Op de Groei 7

7

De briefopener

 

∉∉∉∉∉

Mijn grootouders, Opa Jos Teulings en zijn tweede vrouw Oma Gertrud Köpke, wonen in ’s-Hertogenbosch in de Hinthamerstraat, vlak bij de Sint Jans Kathedraal. De Hinthamerstraat is een van de drie alleroudste straten van de stad, uitkomend op de Markt. De vele winkelpanden van thans hebben het zicht op die Middeleeuwen vrijwel geheel aan het oog onttrokken.

Veel jaren later ontdek ik dat de stamvader van mijn familie, dan geschreven als Tolinc (bij uitspraak hetzelfde als Teulings), al bij de stichting van de stad rond 1170, tot de gezworen poorters behoren, en aan diezelfde Markt, en de Hinthamerstraat, hebben gewoond.

In de jaren vijftig wonen nog meerdere Teulings families in de stad, soms ver uit elkaar gegroeid, maar met gedeelde voorvaderen van generaties her.  Aan het eind van de Hinthamerstraat, vroeger het Hinthamereind, woont dan een Teulings uit het drukkerij- en uitgeversbedrijf. Aan het begin van de Hooge Steenweg, de tweede van de drie hoofdstraten die op de Markt uitkomen woont de juwelier en goudsmid Teulings. Aan de derde hoofdstraat, de Vughterstraat die overgaat op de Vughterdijk wonen dan enkele Teulingsen die direct verwant zijn met mijn eigen over- en betovergrootvader, in de stad vooral bekend als de familie van de Rijtuig- en Automobiel-Carrosserie Fabriek C.A. Teulings, opgericht als familiebedrijf in de 17e eeuw, en toen al aan de Vughterstraat gevestigd.

∉∉∉∉∉

Mijn historisch besef is in mijn jonge jaren uiterst gering. De failliete boedel van het Carosseriebedrijf is door mijn vader wel eens ter sprake gebracht. Hij is geboren in 1909 en niet veel jaren daarna is er dat faillissement. Mijn vader heeft de laatste tram gemist, gaat desondanks werktuigbouw studeren daartoe aangespoord door leraren en familie. Het gebrek aan kennis van automobielconstructie en benzinemotoren is de belangrijkste reden voor de sluiting.  Het bedrijf heeft geen verweer tegen de opkomende Amerikaanse auto-industrie en de snelle uitbreiding van het spoorwegnet. Mijn opa is als leerling rijtuigbouwer gestart maar heeft nooit echt in het bedrijf gewerkt.  Hij maakt vrij snel de overstap naar de bloeiende Bossche sigarenindustrie. Begint ook daar als leerling met ‘soppen en plakken’. Van onderaf beginnen, dat is al sinds de vroege Middeleeuwen het ambachtelijk credo. Hij weet tenslotte als bedrijfsleider van de Bossche vestiging van La Paz zijn werkzame leven afsluit. Zijn zoon en kleinzoon zweren sindsdien bij de stevige, lange Braziliaanse knarren. Zelfs als ik mijn colleges geef blijf ik ze roken. Fidel Castro is, als het op fotoreportages aankomt mijn rolmodel. Gelukkig ben ik daar tijdig mee gestopt.

∉∉∉∉∉

Wat ook niet helpt bij het ontwikkelen van enig zicht op het verleden was dat we zelden bij broers, zussen of grootouders op bezoek gingen. Bij mijn Opa kwam ik graag over de vloer, ook hier was ik het Zondagskind van de familie. Van die bezoeken aan Opa en Oma kan ik mij er niet meer dan een keer of vier herinneren. Die herinneringen lopen ook door elkaar.

Mijn tante Dien, een zus van mijn vader, woont dan aan de Hooge Steenweg schuin tegenover de juwelier Teulings. Zij is allerhartelijkst maar leidt een druk bezet leven. Getrouwd met een van gebroeders A.F.C. Jansen, een firma in Maatkleding voor Heeren en Jongens dat uitgegroeid tot een kledingconcern met winkels verspreid over het hele land. Vanuit de erker boven hun winkel kijk ik uit op het juweliersbedrijf Teulings. „Is dat een oom?” vroeg ik aan tante Dien. „Nee”, zegt ze beslist, „maar alle Teulingsen in de stad zijn familie van elkaar, op een of andere manier”.

