Cui Bono: Op Rekening van de Broederschap

Uit: Rekeningen van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap, BHIC
Uit: Rekeningen van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap, BHIC

◊◊◊

  • De historie wil dat bij de stichting in 1318, de Broederschap bestond uit een drietal heren van groot geestelijk en wereldlijk gezag. Maar het enige waaruit hun betrokkenheid blijkt is dat zij – tenslotte – in 1318 hun fiat geven aan het bestaan van een nog nooit eerder vertoond clerkengilde in ‘s-Hertogenbosch en daarop hun zegel afgeven. Maar in de eerste Rekeningen van de broederschap komen zij nergens voor. Bij hun overlijden geen mis gecelebreerd, geen kaars gebrand, geen klok geluid. En daaruit is er met zekerheid vast te stellen dat er voor hen geen leven in de Broederschap geweest.

Een bijna even mythische figuur is die van Gerard van Uden, die vaak als de oorspronkelijke stichter uit de vergetelheid wordt teruggewonnen. Hier gelden dezelfde twijfels al is er wel een schriftelijke bron aan te wijzen die duidelijk maakt waarom deze gedachte ooit is kunnen ontstaan.

◊◊◊

Laten we kijken naar de Rekeningen zelf. Zij vangen pas aan in het jaar 1329/1330, elf jaar na dato van de officiële erkenning in 1318. En, naar ik hoop nog plausibel te kunnen maken, minstens 10 jaar na de oprichting van de clerkenbroederschap. Dat is in de tijd dat de stedelijke ambachtsgilden in Vlaanderen en Brabant in opstand kwamen tegen de een autocratisch, gesloten stadbestuur van kooplieden en landjonkers, en medezeggenschap opeiste voor de sterk in omvang, aantal en economische betekenis toenemende ambachtsgilden. Ik plaats het ontstaan van de clerkenbroederschap in deze context, al duurde het nog de nodige jaren voordat dit gilde een vaste voet aan de grond kreeg en ook in geschrote de geschiedenis binnentrad.

◊◊◊

Lettend op de hand van de schrijver zijn de rekeningen uit de eerste jaren opgemaakt vanaf bewaarde kladvelletjes, en pas een tien jaar later, in 1341/42 voor het eerst ingeboekt, waarschijnlijk door een hulpkracht. Het gebruik van het woord ‘proefst’ (proost) als benaming van de voorzitter suggereert ook dat het om een buitenstaander gaat. In eigen kring spreekt de broederschap uitsluitend over prepositores, d.i. door de leden gekozen voorzitters. De term proost is in die tijd voorbehouden aan personen die van hogerhand, en binnen een kerkelijke hiërarchie, worden benoemd. Bij de eerstgenoemde, en dus oudste voorzitter, Heinryc Stempel wordt opmerkelijk genoeg wel het woord proost gebruikt. Het is de enige maal dat dit in de periode 1329-1375 voorkomt. Een proost zou een priester moeten zijn. Maar dat is Heynryc niet. Opmerkelijk genoeg is er nu toegevoegd ‘die doe clerc was’. Hij was niet alleen toen clerk, hij is dat zijn hele leven gebleven,

◊◊◊

Hieronder de openingstekst van de Rekeningen anno 1330.

Int jaer ons Heren doe men screef M.CCC ende XXX doe was ghecoren proefst her Heinryc Stempel die doe clerc was ende Didderyc Specyer.

en de tekst vervolgt:

Dit heb wi inghenomen:

Hieronder vallen in totaal 41 posten. De meesten zijn niet langer dan éen enkele regel. Ik denk dat het  zinvol is om daartussen wat  onderscheid aan te brengen

◊◊◊

  • Vaste inkomsten
  • Dit betreft 23 posten met inkomsten uit cijnzen. Het zijn vaste bedragen waarop de Broederschap dan jaarlijks mag rekenen. De in deze rubriek genoemde personen kunnen worden gezien als de fondsverschaffers, de financiers van deze organisatie. In een volgende bijdrage zal ik elk van de leden van dit gezelschap behandelen en waar mogelijk in een onderling verband, binnen een netwerk van personen, families en organisaties brengen. Dat is iets te ambitieus geformuleerd, maar het verraadt slechts iets van mijn ongebreidelde nieuwsgierigheid.

