09 De Salon

Het huis aan de Hinthamerstraat heeft alleen nog de footprint van een middeleeuwse stadswoning, die in het keldergewelf nog duidelijk herkenbaar is gebleven. Het kent de smalle voorgevel uit de tijd dat de breedte in voeten gemeten bepalend is voor de stadsbelasting. Belendende panden zijn in de 19e eeuw verbreed door een samenvoeging van twee oudere huizen.

Daarnaast was er de haardtelling. Met drie haarden in het voorhuis moet dit huis desondanks een duur pand geweest zijn. Maar dat geldt dan ver voor de tijd van mijn grootouders. Ook de belasting geheven op het aantal tonnen bier dat door de bewoners word gedronken is al lang niet meer van toepassing.

Achter de voordeur strekt zich een lange smalle gang uit tot aan de keuken. Daarop volgt een bijkeuken, uitkomend op een binnenplaats met terzijde nog een werkplaats. Zoals over de hele straat het geval is komt de binnenplaats uit op  het water van de Dieze, waaraan nog een achterhuis staat. Dat is ook bereikbaar via een pad langs de Dieze dat leidt steegje dat weer uitkomt op de Hinthamerstraat, een paar deuren verder.

Het achterhuis van Opa en Oma is verhuurd, of mogelijk verkocht. De bewoners kijken ook uit op de binnenplaats, maar de ramen van de benedenverdieping zijn altijd met zware voor onze nieuwsgierige ogen afgesloten. Oma heeft deze afscheiding nog eens bekrachtigd door van haar kant de benedenramen met een donker behangpapier af te plakken. „Geen behoefte aan pottenkijkers”, spreekt ze ferm als ze onze verbaasde blikken opmerkt bij een eerste rondwandeling. Die behoefte was mogelijk wederzijds.

Er waren veel achterhuizen met bewoners die als lastige pottenkijkers werden beschouwd, zo bleek bij verdere verkenning van de omgeving. Een tochtje over de Dieze per boot, dat later een vast onderdeel bleek te zijn van elk familiebezoek, bracht geen nuancering van deze waarneming. Een flink aantal bewoners van de Bossche binnenstad leek in het duister te leven. Maar ja, in een groot deel van het voorhuis van mijn oma heerste ook de schemer, dus schril waren de tegenstellingen niet te noemen.

Ter linkerzijde van de voordeur waren twee hoge vensters, samen ter breedte van éen vertrek. Het eerste vertrek, het enige waarin het daglicht vrij spel had, was het unieke domein van mijn grootmoeder. Deze salon, het woord werd op zijn Frans uitgesproken,  wordt ook als eerste aan ons voorgesteld, terwijl mijn opa en mijn vader zich voor een rokertje naar achteren begeven.

Eén hele wand is ingenomen door hoge vitrinekasten met, achter geslepen en gedecoreerde glas, rijen van flonkerende kristallen flacons in alle grootten en vormen. Aan de andere zijde staan open kasten gevuld met tientallen bontmantels. In de hoek houdt zich, zoals mijn oma het noemt, een mannekin op, die er in onze ogen wel erg vrouwelijk uitziet. Bij de ramen een zitje met vier kleine damesfauteuils, aan het plafond twee barokke kroonluchters. Het is een geheimnisvol vertrek.

„Het boudoir”, noemt mijn grootvader dit, een benaming waarmee hij onderstreept dat hij zich daar, zoals hij ons manmoedig laat weten, nooit zal vertonen. „Entrée interdite”. Hij kijkt er opgewekt bij. Hij lijkt mij ook niet de man die zich snel over zoiets zal opwinden.

De salon is het begin van een kamerreeks in lintbebouwing. Ter linkerzijde volgden nog drie kamers, die hun daglicht ontvangen van het bovenlicht van de deur, naar de al maar duister wordende gang. Aan de rechterzijde is er alleen de uitgestrektheid van een bleekgelige muur, onderbroken door een cordon van ingekleurde Engelse prenten. Buitentaferelen van gepoederde dames en heren, in in een vergulde barokke lijst.

Mijn ouders krijgen de eerste kamer toegewezen. Mijn broers de tweede. Waar de derde voor dient blijft onduidelijk. Misschien word ik te jong bevonden voor een verblijf in een van deze spelonken. Waarschijnlijk is het de niet in gebruik genomen slaapkamer van mijn grootouders. Ik krijg een kermisbed toebedeeld, een uitklapbare rookstoel in de zitkamer. Achter een piano forte waarop mijn oma speelt, is een vierdelig kamerscherm. Daar staat de sponde van mijn grootouders. “Dan heb je geen extra kachel nodig”. verklaart Oma. Dat spreekt mijn moeder wel aan. Bij de zitkamer valt weer daglicht binnen, maar overvloedig kan het niet genoemd worden.