Ik blader door het telefoonboek. „Niet eens een hele pagina!” meld ik. „Er zijn altijd mensen zonder telefoon”, zegt ze. „Alle Teulingsen in heel Brabant zijn familie van elkaar, en ook die in Amsterdam of Rotterdam of Antwerpen, of waar ook ter wereld.” Ik besluit haar woorden voor waar aan te nemen Naar later blijkt, is dat een verstandig gedachte.

∉∉∉∉∉

Mijn eerste onderzoek naar de Teulings geschiedenis, dat een aanvang neemt in de jaren kort na de oorlog, richt zich derhalve op de juweliersfamilie bij mijn tante aan de overkant. Ik heb al ontdekt dat alle huizen in het centrum van de stad rusten op een diep en stevig fundament van een in Waalse steen uitgevoerde overkluizing. En er is een voorhuis, een erf, en dan een achterhuis dat uitkomt op de Dieze.

Bij tante Dien is het achterhuis in gebruik als magazijn en als kleermakerij. maar daarin kom ik veel overblijfselen tegen van vroegere bestemmingen. Tot aan het eind van de 18e eeuw is in dit achterhuis een schuilkerk gevestigd van de Joodse Synagoge. Het word door de Gereformeerde Synode meestal oogluikend toegelaten De kleermakers die daarna volgen zijn Joodse kleermakers. Eerst de komst van Lodewijk Napoleon heeft het mogelijk gemaakt dat de Joden, zoals de Katholieken, hun burgerrecht terug krijgen en in Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap hun schuilkerken kunnen verlaten. Zoveel geschiedenis, en zo dicht bij huis! Ik word er door geraakt.

∉∉∉∉∉

Via een steegje aan de overkant bereik ik langs het water het achterhuis van de juwelier Teulings. Ook daar is de geschiedenis nog enigszins in leven. Het achterhuis  toont een oud uithangbord „Goudsmederij Teulings”, naast een kleine houten deur die half openstaat en toegang geeft tot een donker atelier. Een felle lamp boven elke werktafel heeft de olielamp vervangen en beschijnt de handen van een goudsmid. Er word geklopt, gehamerd, gesmeed, een groene steen in een kelkvoet geklemd. Een remonstrans in wording. Speelgoed voor misdienaars.

Van mijn vader wist ik niet beter of je kunt altijd op iedereen die ergens aan het werk is afstappen om te vragen wat hij aan het doen is.

„Wat bent U aan het doen?”, vraag ik aan de man die er als de oudste, en dus de zachtaardigste, uitziet. Het duurt even voor hij opkijkt.

„En wie ben jij dan wel?”

„Ik heb nog nooit een goudsmederij gezien, en ik ben ook een Teulings”.

„En van wie dan wel?”.

De vraag is te verwachten. „Mijn opa woont op de Hinthamerstraat”.

„Die van de krant?”

Ik weet dat die van de Drukkerij ook de Provinciale Noord-Brabantsche Courant uitgeven. „Nee, zeg ik, „niet die van het Hinthamereind, die van de Hinthamerstraat, schuin tegenover de Onze Lieve Vrouwe Broederschap”.

„Juist!” zegt hij, „kijk maar wat rond. Als je vragen hebt hoor ik het wel.”

Ik kijk en ik vraag, maar niet iedereen is even spraakzaam. Ik keer terug naar de oude man. „Mijn oom is ook goudsmid, van de bisschop in Utrecht. Hij is een de Groot, een oom van mijn moeder. Hij is vooral in filigrain. En in monstransen. Ik heb wel eens naast zijn werkplaats geslapen”.

„Wij werken hier ook voor de bisschop”, vertelt hij, „maar die is van Den Bosch.”

„Misschien kent hij U dan wel”, opper ik. „Kan ik de groeten doen?”

„Doe dat”, zegt hij, „maar nu moeten we weer verder. Ik loop even met je mee. Je woont toch aan de overkant?”.

“Ik logeer daar bij mijn tante Dien”, zeg ik. Vanuit haar erker kan ik Uw winkel zien”.