Te onderscheiden zijn daarin naar aard van de transactie:

  • Cijnzen en erfcijnzen

In de tekst wordt (soms) een onderscheid gemaakt tussen ‘die tsijns’ en ‘die erve tsijns’.

  1. In het eerste geval is als ik het goed zie de eigenaar alleen bezitter van de cijns, maar niet van het achterliggende onderpand. Het gaat dus louter om de schenking van een financieel product. Blijft de schenker in gebreke dan kan de Broederschap een beslag leggen op zijn bezit, maar daar maakt het onderpand geen deel van uit
  2. In het tweede geval is schenker van de cijns ook de eigenaar van het onderpand. Als hij het onderpand verkoopt is het belast met deze cijns en de nieuwe eigenaar neemt ook de verplichting jegens de broederschap over.
  3. Het is ook mogelijk dat de Broederschap het onderpand zelf ten geschenke krijgt, en dan de jaarlijkse huur of pacht op de balans zet.Deze transacties kennen geen vooraf bepaalde duur.
  • Een ander soort transactie betreft een inkomen uit lijfrente. Het stadsbestuur van ‘s-Hertogenbosch gaat een eeuw later af en toe over tot de uitgifte van een lijfrente als middel om kastekorten te dekken. De Broederschap heeft dit middel al eerder ontdekt. Het komt meermalen voor dat een priester bij testament aan zijn huisvrouw, bij wie hij kinderen heeft achtergelaten, een erfcijns schenkt, voor haarzelf en voor het onderhoud van de kinderen.

◊◊◊

Enerzijds wordt daarmee voldaan aan een morele plicht. Maar het is ook een manier om onder de eisen van het kerkelijk recht uit te komen. Een van de doorslaggevende redenen van de kerk om het celibaat in te stellen was, dat kerkelijke gezagsdragers, pausen, kardinalen en bisschoppen voorop, maar in toenemende mate ook priesters het aan hun hoede toevertrouwde kerkelijk bezit als persoonlijk eigendom beschouwden en als erfgoed aan hun naasten doorgaven.

◊◊◊

Aan de rijkdommen van de kerk werd van alle kanten geknaagd. Als het celibaat als plicht tot seksuele onthouding werd overtreden leidde dat, als het niet anders kon, met een zeer milde jaarlijkse boete afgehandeld. Maar sluikse overdracht van kerkelijke goederen aan de kinderen werd nauwlettend in het oog gehouden en zwaar afgestraft. In de kapelaans-broederschappen hielpen broeders elkaar. Een beneficie, het recht op de inkomsten uit een altaar, of, afgeleid daarvan het recht op de inkomsten uit de bediening van dat altaar, werd overgedragen aan een ander lid van de broederschap.

Zodra de kinderen van de erflater volwassen waren en zelf het priesterambt konden uitoefenen werd de prebende door de patrones die tijdelijk het beheer had weer formeel overgedragen aan de bastaardkinderen. Zo ontstonden in Brabant de talrijke pastoorsfamilies die generaties lang van vader op zoon het priesterambacht uitoefenden.

◊◊◊

Priesterleden van de Clerkenbroederschap maken gebruik van dezelfde sluipwegen, waarvoor ook deze broederschap ruimte biedt.

  • Een kleine case study hierover staat op stapel. “Van een out wiif die tot Didderyc Specyer plegt te wesen die Aleit Densers heit.”

Zoals bij andere ambachtsgilden is onderlinge solidariteit een ernstig te nemen verplichting, juist als het gaat om behoud en bescherming van de maatschappelijke positie.

