Op de Groei 4

4

Het Tuindorp

 

∉∉∉∉∉

Ik word in 1939 geboren in Hengelo. Mijn ouders wonen dan in het Tuindorp in de Strumphelstraat. De economische crisis vertoont pas sinds kort sporen van herstel. De nijvere fabrieksstad is een van de eersten die volop profijt heeft getrokken van de economische opbloei in Duitsland. Vrijwel alle productie in Hengelo, zoals ook in de omringende Twentse fabriekssteden, vindt plaats in opdracht van Duitse ondernemingen, nauw betrokken bij de voorbereidingen tot wat zou uitlopen op een Tweede Wereldoorlog.

Arbeiders zijn er in Twente genoeg, de kaders, bedrijfsleiders, ingenieurs, beambten, en vaklieden moeten van elders worden gehaald. Uit het westen, noorden en zuiden des lands stromen zij binnen, landverhuizers, op zoek naar een betere toekomst. De oude dorpskern van Hengelo is in 1939 al aan alle kanten omringd door immigrantenwijken.

Het Tuindorp is dan een van de eerste initiatieven, een ‘extra-murale’ woonwijk,  naar Engels Quacker voorbeeld gebouwd door de fabrikant C.T. Stork. Een stadspoortje geeft toegang tot een rond met Waalse kasseien bevloerd pleintje, met in het midden het bronzen standbeeld van de Stichter, omgeven door een cirkel van rustieke winkeltjes die schuilgaan achter de bogen van een stenen omloop. Daarnaast het landelijk hotel De Nachtegaal, ontmoetingsplaats van hoge officieren, van heinde en verre. Waalse kasseien vormen ook het onderscheidend kenmerk voor de omliggende straten,  onderkomen van het hoger personeel. Bomen en perken zijn er voor alle straten, van hoog tot laag. Quakers houden van veel groen. En tuintjes, hagen, perkjes, wandelpaden. Huisjes en kleine ‘villa’s’ op elkaar afgestemd en in Marten Toonder stijl. Tom Poes en Ollie B. Bommel, je kunt ze op elk moment tegen het lijf lopen.

Mijn ouders delen zo’n knusse ‘villa’ met een lieve Duitse dame en haar Pekineesje. Ook de Mr. Strumphelstraat is in cobbelstone uitgevoerd, en, zoals alle straten van dit niveau, genoemd naar een inwoner die een meestertitel draagt. Een Mr is dan in Twente een zeldzaam verschijnsel. Het is dus altijd een Mr. Strumphelstraat waar men woont. Zoals we ook een jaar of twee later, bewoners worden van de Mr. P.J. Troelstrastraat op de Hengelosche Esch, een andere buitenwijk.

Immigranten op weg naar de top houden van een fijnmazig maatschappijbeeld, waar zelfs kleine stappen voorwaarts de weg naar de top kunnen bereiden.

Niet alleen plaats, maar ook tijd is sociaal gedifferentieerd. In Tuindorp, zoals overal in de stad, is dat goed te zien. Om zeven uur stappen de arbeiders in hun versleten blauwe overall op de fiets, pet op het hoofd, achterop een blauw blik met boterhammen, aan het stuur een blauw emaillen koffiekan met beugelsluiting. Een kwartier later volgen de fabrieksbazen in vers gestreken blauwe jassen. Daarna vullen de straten zich met de grijze stofjassen van de beambten. Een bescheiden hoedje kan bij hen geen kwaad. Om half negen verschijnt tenslotte het hoger personeel op straat in colbert en met stropdas, eventueel een beige regenjas en een hoed met een brede zwarte band. Zij dragen overschoenen tegen de modder spetters. Ook de fiets heeft spatschermen en een gesloten kettingkast, of tenminste worden de pantalonpijpen voorzien een knijper.

Zoals iedereen die pas om deze tijd vertrekt, draagt ook mijn vader elke dag een door het inwonend Duitse dienstmeisje nieuw gesteven overhemd met dubbele manchetten en een dubbele losse boord, die met ivoren splitpennetjes aan het overhemd is bevestigd, sokophouders met jarretels tot net onder de knie, zilvergrijze, soms zelfs zilveren bandjes boven de ellebogen. Een pochet en een gesteven witte zakdoek. En on top of it een bruine of zwarte gleufhoed. He’s going to make it.

