08 De Provinciale

We gaan samen op weg naar de Uitgeverij Teulings. Daar heeft mijn vader een jaartje gewerkt als stadsverslaggever en als corrector, bij de Provinciale Noord-Brabantsche Courant en Het Huisgezin. Het zijn dan crisisjaren. Hij is in het eerste jaar na zijn studie gaan werken op een scheepswerf aan de Maas, als constructietekenaar. Nieuwbouw opdrachten zijn in deze sector al een paar jaar weggevallen. Er staat nog een enkele veerboot op stapel, maar nadat die zijn opgeleverd komen ook geen overheidsopdrachten meer binnen. De werf moet rond zien te komen met zuinig uitgevoerde scheepsreparaties. Mijn vader komt, last in-first out, als eerste weer op straat te staan. Hij vind het te schaamtevol om daarover uit te weiden.

„In Amsterdam stonden de ingenieurs op de tram”, zegt hij met stemverheffing, zich kwaad makend. „Daar kunnen jullie met je verstand niet bij!” Het nodigt niet uit om nadere vragen te stellen. Mijn „Hoezo dan?” klinkt futiel en ongepast.

„Wees maar blij dat jou zoiets niet meer kan overkomen”. Hij is even stil. “Laten we het hopen tenminste”.

Er is hem onrecht aangedaan, meer nog, hij weet zich vernederd. Dat zou niet snel slijten.

Zelfs als hij gepensioneerd is en het onderwerp nog een laatste maal ter sprake komt zien wij weer woede in hem opkomen. Een woede waarvoor hij nooit een adequate adressant heeft gevonden.

Het bezoek aan de drukkerij van het Teulings bedrijf wordt een imposante  beleving. Geknars en geratel van drukpersen, gepiep en gehijg van pneumatische grijpers, bedwelmende geuren van verse drukinkt, de vingervlugheid van de zetters, de geconcentreerde aandacht van de drukkers, het is een wonder van schoonheid en geweld.

„Heel dit raderwerk staat stil, als Uw machtige arm dat wil” roept mijn vader naar twee mannen met oliespuitjes. Er nadert een werkchef. Hij heeft gehoord en nu ook begrepen dat er een Teulings over de vloer is.

„Er is hier nog nooit gestaakt” zegt deze, wat onrustig kijkend bij zoveel vrijmoedigheid en dan ook nog uit onverwachte hoek. „Ik heb hier voor de oorlog nog gewerkt”, zei mijn vader, „braafste jongetje van de klas. Maar dat hier nooit gestaakt is zou ik maar terugnemen.”

„Voor de oorlog zat ik op school”, zei de chef.

„Als je meeloopt zal ik het je laten zien, ik zat toen bij de stadsredactie.”

„Het zal wel”, zei de chef, „dit is een andere tijd”. Hij kijkt om zich heen op zoek naar een vluchtroute.

„We lopen nog even bij de correctie binnen daar heb ik ook gewerkt”.

„Het zal wel” zei de chef”. Dit is zijn dag niet.

De correctoren zijn oudgedienden, sommigen al gepensioneerd. „Ben je daar weer?”, vraagt de oudste, „dat is je zoon zeker?. „Ik heb er drie” zei mijn vader.

Zijn aandacht lag alweer elders. Hij leest over diens schouder van het papier waar de corrector zijn tanden in heeft gezet, op zoek naar resterende taalfouten.

„Dat is geen mooie zin”, wijst hij.

„Daar letten we hier niet op”, zegt de man, ‚we halen de taalfouten eruit, dat is ons werk”. Hij zocht naar hulp bij zijn collega. “Ieder zijn vak”, zegt deze.

„Daar zie ik nog een taalfout” , zegt mijn vader. Hij probeert het vriendelijk, zelfs behulpzaam te laten klinken, maar zo wordt het niet opgevat.

Met vereende krachten worden we de burelen uitgeholpen. „Het werk van een corrector is belangrijk” zei mijn vader, meer tegen zichzelf dan tegen mij. „Maar het wordt je niet altijd in dank afgenomen.”

Hij haalt een krant uit zijn binnenzak. Het is de Provinciale. „Eerste editie, dat ruik je”, zegt hij. Ik ruik het ook, geloof ik.

„Daar zitten nog de meeste fouten in. Die eerste moet er altijd snel uit, naar de buitengewesten. En in de provincie lezen ze daar toch overheen. Maar hier in de stad moet je zorgvuldig met de taal omgaan.”

„Het is een mooi bedrijf, vooral die drukkerij” zeg ik, in de mening dat een woord van troost op zijn plaats was. Maar mijn vader kijkt heel opgewekt. “God heeft de wereld misschien in zes dagen geschapen, maar hij heeft het aan de mensheid overgelaten om er toch nog wat van te maken. maar die bakt er ook niet veel van”. De corrector als handlanger van God, van die kant had ik het nog niet bekeken.

Ik zou later nog vaak bij drukkerijen binnenlopen, gevraagd en ongevraagd, en dan aan deze stijlfiguur worden herinnerd.

Ik vraag mij af hoe en waar hij het exemplaar van de Provinciale achterover heeft gedrukt. Ik had er niets van gemerkt.

„In de drukkerij natuurlijk”. Hij keek me aan en lachte tevreden. „Ik nam vroeger altijd de eerste editie mee naar huis uit de drukkerij. In het veen kijken we niet op een turfje”. Deze leermeester in grensoverschrijdend gedrag had in mij al jong een gretig oor gevonden.

We gaan een kop koffie drinken op de Markt. Voor mijn vader een koffie, voor mij een Bossche bol. Aan tafel bij het raam kijk ik naar buiten, en besef dat die man daar tegenover mij hier in zijn kinderjaren elke dag is langsgekomen op weg naar school.

Die man heeft inmiddels zijn vulpen getrokken en gaat diagonaal door de krant. „Fout”, riep hij. „Kan veel beter! Hier, lees dit stukje eens voor!” Ik lees. “Tja”.

Hij keek me onderzoekend aan. „Goed, ik heb daar nu eenmaal wat mee, andere mensen puzzelen graag. Ik doe dit graag!”

We keerden huiswaarts. Bij Opa is inmiddels de derde editie in de brievenbus gevallen.

Uit: Op de Groei

Bilbao, El Arenal, sept 2012

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s