Over de koe en de staart. Wouter Toelinck, 31 Maart 1631.

oorkonden

 

Mijn dagelijkse kost bestaat al jaren uit fiches. Al zo’n vijftien jaar of langer. Ik voel me er wel bij. En omdat ik op mijn Mac zorgvuldig bijhoudt hoeveel fiches ik tot mij neem kan ik vertellen dat ik sinds die tijd het aantal van 300.000 ruimschoots ben gepasseerd.

De fiche die ik nu zo’ beetje acher de kiezen heb is een kleintje. Het is een stukje tekst, zes regels. Gedateerd 14 maart 1539. Oorspronkelijk gekalligrafeerd op perkament, gelooide koeienhuid. Op dit perkament zijn het drie keer zoveel regels. Zo prachtig, vaardig en weloverwogen in beeld gezet. Ik zou een paar van die perkamenten op mijn studeerkamer aan de muur willen hebben. Los van de inhoud is het beeld, de kalligrafie, een schoonheid, een kunstuiting sui generis.

De perkamenten liggen in ‘s-Hertogenbosch opgeslagen. Zijn het er honderdduizend? ik weet het niet. Al vele jaren worden er dagelijks een aantal ouderwets op microfiches gezet. De laatste jaren is weer een deel daarvan gefotografeerd en op internet gezet.

Ik kijk daar wel naar om een inhoud te ontcijferen. Maar 1539, dat is Middelnederlands. Mijn Woordenboek Verdam brengt mij niet verder. Het schrift, prachtig, maar op een enkel woord hier en daar na, ook als schrift bijna ondoorgrondelijk.

Sinds een jaar heb ik een collega bij de arm die het schrift vrijwel moeiteloos leest, al gaat dat woord voor woord en zin voor zin. Die vertaling schrijft hij niet op, maar een samenvatting, waarbij alle eigennamen en toponiemen letterlijk worden getranscribeerd. Maar de rest is waar mogelijk zijn alledaags Nederlands.

Ik kijk nu met onverdeeld genoegen ook naar de inhoud. Dank, mijn geleerde Vriend!

 

  1. 1329, fol. 221vo, 14 maart 1539: Johannes Henricus van Couwenberch heeft opgedragen aan de kinderen Goeswinus, Johannes, en Ghijsbertus, zonen van wijlen Jacobus van Hedel, een erfcijns van zes gulden op de helft van een huis, hof en land te Aarle, ter plaatse geheten die Lekerstraat. In margine: Later afgelost aan handen van Theodericus Toelinck, op dat moment eigenaar van die panden, 13 maart 1631.

 

De tekst, of een die er sterk op lijkt, is mij zo’n vijftien jaar geleden ook al eens onder ogen genomen. Ik kon er toen niets mee.

 De namen zeiden mij niets, de handelingen die hier zijn vastgelegd en zo juridische rechtsgeldigheid verwerven al evenmin. Alleen die ene naam, Theodericus Toelinck, dat was voldoende aanleiding om dit zorgvuldig vast te leggen. Voor later. Daarom is die fiche tenslotte op mijn Mac terechtgekomen. En tegenwoordig in De Wolk. 

Bouwsteentje uit een stamboom in wording die ik ‘de Teulings Clan’ noemde. Min of meer uit nood. Alles wat los en vast zat, elk fiche met iets van een naam die ik kon herleiden tot een ‘echte’ Teulings, ongeacht de in die tijd in omloop zijnde eenenveertig verschillende schrijfwijzen.


 

Ik kijk terug op dit monnikenwerk, dat nog bij lange na niet klaar is. Een stamboom, ja, achtentwintig generaties in rechte lijn met de naam Teulings. Als ik ooit weer in de Arabisch woestijn op een kameel zou rijden zou ik daar met trots, en niet met gene, mededeling over hebben gedaan. Als stamhouder onder andere stamhoofden met een eeuwenoude voorvader. De eerste Teulings, toen een Tolinc, reed in 1140 al rond in de Vrijdom van Orthen, nog voor dat Hertog Jan I uit Leuven besloot hier zijn Novo Oppidum te vestigen. Mijn vader, wijlen, is de laatste van mijn stamlijn die nog in ditzelfde ‘s-Hertogenbosch is geboren. Al vroeg zijn er familieleden uitgezworven naar Amsterdam, Antwerpen, Gent, Londen, Riga, Venezia, Napels, New York en verder.