Het was snel duidelijk dat de resolute Oma Köpke hier ide lakens uitdeelde, en dat mijn Opa zich daarbij welbevond, zij het dat hij zijn bijdrage aan het gesprek meestal tot ironiserend commentaar beperkte, waardoor niemand veel vat op hem kreeg. Zeker Oma niet. Voorzien van deze stevige teflonlaag viel er waarschijnlijk goed met haar te leven.

Op mijn opmerking dat het hier in huis wel erg donker is, zegt Opa „Oh, we kunnen altijd een schemerlampje aansteken”, en vervolgt „Gertrud is mijn lichtpuntje in huis”. Het was waarschijnlijk een van zijn bon mots, maar ook Gertrud lijkt er nog niet door verveeld geraakt.

Oma Gertrud is de dochter van een Pruisische majoor, wat, zo kort na de oorlog, vragen opriep. Maar haar vader en grootvader hadden waren al officier geweest bij de artillerie in het Nederlandse leger, en haar ooms hadden al voor 1900 gediend in Nederlands-Indië. Zij hadden de Nederlandse zaak gediend en de artillerie onbevangen ingezet in de strijd tegen de Duitsers.

Sinds de Zilvervloot van Willem van Oranje was er altijd al een groot contingent Pruisische officieren die de weg naar het Nederlandse leger hadden weten te vinden. In Den Haag en omgeving, waar de vader van Gertrud een functie had op het Ministerie, had zich een hechte Duitse kolonie gevormd. Haar vader organiseerde een maal per jaar een klassieke jachtpartij te paard van internationale allure, waaraan ook leden van het hof deelnamen. Ons was dat alles destijds onbekend, want al wie iets Duits had liep het risico publiek geschoren te worden en deed er beter aan zich zo stil mogelijk te houden.

Pas tegen de tijd waarin mijn vader, op leeftijd geraakt, na het eten port begon te schenken waarop ook de naam Köpke voorkwam, kwam de familie van mijn Oma uit de schemer en konden wat meer details verstrekt worden.

Een foto van 1939 toont de majoor Köpke met een grote kennel van jachthonden. Op de foto die ik mij ooit heb toegeëigend zie ik een glimmend gelaarsde man met een stijve tot aan de kuiten reikende officiersjas, omgeven door een onrustige roedel. Wat terzijde op de achtergrond staat een bedeesd ogende, eveneens stijf gejaste stalknecht.

Soms gaf mijn vader uiting aan het scabreuze vermoeden, niet dan nadat had hij al enkele glaasjes port tot zich had genomen, dat een groot deel van de Nederlandse artillerie geleid werd door Pruisische officieren, en dat dit misschien toch ook ertoe bijdroeg dat al drie dagen na de Duitse inval tot overgave werd besloten. Ik begreep dat als een uiting van trouw aan zijn eigen moeder, wier plaats door Gertrud was ingenomen.

Oma Gertrud was de tweede vrouw van mijn grootvader. Zijn eerste, Adriana van Mil stond, althans wat lengte en omvang betreft, in sterk contrast tot de reuzin Gertrud. Zij overleed in 1938, en in 1939 was mijn grootvader, zeer tot ergernis van zijn zoon Jos, mijn vader, al weer hertrouwd. “Verleid”, zei mijn vader die weinig geloof hechtte aan de mogelijkheid van liefde op het eerste gezicht.

Maar zoiets als verleid worden kon ik mij bij deze in mijn ogen zeer charmante dame, als achtjarige toch heel wel voorstellen. Zij torende hoog boven ons uit, droeg zijdeachtige, geplisseerde jurken die tot de enkels reikten, had een gulle lach en een opgewekt humeur, maar vooral ook, een ongekend diep colleté, waarin zich een omvangrijke blanke boezem aandiende.

Als wij aankwamen of weggingen , ook al was het maar voor een middagwande- ling door de stad, tilde zij mij en mogelijk ook mijn broers, omhoog en drukte ons aan haar rijke boezem. Hoewel mij dat soms naar adem deed happen, brachten de geuren van haar talloze parfums mij steeds weer in verwarring en op zijn minst ook in verlegenheid. Mijn vader keek dat met misprijzen aan en bleef op veilige afstand.

De pikante knuffels waren voor mij ruimschoots voldoende om schaamteloos haar partij te kiezen. “Ze is best lief” bracht ik naar voren.

“Ja, ja”, zei mijn vader, “ze heeft haar zaakjes goed voor elkaar”. Ook mijn moeder leek die mening toegedaan. “Adriana was een hele lieve vrouw”.

Uit: Op de Groei

Bilbao, El Arenal, sept 2012

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s