02 De Raketfabriek

Ik zal een jaar of tien geweest zijn toen mijn aandacht zich richtte op de stapels bestofte dozen met filmrolletjes, hoog in  een kast naast de schuifdeuren. De negatieven hadden het nooit tot een plek in een fotoalbum gebracht. Het waren er vele honderden, de eersten al uit de tijd dat mijn ouders elkaar hadden leren kennen in ’s-Hertogenbosch. Tot aan mijn geboorte waren er foto’s van hen beiden, en daarnaast veel landschappen en stadsgezichten.

Rolletjes zonder afbeeldingen van personen nam ik in beslag. Zij waren de onmisbare grondstof voor mijn V2-project. Uit de leegstaande hal van Eerste Hengelosche Stoom Katoenspinnerij, die ook de laatste zou blijken te zijn, had ik zakken vol kartonnen spoelen verzameld. Regelmatige strooptochten met de gebroertjes Roorda naar de afvalhopen op het fabrieksterrein van de Heemaf (Hengelo’sch Eerste Electrische Machine Fabriek), waar wij een kleine privé-ingang in het hoge hekwerk hadden geknipt, stelden mij in het bezit van een paar dozen ‘Interessante Spullen’. Voor beiden had ik nog geen bestemming gevonden. Een van mijn bezoeken aan de Hollandsche Signaal Apparaten Fabriek waar mijn vader vuurleidingapparatuur en doelzoekende raketkoppen verkocht aan de Marine en andere Nato-partners, waaronder Duitsland en Argentinië, gaf de inspiratie. Ondernemerschap is zoeken naar nieuwe combinaties. Out-of-the-Box.

Zo begon ik, achter onze schuur, buiten het zicht van mijn moeder, met de bouw van de Eerste Hengelosche Raketinstallatie Fabriek. Mijn vader had ons ooit eens de vernietigende kracht van een lucifer in combinatie met opgesloten celluloid getoond, dus ook in raketbrandstof was voorzien. De constructie was in een paar uur voltooid, en ik joeg met kloppend hart mijn eerste geweldadige en rookspugende spoelen het luchtruim in. Het ontbreken van vuurleiding apparatuur bleek een probleem, en de buren kwamen al snel bij mijn moeder hun beklag doen. Met behulp van de drie socialistische jongetjes Roorda, mijn vaste compagnons voor gewaagde en duistere zaken, werd de installatie verplaatst naar een droge sloot achter de Heilig Hartkerk, wat ook niet zonder risico was want het was een in hout opgetrokken met asphaltpapier bedekt noodgebouw, achtergelaten door onze Engelse bevrijders. Met vier manschappen onder de wapens raakte de voorraad celluloid in de kast van mijn vader snel op. De Maagd Maria verhoorde mijn gebeden, en ik zag onze parochiekerk niet in vlammen opgaan.

Ik kon vrij lang als massavernietiger van unieke familiedocumenten onopgemerkt mijn gang gaan. Maar de dag kwam waarop mijn vader vanaf een eetkamerstoel bij de kast zich omkeerde.

“Jezus, Jozef, Maria!” Dit was alarmfase Rood. “Waar zijn al mijn filmrolletjes gebleven?” “Mien!”

Mijn moeder had mijn wangedrag niet doorgemeld, en kon zich  medeplichtig voelen, al wist zij niet dat ik na het misbaar van de buren nog eens opnieuw honderdvoudig mijn slag had geslagen. Ik moest haar uit de wind zien te houden.

“Ik heb ze gebruikt” riep ik. In geschrei uitbarsten deed ik al lang niet meer. Ik wist dat ik er goed aan deed de waarheid te vertellen, en niets dan de waarheid.

Maar dan wel omgeven met een batterij van redelijke argumenten. “Ik had ze nodig voor mijn raketfabriek” wierp ik op. De nadere uitleg hielp niet echt.

“Jezus, Maria, Josef”, riep mijn vader “. Is dat kind van jou helemaal knettergek geworden?” Hij rommelde door de vrijwel lege sigarenkisten.

