03 De Lieve Vrouwe

Mijn broers en ik hadden bij onze doop allen de naam Maria meegekregen als laatste voornaam.

‘Jullie zijn onze Maria-kindjes’ gaf mijn moeder desgevraagd ten uitleg. ‘Wij hebben voor jullie gebeden in de St-Jan Kathedraal van ’s-Hertogenbosch, voor het Onze-Lieve-Vrouwe Altaar.’ Maria-kindjes gingen nooit verloren, dat wisten we.

Dat altaar kenden we, bij bezoek aan Opa en Oma gingen we langs om ieder een of twee kaarsjes op te steken. Dan werd geknield, kon in het halfduister aan Maria een bescheiden wensje kenbaar gemaakt worden, om af te sluiten met een Weesgegroetje, liefst drie. Maria hield niet van zelfzuchtigheid wisten we, en het was niet eenvoudig om iets te vinden waaruit onze zuivere motieven onmiskenbaar bleken, maar waarbij wij toch ook zelf enige baat zouden hebben.

Rondom het altaar waren er muren waarop de gelovigen ornamenten hadden aangebracht. Maria had hun bede had verhoord, en als middelares bij haar zoon Jezus een goed woordje gedaan. Hiervan werd zo publiek getuigenis afgelegd voorzien van naam van deze dankbare zielen. Mijn vader wist twee verzilverde plaquettes aan te wijzen, een met de naam van mijn overgrootvader en een met die van zijn neef. Zij hadden als Zoeaaf voor de Paus gevochten tegen Garibaldi en het er levend afgebracht.

‘Daar moest hij wel extra voor betalen,’ merkte mijn vader dan op, ‘zonder naam is goedkoper.’ Hij leek niet van zins voor zoiets ooit nog eens in zijn beurs te tasten, terwijl hier toch een mooie familietraditie zou kunnen worden voortgezet.

Er hingen maar weinig naamloze plaatjes aan de muren. Achter deze tekenen van zuiverheid, voor zover binnen handbereik, waren briefjes gestoken met een verzoek aan de Heilige Maagd Maria. Dat was gratis, maar die briefjes werden dan ook na een week weer verwijderd. Waarschijnlijk te snel voor Maria om dit alles op tijd bij haar zoon ter sprake te brengen.

Enkele jaren geleden bladerde ik in een oud boek met getuigenissen uit de 15e eeuw over de wondere genezingen door dezelfde Onze Lieve Vrouwe aan mijn voorouders in genade geschonken. Dat geeft te denken. Zonder de beden van deze voorouders was ik er misschien nooit geweest.

Het verhaal van de jongen in pyjama met broodmes heb ik ooit gepromoveerd tot mijn oudste herinnering. Al lang voordat deze beladen werd met het besef dat ik van zomer 1939 tot zomer 1943 als ‘enig kind’ door het leven was gegaan. Wat daarvoor gebeurde is mij onbekend gebleven. Mijn oudere broers hadden mijn jeugd niet meegemaakt. Over hun eigen jonge jaren heb ik nooit iets gehoord. Mijn ouders lieten het verleden liever rusten. Als we als de drie oudste broers voorbereidingen treffen voor hun 25-jarig huwelijksfeest blijkt voor het eerst in alle duidelijkheid dat onze herinneringen niet gelijk oplopen. We interviewen onze ouders. Mijn moeder probeert een verhaal op ons uit waarmee zij waarschijnlijk ooit een wijsneuzige vriendin had kunnen afwimpelen, maar biedt ten slotte toch een enkele opening.

Mijn vader voegt hier en daar een zin toe en dan grijpt hij in. ‘Hier begrijpen ze toch geen snars van! Wat wil je nou? Ze hebben nog niets van het leven gezien! Ze hebben geen idee wat de crisistijd voor de mensen betekende! Ze weten niets van de oorlog!’

Dat was maar al te waar. ‘We praten er nog wel eens over,’ zegt mijn moeder. Het lijkt ons allemaal een verstandig idee. We hielden niet van oplopende spanningen. En, er stond een feestdag op het spel.

In mijn leven doet, in de loop van september of october 1943, mijn broer Jan zijn intrede. Een half jaar later mijn oudste broer Jos. Alleen van Jos herinner ik mij zijn dramatische opkomst. Het zal eind februari geweest zijn. Er lag een dik pak sneeuw in de tuin en er werd geschaatst op het Tichelt.

Wij zaten aan tafel, de tuindeur zwaaide open en daar stond Oma Utrecht, een strooien koffer met leren riem in de hand. Zij keek om, en er volgde onze broer Jos, met eenzelfde uitrusting. Zij keken naar binnen waar wij half waren opgestaan en hen aanstaarden.

‘Daar zijn ze eindelijk!’, zwaaide mijn moeder. ‘Daar is onze Jos’. We renden naar de keukendeur, mijn vader stapte als eerste naar buiten. ‘Welkom’ zei hij tegen Jos en legde een hand op zijn schouder.

Als ik terug denk aan mijn jonge jaren dienen de thema’s zich moeiteloos aan. En de vraagtekens over wat werkelijkheid was, en wat niet meer dan een poging om uit snippers van een door de tijd verkruimelde papyrusrol een manuscript te ontdekken dat naar hedendaagse opvattingen tot zinvol inzicht leidt.

Mijn herinnering, en waarschijnlijk ook die van mijn oudere broers, kent twee met elkaar strijdig lijkende werkelijkheden. In de ene kom ik de wereld binnen na mijn oudere broers, zoals in elk gezin het geval is. In de andere was ik er het eerst. In elk van beide werelden lachte het geluk mij toe. Zo wil mijn geheugen het, het is niet anders. Ik rolde altijd overal doorheen. ‘Een Zondagskind’ meldde mijn vader tegen zijn kennissen. ‘Een Zondagskind’ liet mijn moeder haar vrouwenclubjes weten. Zij legden de lat voor ons niet al te hoog.

De eerste grote draai om mijn oren kwam pas toen mijn huwelijk uitliep op een scheiding. Ik was toen al in de dertig. ‘Goed zo, het werd onderhand tijd jongen!’ riep ik mijzelf toe, terwijl de tranen rijkelijk vloeiden, en mijn greep op het autostuur gevaarlijk verslapte. ‘Dit heb je nodig, een stevige opdonder, goed voor je karakter.‘

Uit: Op de Groei

Bilbao, El Arenal, sept 2012

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s