zeventig in studenten-steden opbloeiden. Het moet ook, zo rond 1449, een dynamische en opgewekte tijd zijn geweest.

Bernard Hughen is samen met Goeswinus Toelinc, ook een rijk man geworden, ook verrijkt met een veelzijdig maatschappelijk leven, meermalen actief als executeur testamentair voor testamenten waarbij opvallend royale schenkingen aan religieuze instellingen worden gedaan.

De grote giften hebben natuurlijk gevolgen voor de naaste familie en directe verwanten. Leuk is anders. Maar het statuur van de executeurs en de verheven doelstelling van de giften laat weinig ruimte voor verzet of wrok. En natuurlijk, voor het zielenheil van de beteuterden kan nu met veel meer kracht gebeden worden.

Van die dingen, daar wil ik nog wel meer van weten. Deo volente heb ik daar nog royaal de tijd voor. Overigens, wat is tijd als als door deze vijfhonderd dichtbedrukte pagina’s blader? Eén enkel regest vraagt al dagen studie. Ik heb genoeg stof om net als die archivaris van Rooij vijftig jaar zoet te brengen. Met het speuren naar verbanden, contouren, structuren, dynamische processen, alledaagsheden, verdwazingen, en de zeven zaligheden.