∉∉∉∉∉

Ook dit beeld van een sterk gelede tribale samenleving staat scherp in mijn geheugen gegrift. Het lijkt ook een beetje tijdloos. Tot in de jaren vijftig stapt mijn vader in die wapenrusting op zijn fiets, al heeft hij dan de gewoonte aangenomen om nog net wat later dan alle anderen op pad te gaan. Een privilege dat hij zich wenst te veroorloven.

Ik ben trots op zijn fiets, zo trots en tevreden als mijn vader. Het is een zwaar verchroomde Engelse Raleigh, met Sturmey-Archer versnelling, en een oliebad kettingkast, in 1939 door hem rechtstreeks uit Engeland geïmporteerd. Zijn meest onderscheidend kenmerk is dan dat hij altijd als de man zonder knijpers aan zijn werk kan beginnen.

Op het chromen stuur paste een ook in chroom uitgevoerd Raleigh kinderzitje. Dat is mijn plek in de weekenden en op vakantie. “Bellen!” riep mijn vader regelmatig, want hij is een heer in het verkeer. En ik ben zijn nijvere bell boy.

“Waar is mijn bell boy” roept hij naar mijn moeder als we ergens in het gras gelegen hebben, “We stappen weer eens op”. Ook dat maakte van mij een Zondagskind. Misschien heeft mijn bevrijdingszusje Mirjam nog wel eens op die plaats gezeten. Maar ik geloof van niet. Mijn oudere broers zeker niet. Die zijn geboren zonder fietsgeschiedenis.

∉∉∉∉∉

Het verhaal van mijn geboorte is mij meermalen ter ore gekomen. Op momenten dat mijn vader indruk wil maken op zijn buren of gasten: Er zijn afspraken gemaakt met de vroedvrouw en de huisarts, een paar deuren verder in de Mr Strumphel-straat. De huisarts blijkt niet thuis, de vroedvrouw heeft geen telefoon. Onze Duitse hospes gaat naar haar op zoek, op de fiets. Een paar minuten later word ik geboren. Een onmogelijke tijd. Vroeg in de Zondagochtend. Kortom, een onvervalst Zondagskind.

“Het ging erg vlug”, zegt mijn moeder dan. “Een floepje”. Op aanwijzingen van haar, zij is verpleegster geweest, gaat mijn vader aan de slag. Het opvangen van de nageboorte. Het afbinden en doorknippen van de navelstreng. Het komt omstandig als de vitale mijlpaal in zijn leven, in gezelschap aan de orde. Ik kijk dan met verwondering en aarzeling naar mijn vader. Hij is werktuigbouwkundig ingenieur maar kann, zoals mijn moeder zelden naliet om op te merken, “nog geen spijker in de muur slaan”.

In een tekenfilm over de familie Duck, waar ik later met mijn kinderen graag naar kijk, komt een scene voor waarin eendenkuikens uit hun ei breken, en het eerste het beste dier dat er toevallig bij staat als hun moeder adopteren. Zo vergaat het vader Duck. En zo wordt ik gedoemd tot een opgroeien als het eendenkuiken, dat zijn vader adopteert als ware het zijn tweede moeder.

Mijn vader heeft, naar post moderne maatstaven gemeten, een zeer bescheiden opvatting van de vaderrol. Er is in zijn tijd ook niemand die meer van hem vraagt of verwacht. Mijn hechting aan hem werd niet bepaald door de kwaliteit of omvang van zijn vaderlijke rol prestaties.

Over de hechting aan mijn moeder zou ik niet hetzelfde kunnen zeggen. In haar moederrol is zij allesomvattend aanwezig. Als een joodse mama. Pas enkele jaren geleden kom ik er achter dat in haar matrilineaire lijn, maar een paar generaties terug een echte Italiaanse Mama schuilgaat. Daar is onthechting geen optie. Het zit in haar genen.


Op de Groei, Bilbao, El Arenal, 4 september 2012. Voor mijn lieve Grote Vergeetboek.


Op de Groei, Inhoudsopgave

  1. De krentenboom
  2. De raketfabriek
  3. De Lieve Vrouwe
  4. Het Tuindorp

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.