Op de Groei 6

6

Het vaandel

 

∉∉∉∉∉

Er is iets met artsen. Naar het oordeel van mijn moeder althans, die haar mening bevestigd ziet door de vrouwen in haar omgeving. Onze overbuurman, de huisarts Hustinx, heeft geen enkele patiënt uit onze eigen straat. Mijn moeder heeft daar kijk op want vanuit onze erker kan het bezoek goed worden gevolgd. Ze is ook geïntrigeerd omdat het een katholieke familie betreft, die op Zondag zoals wij en famille ter kerke gaat, maar zich ook dan even in zichzelf gekeerd gedraagt.

“En ze komen toch ook uit ‘s-Hertogenbosch” zegt ze geprikkeld, want zo ga je als Bosschenaars niet met elkaar om, zeker niet in den vreemde. Terwijl vrijwel iedereen in de straat, de heersende mode volgend, een binnenkijk toelaat zijn bij de Hustinx, behalve op Zondag, de vitrages gesloten. “Je zit te veel voor het raam om te kijken wat ze daar uitspoken” zegt mijn vader, als het onderwerp weer eens ter sprake komt.

Hun twee dochters spelen wel eens op straat, maar alleen met elkaar. Zodra wij of andere buurkinderen toenadering zoeken wordt dit door hun moeder opgemerkt en binnengeroepen of ze gaan al uit zichzelf naar binnen. Hoe anders ligt het niet bij de dochters van de familie Brinkmann even verderop, met wie we verstoppertje spelen en die ik af en toe in de bosjes ergens in een voortuin mag knuffelen.

In de prilheid van mijn jeugd heb ik bedacht dat hun moeder vreest dat wij met een van haar dochters, of misschien wel met allebei, zouden gaan trouwen, want trouwen is iets wat je nu eenmaal doet met katholieke buurmeisjes. Maar er zijn rangen en standen. Wij hebben geen auto zoals hun vader, en daarom vrees ik, worden zij uit het dagelijks verkeer gehouden tot hen een beter lot wacht.

Ik besluit dat ik ze voor straf ook helemaal niet aantrekkelijk vind, en ben stomverbaasd als ik later een van hen, inmiddels in de twintig, tegenkom als een buitengewoon aantrekkelijke vrouw, met twee dartele kinderen.

∉∉∉∉∉

In het voorjaar gaan bij onze Quaker buren daarentegen de ramen wijd open. De aardige buurman is verdwenen, zijn vrouw heeft de inhoud van zijn klerenkasten uit het slaapkamerraam in de voortuin geworpen, maar hij is ze niet komen ophalen. Ze liggen al een week lang te verpieteren tot mijn moeder ingrijpt en ze bij de buurvrouw in een berghok legt.

„Dat is toch zonde”, zegt ze, “Die mooie pakken en schoenen. Alles is kleddernat”. Sociale interventies komen haar altijd tot stand via een simpele pragmatische actie. Van deze kleine zorgzaamheid komt ze danvanzelf uit bij de grote, ongrijpbare zorgen.

∉∉∉∉∉

Volgens goed gebruik in die jaren wordt er niet alleen bij ons thuis, maar voor zover ik dat heb kunnen vaststellen overal, over relatieproblemen niet gepraat. De pastoor op de preekstoel verwijst soms naar het bestaan ervan via een bijbelse allegorie.  Dat pakt dan nogal duister uit, zelfs mijn vader kan er dan, zoals hij ons laat weten, “geen brood van bakken”. En altijd houdt hij zijn kudde de onverbiddelijke Thomistische plicht tot vergeving en verzoening jegens onze zondaren voor. Wie zonder zonde is werpe de eerste steen. Elk schaap dient weer door de kudde opgenomen te worden. Alleen aan God zelf is het recht op een eeuwige strafoplegging toegestaan.

Mijn moeder richt zich bij de aanpak van relatieproblemen op de symbolische kracht die uitgaat van het uitwisselen van geschenken.

„Ik heb je blauwe pak vandaag naar de Palthe gebracht” meldt ze om aan te geven dat mijn vader vergeving is geschonken voor iets dat hij, door ons vaak eens niet opgemerkt, had misdaan.

„Zullen we Zaterdag weer eens de fiets pakken naar Ommen”, stelt mijn vader dan een paar uur later voor. Vergeven en vergeten, daar gaat het om.

∉∉∉∉∉

Maar een crisis zoals bij de Quakers is met deze beproefde vormen van accommodatie duidelijk niet weg te poetsen. Er komen wat leden van de Society of Friends op bezoek maar dat mag niet baten. De man blijft weg, de vrouw gaat aan de drank.

Hun vierjarige David loopt met poepluiers over straat. Mijn moeder neemt hem dan mee naar binnen, hij word in bad gestopt, van schone kleren voorzien. Er zijn nog kasten vol hummelkleren waar ik al lang geleden ben uitgegroeid. Voor de zekerheid blijft deze hummel dan ook maar eten.

Ik krijg de opdracht om hem bij onze laveloze overbuurvrouw terug te brengen. „Ik moet weer gaan!” zeg ik dan na vijf minuten, iedere keer weer geschrokken van de jammerklachten die over mij heen worden gestort. Mijn moeder gaat dan nog even langs, stopt David in bed, luistert naar het beklag, maar laat na stipt een half uur weten dat er thuis nog veel werk ligt te wachten.

