11 Lapin Étuvée à la Grand-Mère

◊◊◊

We eten met zijn allen in de keuken van Opa en Oma. “Vandaag is het gestoofd konijn” kondigt Oma Gertrud aan. Ze tilt een deksel op en de heerlijkste geuren vullen een behaaglijk warme keuken. „Gestoofde kat!” fluistert mijn vader in het oor van mijn moeder. Mijn Opa ziet hem argwanend aan.

“We halen er even een lekker flesje wijn bij” bast hij. “Wat denk je van een Chateauneuf du Pâpe, Jos?”

Dat lijkt Jos Jr een heel goed idee.  Samen begeven zij zich op weg naar de diepe kelders. Het gefluister is mij niet ontgaan.

Oma is dol op katten, er kruipen er altijd wel een of twee op haar schoot. Om haar stoel scharrelen dan nog een paar anderen, wachtend op hun beurt. Als we wat langer in de keuken zitten en onze ogen zich hebben aangepast aan het bescheiden lamplicht ontdekken we er meer. Onder het fornuis, in een grote mand, nog een grote mand, onder de kast, en ook daar bovenop zien we oplichtende kattenogen. Zij krijgen als eerste hun eten in de bijkeuken. Daar hebben zich nog meer katten genesteld, in allerlei behuizingen.

“Meine Kinder, Mein Schätzchen” roept mijn grootmoeder. Haar voertaal met de katten is kennelijk het Duits, en de bijkeuken haar Klein-Pruissen. “Schau doch mal, wie schön diese ist”. Wij knikken. Wij komen van vlakbij de Duitse grens, en hebben in Hengelo al de nodige Duitse dienstmeisjes versleten.  Het kost geen grote moeite haar betoog te volgen. Ja, mooie katten, schatjes ook, wel een boel.

“Aan tafel!” roept Oma nog een keer, als de heren zuchtend met elk een fles rode wijn terugkeren uit de ondergrondse gewelven. Over de Chateau zijn ze het kennelijk niet helemaal eens geworden. Wij zitten al aan tafel en kijken verwachtingsvol in het rond.

“Twee konijnen!” glundert Oma. “Jullie zijn hier tenslotte niet iedere week”. Mijn vader wil ons weer wat gaan toefluisteren. “Jos!” roept mijn moeder.

“Gedraag je!” vullen wij in gedachten aan. Het zou wel weer eens zo’n chaotische Teulings maaltijd kunnen worden.

“Wie mag ik een boutje opdienen?” vraagt Oma en pakt het bord van mijn oudste broer. “Alsjeblieft Jos!”.

“Hier zit nog een Jos” zegt mijn vader. Gedraagt hij zich nu of is het tot hem doorgedrongen dat er misschien maar vier boutjes te verdelen zijn? “Eerst Jos senior” corrigeert Oma. En Opa houdt tevreden zijn bord bij.

“Jij wilt zeker ook wel een boutje?” vraagt ze, maar kijkt nu nadrukkelijk naar mijn moeder. De spanning stijgt. De spoeling wordt dun.

“Jos!” Mijn vader veert op. “Wil jij een boutje of een voorpootje?” Ze heeft hem toch nog even in de tang. “Een boutje graag” zegt hij. “Ik heb trek gekregen”. Mijn grootvader begrijpt dat hier iemand hardhandig een lesje word geleerd en schenkt snel het wijnglas van zijn zoon vol. “Proef eens!”. Ze proeven en knikken elkaar tevreden toe. Er is nog geen man overboord.

En er werd verder rondgedeeld. En op een of ander manier tovert oma wat later nog een mooie tweede ronde uit de braadpan. Er lijken wel zes pootjes in de pan te zitten.  En het ís lekker. Zelfs de spuitjes zijn lekker. En de rode kool. En de gepofte aardappels.

“Mooie aardappels” roemt mijn vader. “Zeeuws Vlaanderen” zegt opa trots. Aardappelen zijn al generaties lang een issue in deze familie van kenners, meer dan zoiets als de herkomst en kwaliteit van de wijn.

“Opperdoezen! Dat zijn de beste. Moeilijk aan te komen hier”.

“In Twente ook al niet” meldt mijn vader, “maar ik heb daar toch een paar mooie rassen kunnen vinden. In de Noordoost polder gepoot. In Friesland uitgezet. De Friezen staan bij ons op Zaterdag gewoon op de markt”. De mannen beginnen het gezellig te krijgen.

