07 De briefopener

Mijn grootouders, Opa Jos Teulings en zijn tweede vrouw Oma Gertrud Köpke, woonden in ’s-Hertogenbosch in de Hinthamerstraat, vlak bij de Sint Jans Kathedraal. De Hinthamerstraat is een van de drie alleroudste straten van de stad, uitkomend op de Markt. De vele winkelpanden hebben het zicht op de Middeleeuwen vrijwel geheel aan het oog onttrokken.

Veel jaren later ontdek ik dat de stamvaders van mijn familie, dan geschreven als Tolinc (bij uitspraak hetzelfde als Teulings), al bij de stichting van de stad aan het eind van de 12e eeuw, tot de gezworen poorters behoorden, en aan diezelfde Markt, en de Hinthamerstraat, hebben gewoond.

In de jaren vijftig wonen nog meerdere Teulings families in de stad, soms ver uit elkaar gegroeid, maar met gedeelde voorvaderen van generaties her.  Aan het eind van de Hinthamerstraat, vroeger het Hinthamereind, woont dan een Teulings uit het drukkerij- en uitgeversbedrijf. Aan het begin van de Hooge Steenweg, de tweede van de drie hoofdstraten die op de Markt uitkomen woont de juwelier en goudsmid Teulings. Aan de derde hoofdstraat, de Vughterstraat die overgaat op de Vughterdijk wonen dan enkele Teulingsen die het meest verwant zijn met mijn eigen over- en betovergrootvader, in de stad vooral bekend als de familie van de Rijtuig-en Automobiel-Carrosserie Fabriek Teulings, opgericht als familiebedrijf in de 17e eeuw, en toen al aan de Vughterstraat gevestigd.

Mijn historisch besef is in mijn jonge jaren uiterst gering. De rijtuigfabriek is door mijn vader wel eens ter sprake gebracht. Hij is geboren in 1909 en niet veel jaren daarna werd de fabriek gesloten of ging failliet. Mijn vader ging werktuigbouw studeren daartoe aangespoord door leraren en familie, omdat gebrek aan kennis van automobielconstructie en benzinemotoren een van de redenen was waarom het bedrijf geen verweer had tegen de opkomende Amerikaanse autoindustrie en de snelle uitbreiding van het spoorwegnet. Zelfs mijn opa had nooit in het rijtuigvak gewerkt, maar was in de sigarenindustrie terechtgekomen, waar hij tenslotte als de bedrijfsleider van de Bossche vestiging van La Paz zijn werkzame leven afsloot.

Wat ook niet hielp bij het ontwikkelen van enig zicht op het verleden was dat we zelden bij broers, zussen of grootouders op bezoek gingen. Van de bezoeken aan Opa en Oma kan ik mij er niet meer dan een keer of vier herinneren. De herinneringen lopen ook door elkaar.

Mijn tante Dien, een zus van mijn vader, woonde aan de Hooge Steenweg schuin tegenover de juwelier Teulings. Zij was getrouwd met een van gebroeders A.F.C. Jansen, een firma in Heeren- en Jongenskleding die uitgroeide tot een kledingconcern met winkels verspreid over het hele land. Vanuit de erker boven de winkel keek ik uit op het juweliersbedrijf Teulings. „Is dat een oom?” vroeg ik aan tante Dien. „Nee”, zei ze beslist, „maar alle Teulingsen in de stad zijn familie van elkaar, op een of andere manier”.

Ik bladerde door het telefoonboek. „Niet eens een hele pagina!” meldde ik. „Er zijn altijd mensen zonder telefoon”, zei ze. „Alle Teulingsen in heel Brabant zijn familie van elkaar, en ook die in Amsterdam of Rotterdam of Antwerpen, of waar ook ter wereld.” Ik besloot haar woorden voor waar aan te nemen Na later bleek, was dat een verstandig gedachte.

Mijn eerste onderzoek naar de Teulingsen, in de jaren kort na de oorlog, richtte zich op de familie bij haar aan de overkant. Ik had al ontdekt dat alle huizen in het centrum van de stad een voorhuis en een achterhuis hebben. Bij tante Dien was het achterhuis in gebruik als magazijn en als kleermakerij. maar daarin waren overblijfselen van vroegere bestemmingen. Tot aan het eind van de 18e eeuw was het een schuilkerk gevestigd van de Joodse Synagoge. Eerst de komst van Lodewijk Napoleon had het mogelijk gemaakt dat de joden, zoals de katholieken, hun schuilkerken konden verlaten.

Via een steegje aan de overkant bereik ik het achterhuis van de juwelier Teulings. Ook daar leek de geschiedenis nog ienigzins inn leven. Er hing een oud uithangbord „Goudsmederij Teulings” naast een kleine houten deur die half openstond en toegang gaf tot een donker atelier. Een felle lamp boven elke werktafel bescheen de handen van een goudsmid. Er werd geklopt, gehamerd, gesmeed, een groene steen in een kelkvoet geklemd.

Van mijn vader wist ik niet beter of je kon op iedereen die ergens aan het werk was afstappen om te vragen wat hij aan het doen was.