We hebben zo bijna twee maanden een luiermans erbij. Een maatschappelijk werkster komt melden dat moeder en kind zijn opgenomen in een tehuis.  Mijn moeder hoort het huilend aan en is een paar dagen van streek.

„Ze moeten uit elkaar!’ zeg ze, „dat kan toch niet? „Het is niet anders, laat mijn vader weten, „het leven is niet altijd een lolletje”.

„De Society of Friends!” zegt ze. „Ja”, antwoordt mijn vader, „al waren ze katholiek, zulke dingen gebeuren, dat kan een mijnheer Pastoor ook niet aan elkaar praten”. Pastoors, die blijf hij als overtuigd antiklerikaal met argwaan volgen.

∉∉∉∉∉

Met de socialistische voorhoede, die bij elkaar het eerste blok van de Troelstrastraat bezet, heeft hij minder moeite. De vader van de jongetjes Roorda is wethouder geworden, en al dagen voor de eerste Mei lopen de broertjes Roorda met grote rode vlaggen door de Troelstrastraat. Door de bewoners van de Troelstralaan word dat met misprijzen gevolgd.

Maar de eerste Mei krijgt zijn tegenhanger. Mijn moeder naait op verzoek van de school voor elk van ons razendsnel een lakengrote witgele vlag in elkaar. In het voetspoor van de heilige Willibrord, die de Germaanse Kerst wist om te toveren tot een Christelijke geboortedag is de Dag van de Arbeid door de Nederlandse Bisschoppen tot Sint Jozef dag uitgeroepen, en nu worden de zwaarden geslepen.

Katholieke muziekkorpsen, waarin al de eerste hup-Mariannekes zijn opgenomen, trekken door onze wijk, op weg naar het stadscentrum. Twee straten verderop sluiten strenge koperblazers zich aaneen om het Rode Vaandel te volgen.

Ik ga nog op zoek naar protestante presenties, maar die blijken, ook in het stadscentrum, onvindbaar. Rood of Rooms, dat is de kwestie.

De eerste Mei vertrekken wij in de ochtend achter een dichte wolk van geelwitte vaandels van school naar het plein voor het Distributiekantoor en geven uitvoering aan een aubade voor de burgemeester, die mogelijk van katholieken huize is, voor de gemijterde deken van de Sint Lambertuskerk en nog enkele prelaten. Zonder onze vaandels zou het een miezerige vertoning zijn geworden.

Ik reis af naar het plein voor het gemeentehuis waar de rode vaandels kennelijk over de oudste rechten beschikken.  Klokke twaalf worden zij door wethouder Roorda vanaf de trappen met een megafoon toegeproken. Mijn vriendjes, de jongetjes Roorda zitten op de balustrade en wuiven met hun rode vlag. Ik rol mijn witgele vlag uit om hen mijn aanwezigheid kenbaar te maken, en heb daarmee onmiddellijk succes. Ze rennen op mij toe, vermoedelijk om mij voor een lynchpartij te behoeden. Die angst blijkt ongegrond. De socialistische arbeiders om mij heen komen zelf uit een katholiek nest en vinden het wel een te waarderen actie. Waarover niettemin in het Hengelosch Dagblad als de respectloze ongeregeldheid gerapporteerd wordt.

∉∉∉∉∉

Toch halen de socialisten de winst van de dag binnen. Tegen de avond rijdt een vrachtauto door onze wijk met geluidversterker waaruit vrolijke Amerikaanse marsmuziek klinkt. Op elke hoek word het geluid onderbroken en een stem die ik onmiddellijk als die van buurman Roorda herken roept om dat om 19.00 uur, op het plein drie blokken verder, dat de Twentse arbeidersklasse van de geïmporteerde middenklassen scheidt, een film zal worden vertoond van Stan Laurel en Oliver Hardy, aan mij, maar dan alleen bij geruchte, bekend als de Dikke en de Dunne.

Samen met de jongetjes Roorda trek ik om half zeven naar het plein. Er worden propagandafilms vertoond van de SDAP en het NVV. Het is nog licht, veel valt er niet te zien, laat staan te beleven.

Eerst tegen half acht valt de duisternis in. Er daar begint dan eindelijk de film van Laurel en Hardy, en, het zou werkelijk een onvergetelijke avond worden, daarna nog eens een tweede Laurel en Hardy. Om tien uur tijgen wij naar huis, om te ontdekken dat mijn vader en wethouder Roorda elkaar op hetzelfde plein getroffen hebben, aanvankelijk op zoek naar ons, maar daarna even opgetogen als wij kijkend naar deze kostelijke voorstelling. Daar hoort een korenwijntje bij.

De vertoning van een Laurel en Hardy wordt daarna elk jaar op 1 Mei herhaald, en verkrijgt de status van een onvervreemdbaar recht. Arbeiders en burgerij zouden ongetwijfeld hand in hand de strijd zijn aangegaan tegen eenieder die hen deze verworvenheid zou hebben willen ontnemen. Aan de Sint Jozef dag is een kort leven beschoren. We slapen nog een paar jaar onder witgele lakens

Socialisme en elektrifikatie, het blijft, ook na deze Tweede Wereldoorlog, nog immer een ijzersterke formule.

∉∉∉∉∉


Op de Groei, Bilbao, El Arenal, 4 september 2012. Voor mijn lieve Grote Vergeetboek.


Op de Groei, Inhoudsopgave

  1. De krentenboom
  2. De raketfabriek
  3. De Lieve Vrouwe
  4. Het Tuindorp
  5. De Vliegende Hollander
  6. Het Vaandel

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.