In die vijftien jaar heb ik veel geleerd. Nu weet ik direct wie de van Hedel’s in het bovenstaande zijn. Jacob, die werd gekozen tot schepen van ‘s-Hertogenbosch. Zijn zonen Goeswinus en Mr Johannes, ook Bossche schepenen. Ook de van Hedels gaan terug tot die Orthense voorgeschiedenis van 1150. In de loop der tijd werd er meermalen met de Tolincx onderling uitgehuwelijkt. Zij behoren dan tot de stedelijke patriciërs, reislustige kooplieden, waartoe ook de genoemde Theodericus, alias Dirk Toelinck en zijn voorouders gerekend konden worden.

Goeswinus van Hedel is getrouwd met een Maria van den Haenenberch, dochter van Wellen. En haar broer Bruysten trouwde met Aleijt, dochter van Wouter Toelinck.

Wouter. Dat is pal in de rechte lijn van mijn stamboom. Hier grijpen we de koe bij zijn staatt. Een oprechte voorvader.

En wat doen die mensen dan met een huis, hof en land in Aarle, op bijna een dag rijden van de stad. Ook dat kan ik, na raadpleging van mijn fiches, binnen een half uur precies vertellen. Het is een gebied waarover een lid van de familie Kemp al enkele generaties het rentmeesterschap voert. In dienst van de Hertog. En zowel leden van de familie van Hedel als van de familie Toelinck hebben huwelijkspartners gevonden binnen die familie Kemp. De lijnen klonteren samen en worden kluiten. Een kluit, dat is meer dan een genealogische postzegelverzameling, dat is een geschiedenis, een verhaal, een kleine geschiedenis die zich laat verbinden met die grote. 

 

Dat land te Aarle is een eigendom, maar geen terroir of pouvoir waarop door een van de betrokkenen een vorm van landbouw of veeteelt bedreven wordt, dat gebeurt door een lokale pachter. Het behoort tot een wisselende verzameling van bezittingen die als spaartegoed, of als investeringsproject, vaak generaties lang achter de hand gehouden wordt, en die bij overlijden van een der familieleden volgens vaste regels op een ander lid overgaan. Of onder de kinderen verdeeld. Percelen die je eindeloos kunt versnipperen, tot er niet meer dan een smalle beemd overblijft waarop je nog nauwelijks éen koe te grazen kunt nemen. Eerlijk snipperen, dat is een hele kunst. En daartoe komt dan een bemiddelend notarisfiguur zoals Johannes Couwenberch even om de hoek kijken.

Heb ik nu alles wat ui die ene fiche valt af te leiden besproken? Is dat de rijkdom aan kennis en inzicht die mij na vele jaren uit het eerzame, maar eenvoudige bestaan van de postzegel verzamelaar heeft doen rijzen?

Let op! Het zou mij vroeger zijn ontgaan. Een klein detail dat absoluut geen detail is. De datering: 1539-1632. Dat is de op een haar na de tijd van de tachtigjarige oorlog.

 De tijd waarin vele families uit de burgerij ook in hun midden een enorme tweespalt zien ontstaan. Wordt het de Bataafse Republiek, of de Spaanse koning? Wordt het Trump of Hillary? In een Calvinistische of Roomse Reformatie? Brexit of Bruxit? Niet alleen het land, maar ook families en gezinnen raken verdeeld. Versplinterd. Boedeldelingen kunnen ontaarden in vechtpartijen of erger.

 Zo’n enkele fiche, die kostelijke duistere krabbels op een verdroogde koeienrug, zij zetten mij weer op het spoor van mijn oude vak, mijn wat verweesd erfgoed uit de Amsterdamse Faculteit der Politieke en Sociaal-Culturele Wetenschappen. Van daaruit valt nog veel over dit fiche te zeggen.

Het voorgaande, dat is, laten we eerlijk zijn, een bescheiden vorm van empirisch onderzoek. Het kan mij dienen als basis voor een paragraafje van theoretiserende beschouwing. Over Der Geist des Kapitalismus. Bijvoorbeeld. Altijd weer actueel.