Van de donkere, rommelige werkplaats lopen we de helder verlichte winkel juwelierswinkel binnen. Ik knipper met mijn ogen. „Wacht even”, zegt hij, opent een lade, pakt een doosje en laat er een mooi papiertje omheen wikkelen, met tenslotte een etiketje. „Thuis openmaken, en met groeten aan je ouders en je opa en oma”.

∉∉∉∉∉

Terug in de Hinthammerstraat vertel ik mijn grootvader van het bezoek aan de goudsmid. Hij knikt tevreden. „Heb je een hand gegeven toen je wegging?” vraagt hij. Dat heb ik. Eigenlijk heb ik vrij goed de lessen van mijn vader gevolgd, bedenk ik mij. Die zal ze van deze Opa hebben meegekregen. Maar alles heeft mij ook meegezeten. Hij heeft zijn grenzeloze nieuwsgierigheid wel eens moeten bekopen met een snauw en een grauw.

„Ik heb een cadeautje gekregen,” zeg ik, “ik mocht het pas thuis openmaken.”

„Laat maar eens zien,” zegt mijn vader. Er komt een briefopener tevoorschijn, die de familiekring rondgaat.

„Het handvat zou verzilverd kunnen zijn, maar je weet het niet zeker, daar is een expert voor nodig.” Hij is sceptisch.

„Er staan twee merkjes op”, wijst mijn grootvader.

„Het is zilver,” stelt mijn grootmoeder vast. Zij heeft er even aan gelikt en gebeten. Pruisisch van oorsprong, en dat legt in kwesties als deze gewicht in de schaal. Bovendien is zij de enige die wij kennen met een doos juwelen in haar kast, waarmee zij zich ook dagelijks uitdost.

„Met wie heb je gesproken?” vraagt mijn vader. Ik weet het niet. „Je moet altijd vragen met wie je hebt gesproken” zegt hij. „Ik houd dit bij me, dat lijkt mij verstandig”.

“Wat moet een kind nu met een briefopener?” Hij richt zich nu tot mijn opa en oma. Die knikken. „Als je uit huis gaat krijg je hem mee. Tot die tijd zal ik hem zorgvuldig bewaren.”

Dat verhaal ken ik. Het zilveren potlood dat mijn broer Jan ooit ten geschenke heeft gekregen van een Duitse officier ligt niet thuis in het Geheime Kastje van mijn moeder, maar op het bureau van mijn vader in het bedrijf. Mijn briefopener zal weldra volgen.

∉∉∉∉∉

Mijn vader is een diefekster. Mijn moeder is een trouwring kwijtgeraakt die ze bij de maandagwas even op de vensterbank heeft gelegd. Een diefekster is er mee weggevlogen. „Niet alle eksters zijn diefeksters” zegt mijn moeder dan als ze dit verhaal vertelt. „Het zit niet in de natuur”. Zo is dat. Niet alle vaders zijn diefeksters die met het zilver van hun kinderen aan de haal gaan. Mijn vader wel. Het zit in zijn natuur.

Ik vraag me wel af waarom ik in s’-hemelsnaam een briefopener heb gekregen. Bestaan er families die voortdurend brieven naar elkaar schrijven, en daar op zeer jeugdige leeftijd een begin mee maken? Is het een aanwijzing van de oude Teulings wiens naam ik niet had gevraagd, om hem af en toe een brief te schrijven? Tenslotte weet ik zijn adres.

Ik heb dan nog nooit een brief van wie dan ook gekregen, zeker niet van een familielid. Pas in de tweede klas van de middelbare school leg ik het aan met een opgetogen Ierse penfriend. Zij stuurt kwalijk geparfumeerde brieven die het  misschien verdienen om met een zilveren briefopener te worden bestookt. Maar ik ben dan allang vergeten dat ik er een in bezit heb gehad.

∉∉∉∉∉


Op de Groei, Bilbao, El Arenal, 4 september 2012. Voor mijn lieve Grote Vergeetboek.


Op de Groei, Inhoudsopgave

  1. De krentenboom
  2. De raketfabriek
  3. De Lieve Vrouwe
  4. Het Tuindorp
  5. De Vliegende Hollander
  6. Het Vaandel
  7. De Briefopener

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.