„Wat bent U aan het doen?”, vroeg ik aan de man die er als de oudste, en dus de zachtaardigste, uitzag. Het duurde even voor hij opkeek.

„En wie ben jij dan wel?”

„Ik heb nog nooit een goudsmederij gezien”, zei ik „en ik ben ook een Teulings”.

„En van wie dan wel?”.

De vraag was te verwachten. „Mijn opa woont op de Hinthamerstraat”, zei ik.

„Die van de krant?”

Ik wist dat die van de drukkerij ook de Provinciale Noord-Brabantsche Courant uitgaven. „Nee, zei ik, „niet die van het Hinthamereind, die van de Hinthamerstraat, schuin tegenover de Onze Lieve Vrouwe Broederschap”.

„Juist!” zei hij, „kijk maar wat rond. Als je vragen hebt hoor ik het wel.”

Ik keek en ik vroeg, maar niet iedereen was even spraakzaam. Ik keerde weer terug naar de oude man. „Mijn oom is ook goudsmid, van de bisschop in Utrecht, zei ik. Hij is een de Groot, een oom van mijn moeder. Hij is vooral in filigrain. En in monstransen. Ik heb wel eens naast zijn werkplaats geslapen”.

„Wij werken hier ook voor de bisschop”, zei hij, „maar die is van Den Bosch.”

„Misschien kent hij U dan wel”, opperde ik. „Zal ik de groeten doen?”

„Doe dat”, zei hij, „maar nu moeten we weer verder. Ik loop even met je mee. Je woont toch aan de overkant?”.

“Ik logeer daar bij mijn tante Dien”, zei ik. Vanuit haar erker kan ik Uw winkel zien”.

Van de donkere, rommelige werkplaats liepen we de helder verlichte winkel juwelierswinkel binnen. Ik knipperde met mijn ogen. „Wacht even”, zei hij, en opende lade, pakte een doosje en liet er een mooi papiertje omheen wikkelen, met tenslotte een etiketje. „Thuis openmaken, en met groeten aan je ouders en je opa en oma”.

Terug in de Hinthamerstraat vertelde ik mijn ouders van het bezoek aan de goudsmid. Zij knikten tevreden. „Heb je een hand gegeven toen je wegging?” vroeg mijn opa. Dat had ik. Eigenlijk had ik vrij goed de lessen van mijn vader gevolgd, bedacht ik mij. Maar alles had ook meegezeten. Hij had zijn grenzeloze nieuwgierigheid wel eens moeten bekopen met een snauw en een grauw.

„Ik heb een cadeautje gekregen,” zei ik, “ik mocht het pas thuis openmaken.”

„Laat maar eens zien,” zei mijn vader. Er kwam een briefopener tevoorschijn, die de familiekring rondging.

„Het handvat zou verzilverd kunnen zijn, maar je weet het niet zeker, daar is een expert voor nodig.”

„Er staan twee merkjes op”, zei mijn grootvader.

„Het is zilver,” zei mijn grootmoeder. Zij was Duits van oorsprong, dat legde in kwesties als deze gewicht in de schaal. Bovendien was zij de enige die wij kenden met een doos juwelen in haar kast, waarmee zij zich ook dagelijks uitdoste.

„Met wie heb je gesproken?” vroeg mijn vader. Ik wist het niet. „Je moet altijd vragen met wie je hebt gesproken” zei mijn vader. „Ik houd het bij me, dat lijkt mij verstandig”.

“Wat moet een kind nu met een briefopener?” Hij richtte zich nu tot mijn opa en oma. Die knikten. „Als je uit huis gaat krijg je het mee. Tot die tijd zullen we het zorgvuldig bewaren.”

Dat verhaal kende ik. Het zilveren potlood dat mijn broer Jan ooit ten geschenke had gekregen van een Duitse officier lag niet thuis in het Geheime Kastje, maar op zijn bureau in het bedrijf. Mijn briefopener zou weldra volgen.

Mijn vader was een diefekster. Mijn moeder was eens een ring kwijtgeraakt die ze bij de maandagwas even op de vensterbank had gelegd. Een diefekster was er mee weggevlogen. „Niet alle eksters zijn diefeksters” zei mijn moeder dan, als ze dit verhaal vertelde. „Het zit niet in de natuur”. Zo was dat. Niet alle vaders zijn diefeksters die met het zilver van hun kinderen aan de haal ging. Mijn vader wel. Het zat in zijn natuur.

Maar ik vroeg me wel af waarom ik in s’-hemelsnaam een briefopener had gekregen. Bestonden er families die voortdurend brieven naar elkaar schreven, en daar zelfs op zeer jeugdige leeftijd een begin mee maakten? Was het een aanwijzing van de oude Teulings wiens naam ik niet had gevraagd, om hem een brief te schrijven?

Ik had nog nooit een brief van iemand gekregen, zeker niet van een familielid. Pas in de tweede klas van de middelbare school legde ik het aan met een opgetogen Ierse penfriend. Zij stuurde kwalijk geparfumeerde brieven die het  misschien verdienden met een zilveren briefopener te worden bestoken. Maar ik was toen allang vergeten dat ik er een in bezit had.

Uit: Op de Groei

Bilbao, El Arenal, sept 2012

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s