Ik probeerde het opnieuw. “Ik heb eerst gekeken wat erop stond. Ik heb alleen de rolletjes eruit gehaald waar geen mensen op stonden”.

“Goeie God, de mijnheer heeft alleen de rolletjes eruit gehaald waar geen mensen op stonden! Goeie Genade, hoe krijgt hij het voor elkaar! Wist jij dat?” Hij keek naar mijn moeder. Hij kon gemakkelijker stoom afblazen tegen zijn vrouw dan tegen zijn kinderen.

“Ik heb het tegen mama niet verteld”, wierp ik op. Dat was waar, maar ik bleek het nu voor haar alleen maar moeilijker te maken. Haar loyaliteit lag even niet bij mij, maar bij haar onthutste echtgenoot.

“Een buurvrouw belde aan toen hij bezig was” zei ze. “Er kwamen half verbrande raketten in haar tuin terecht”.

“Welke buurvrouw?”

“Die van hierachter”.

Even leek het alsof hij als vakman lichtelijk teleurgesteld werd over het geringe bereik van de raketten van zijn zoon.

“Je gebruikte die rolletjes toch niet” bracht ik in.

“Wie zegt dat?” zei mijn vader, “dat was voor later, als ik er de tijd voor zou krijgen”. Ik proefde dat het onweer begon over te trekken. Er ontstond misschien zoiets als een discussie op basis van argumenten.

“Jezus, Mina!” begon mijn vader weer.

Er kwam nog een laatste overweging bij mij op. “Jos en Jan stonden er niet op” zei ik. Het argument kwam uit de lucht vallen. Het was een absurd argument. We hadden vaker met zijn allen door onze oude foto-albums gebladerd. Er was niemand wat van dien aard opgevallen. Ik vroeg mij onmiddellijk bevreesd af of dit een verdrongen, wat ambivalente verhouding tot mijn oudere broers aan het daglicht zou brengen.

Maar het was zeker: Alle negatieven van mijn eerste jaren stonden ook als positief in de familiealbums. Maar Jos en Jan ontbraken in positief, en ook in negatief, in de eerste jaren van onze familiegeschiedenis. Had ik daar toch de hand in gehad? Het bewijs van hun voor-bestaan met hels vuur het luchtruim ingeschoten?

Het ontging mij niet dat mijn ouders ook in bedachtzaamheid verzonken. Ik begon een inschatting te maken van de straf die mij zou kunnen worden opgelegd. Ze waren allebei niet erg goed in straffen, lieten het graag aan de ander over om een uitspraak te doen, en in de uitvoering ervan waren zij al helemaal niet gekwalificeerd.   In dit geval bleken zij al pragmatisch te zijn overgegaan op de vraag waar de resterende rolletjes nu veilig opgeborgen konden worden.

Dat werd het Geheime Kastje, waarvan alleen mijn moeder de sleutel bezat, een tabernakel in het hart van de rozenhouten Mechelse kast in de eetkamer, opslag van alles dat tot in eeuwigheid bewaard moest blijven, zoals de gouden tientjes met beeltenis van de jonge Wilhelmina, de eerste  voedselbonnen uit de oorlog, de enveloppe met goldilocks, de pijpekrullen die ik als vijfjarige met mij ronddroeg. En de aanwijzingen voor de toepassing van de methode Ogino-Knaus.

Uit mijn brute act van geschiedverderving ontsproot zo de kiem van een Verlichting. Maar het Mysterie van de Sigarendozen werd een snel vergeten raadsel, waarvan niemand om een oplossing vroeg: de eerste negatieven waarop een jongen in beeld kwam die ik herkende als mijn broer Jan dateerden van eind 1943. En nog later, in het winterse voorjaar van 1944 verscheen zo mijn oudste broer Jos.

Tot mijn tiende zou ik het oprecht gezworen hebben, ‘erewoord, hand eraf’, dat ik de jongste was van drie broers, uit de generatie van vóór de oorlog. Dat was historisch juist, al deed het geen recht aan de geschiedenis.

Bilbao, El Arenal, sept 2012

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s