Opa duikt nog een tweede keer de gewelven in. „Bossche Pastoorswijn” zegt hij en kijkt zijn zoon veelbetekenend aan, alsof deze fles persoonlijk door hem uit een pastorie is ontvreemd. Pastoors zijn ook een issue in de familie. Niet een bepaalde pastoor, maar het verschijnsel.

Ze schenken in en smakken met hun tong en heffen hun ogen ten hemel. “Goed spul, bevestigt mijn vader, die niet de moeite neemt om ook nog het etiket te bekijken. “Die weten wel wat het goede leven is”. Daar kan Opa volmondig mee instemmen.

Zijn zoon staat op en begeeft zich vrijmoedig op weg naar de braadpan. “Daar past nog wel een klein stukje konijn bij!” laat hij weten.

“Ik ben bang dat we er doorheen zijn Jos”, meldt Oma. “Jullie hebben goed je best gedaan. Ze kijkt tevreden om zich heen. “Het was lekker Oma”, roepen we. Er is een vredige stemming ontstaan maar daaraan lijkt nu een eind te komen.

“Ik zie hier nog wat in de pan!” stelt mijn vader vast.

“Dat zijn de kopjes Jos, die zijn erbij gedaan voor de smaak. Mijn vader draait zich om. “Wil er iemand een kopje?” Er zijn geen liefhebbers.

“Zonde om ze niet even op te peuzelen”.

Hij keert aan tafel terug met drie konijnenkopjes en begin aan een ontleding.  Elk onderdeel word zorgvuldig afgekloven en daarna in de juiste volgorde op de rand van het bord gelegd. Af en toe laat hij zien hoe de delen aan elkaar passen en vertelt hoe ze genoemd worden. “Ik had eigenlijk dokter willen worden”.

“Gelukkig is het daar niet van gekomen, Jos” zegt Opa, en brengt daarmee een algemeen gevoelen onder woorden.

Ondertussen lijkt deze Jos innig te genieten van de muizehapjes. “Heerlijk!” Hij kijkt glunderend naar Oma Gertrud die het gevoel heeft dat haar nu een beetje een hak wordt gezet. Dat vind ik trouwens ook. Maar bij genieten hoort ook wat theater en een publiek.

“De tongetjes zijn het lekkerst” merkt hij op terwijl wij aandachtig blijven toekijken. “En de hersentjes natuurlijk, klein maar fijn”. Hij biedt zijn vader een gevuld hersenpannetje aan maar die acht het wijzer dat minzaam af te slaan.

Het word hoog tijd voor de griesmeelpudding met vanille en bitterkoekjes, die buiten op een muurtje staat af te koelen. Even wordt gevreesd dat het poezenvolk zich op ons nagerecht heeft gestort. Maar de wraakzucht is hen vreemd.

Dan is het tijd mijn kermisbed op te zoeken. Ik wordt met bed en al onder de vleugel geschoven zodat ouders en grootouders nog even met een glaasje Köpke of een korenwijntje in de zitkamer kunnen napraten. Maar mijn nieuwsgierigheid is op en ik val direct in slaap.

Uit: Op de Groei

Bilbao, Arriaga, El Arenal, sept 2012

Annales 11

Kattenvlees heb ik nog éen maal gegeten rond 1980. Gelukzalig op eenzame fietstocht in de omgeving van Hangzhou, China. Aangemoedigd door een ontwapenende gastvrijheid, gaf ik mij ook over aan hond, aap, slang, eendenvoet, krekel, bullepees en andere animata.  Met uitzondering van een geroosterde bullepees die ver over mijn bord reikte vond ik het allemaal even smakelijk. De 24 knapperig krakende eendenvoetjes waren wat veel voor mijn doen.

Desgevraagd laat een van mijn Chinese studenten weten dat dit alles nog steeds op het menu staat. Maar uit een verwesterse middenklasse gaan stemmen op waarin op een verbod word aangedrongen. Een traditioneel feestelijk gerecht met Nieuwjaar is Tijger en Draak, een melée van gestoofd en geroosterd katten- en slangenvlees. In zijn omgeving bevinden zich de hondenboerderijen, zoals bij ons de varkenshouders.

Ook in New York en London kun je nog voor hond en kat terecht, en worden deze dieren voor het vlees gekweekt in de Chinese gemeenschap.  In de meeste Zuid-Amerikaanse landen is het eten van kattenvlees niet ongewoon. In Italië kende men in de jaren zestig nog het gerecht gatto in umido. 

Aan het eind van de tweede wereldoorlog is – zo blijkt uit dagboeken – in eigen land het eten van vlees van hond of kat niet ongebruikelijk als aanvulling op een karig menu.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s