Griffel van de Geschiedenis

ωωωωωωωωω

Geschiedenis grift zich alleen in het geheugen als het verhaalt van een persoonlijke beleving. ‘Ik heb de oorlog nog meegemaakt’. Dat zou ik kunnen zeggen als er nog iemand zou zijn die daar belangstelling voor zou tonen.

ωωωωωωωωω

Ik zit net als mijn oudste broers op de knie van een veertigjarige Duitse soldaat om met zijn kameraden Rats, Kuch en Bohnen te eten, er wellen tranen uit zijn ogen, als hij vertelt over zijn eigen kinderen, ongeveer even oud. 1944. Ik kan tientallen jaren later hun namen nog noemen, vijf, maar nu ben ik ze kwijt. Ik voel alleen nog zijn tranen op mijn wang.

ωωωωωωωωω

Het laatste jaar van de oorlog, Montgomery heeft met zijn tanks de woestijnoorlog in Noord-Afrika gewonnen, en rukt op naar Europa. Met naast zich zijn hond Rommel, een geschenk van de Duitse generaal, de tankcommandant Rommel na diens ondertekening van het kapitulatieverdrag. Monty en Rommel, zij trekken gezamenlijk op door de laars van Italië, door Frankrijk, België, nog even en ze zullen bij ons in de straat hun gedeukte tanks komen parkeren. Of all places. Mijn vader haalt iedere avond een radio onder uit een kast in de achterkamer, hij ligt ernaast op de grond en brengt het krakende verslag van de BBC in korte stenozinnen aan ons over. “Ze zijn in Parijs” ! Kuifje, nog voor dat hij als stripfiguur tot leven kwam.

ωωωωωωωωω

Als ik op mijn twaalfde met een vriendje door Parijs loop dan is dat voor mij die stad waar Montgomery met vlag en wimpel onder de Eiffeltoren is doorgetrokken. Ik kijk naar die toren van Montgomery. Een ritje naar de top is voor ons te duur. Met de trap naar het laagste balkon. Dat kost een sou.

ωωωωωωωωω

Mijn ook in Parijs onafscheidelijke broekriem is nog een geschenk uit 1945 van een van de drie officieren van Monty, die in ons huis te logeren zijn gelegd. Bevrijders! Schuin aan de overkant hebben zij hun tent opgeslagen, maar hier bij ons op zolder, daar wordt een eeuwigdurende Special Relationship gesmeed.

ωωωωωωωωω

Als ik mijn soldatenriem wil omdoen moet ik de schuur in om met hamer en aambeeld eerst drie extra gaten te slaan die mijn broek op kunnen houden.

ωωωωωωωωω

In Parijs, de geschiedenis heeft zijn beloop, heb ik nog éen zelfgemaakt gat te gaan. Pas op mijn vijftiende kan ik eindelijk op een origineel officiersgat terecht.

ωωωωωωωωω

Voor mij het overtuigend bewijs: geschiedenis is de tijd die voorbijvliegt tussen het ene gat en het volgende. Vraag me niet wat er bij die andere gaten in de wereld omging.

ωωωωωωωωω

Het eerste home-made gat, dat weet ik nog wel. Mijn hond Monty wordt als laspost uit huis gezet en door een halve oom meegenomen, honderd kilometer verder in het donkere bomen bos gedropt. Ik heb zijn verzorging te vaak aan mijn moeder overgelaten. Na vijf dagen komt hij, verregend en vermagerd, weer bij de keukendeur aanzetten. Kopje scheef omhoog, beetje treurige oogjes, maar een kort staartje dat begint te kwispelen. Echte geschiedenis, die leert je ook echte levenslessen.

ωωωωωωωωω

De foto van het steegje hierboven, ik krijg hem vandaag toegezonden, daar schrik ik toch even van. Hij is van 1955.

Dat is zo ongeveer de laatste keer dat ik bij mijn opa en oma in ‘s-Hertogenbosch op bezoek ben. Zestien jaar, alleen op pad, ik verken de omgeving. De naam van het steegje, Uilenburg, ja daar zit wat bekends in. Romantiek, die naam, dat ook.

ωωωωωωωωω

Met de vreemde ervaring van die stad, met straten voor de burgers, en – je loopt er ongemerkt aan voorbij – dwars daarop al die smalle gangetjes tussen twee huizen, niet veel meer dan een meter breed, die steegjes blijken te zijn, kleine huisjes, eenkamerwoningen met een bovenwoning en een zoldertje.

Burgers in het zicht, paupers achter de goed onderhouden schermen.

ωωωωωωωωω

Armoede zo dicht bij huis, dat is in de moderne stad waar ik zelf woon volstrekt onbekend. Paupers wonen ‘bij ons’ zoals het hoort, net buiten de stad, of in een eigen achterbuurtje op een kluitje bij elkaar, netjes afgescheiden van de volkswijk voor de arbeiders-klasse, om pas daarna over te gaan in de met bomen beplante wijk van de burgerij.

Jaren voordat ik iets over stadssociologie ga lezen, heb ik er al weet van. Echte weet, want ik heb het beleefd, en soms uitgetekend, als schilderachtig.

ωωωωωωωωω

Nu ik naar deze foto kijk sta ik versteld van mijn historisch onbenul. Armoede! 1955! Voor mij lijkt dat een jaar zoals gisteren.

Maar hoe kan dat: ik weet dat ik meermalen over dit brugje gelopen heb, terwijl die confrontatie met de verpaupering mij volledig is ontgaan. Portugal, Roemenië, China, Mexico, ja, ik ken mijn paupers. Maar in        ‘s-Hertogenbosch, in 1955?

ωωωωωωωωω

Wat is het dat mij toen blind heeft gemaakt voor de werkelijkheid? Hoe is die werkelijkheid weer schoongewassen?

ωωωωωωωωω