De formule die door kapelanen en priesters wordt gehanteerd is alleen van toepassing op de erfcijns, en de toetssteen voor het in werking zijn van dit mechanisme is of bastaardkinderen lid kunnen worden van de broederschap en de broederschap vervolgens deze cijnzen aan hen doorbetaalt.

◊◊◊

De hierboven gemaakte onderscheidingen in de soorten van transacties waaruit inkomen wordt gevormd lijken mij relevant voor een volgende analyse, waarin nog vele stappen zijn te gaan. Vooraf is niet te bepalen of het onderscheid ook bij longitudinale analyse, over de jaren 1330-1375, zinvol zal blijken te zijn.

De inkomensposten of -items bevatten verder meestal zij geven een benaming van de (oorspronkelijke) eigenaar. Die benaming kan naar schrijfwijze sterk variëren. Soms wordt alleen een voornaam gegeven, soms alleen een achternaam. Soms is de achternaam een verwijzing naar het beroep dat iemand uitoefent, soms verwijst dit naar het dorp of de het gehucht waar zijn ouders woonden, soms naar de naam van het uithangbord (in de stad) of naar de naam van de hoeve van hemzelf, of die van de vader van zijn vrouw. Soms neemt een zoon de achternaam van zijn moeder over, en soms de voornaam (Joannes Liesbetten).

De mogelijkheden zijn daarmee niet uitgeput.

De inkomenspost kan ook de naam van de huidige erfgerechtigde bevatten. Als het heel mooi is komen we ook iets van de naam van het goed te weten dat als onderpand dient. Een toelichting volgt nog (Annales )

◊◊◊

Als totaal bedrag van de inkomsten uit cijnsen voor het jaar 1929/1930 wordt genoemd

Summa 23 lb.. 7 st.. 11 d.

De genoemde bedragen zijn door de scribent omgezet in standaard rekeneenheden waarin de inkomsten en uitgaven worden geboekt: Ponden: lb.; stuivers: st. en penningen (deniers): d. In 1329/30 zijn de cijfers in aantallen oude munten.

De klinkende munt waarin daadwerkelijk wordt betaald vertoont een rijke variatie van muntsoorten. Bij boeking worden deze omgerekend naar de referentiewaarde. Ook hierover volgt een terzijde waarin dit wordt uiteengezet. (Annales)

Bij nadere inspectie blijkt dat er onder inkomsten uit cijnzen tenminste twee posten ingeslopen zijn van een andere orde:

  1. post 3, van omgaen 2 gr.; dit verwijst naar een ommegang, een processie die naast gemaakte kosten, toch ook 2 groten oplevert; en
  2. post 14, van wasse 2 st. gr dat ic vercoft; de opbrengst uit de verkoop van waskaarsen
  • Variabele inkomsten

Deze rubriek bevat slechts vier posten met inkomsten uit een eenmalige bijdrage van leden.
Er treden dat jaar vier nieuwe leden toe. De kosten van deze introïtus zijn niet gering, en bedragen 10 stuivers, in klinkende munt of in mud rogge.
Het bedrag van 10 stuivers is een handig markeringspunt. Niet altijd wordt aangegeven dat het bij een post om een intredegeld gaat. Als ik een post tegenkom onder inkomsten, na de cijnsinkomens, en de betrokken persoon voor het eerst genoemd wordt beschouw ik dit in eerste instantie als een nieuwe intrede. 

◊◊◊

  • Aanvuling op de cijnsinkomsten

Een derde rubriek is in een opengebleven ruimte toegevoegd onder het hoofd Isti tenentur adhunc de pacta.
Twee fondsverschaffers blijken pas op het allerlaatste moment bij het uitschrijven van de rekening hun achterstallige verplichtingen na te komen, in aanvulling van de onder a. genoemde bedragen. Het is duidelijk dat het hier gaat om cijnsverplichtingen, maar de bedragen zijn niet aan de som van van deze inkomsten toegevoegd.
Het gaat om een bedrag van twee maal 6 groten contant, in de boekhouding niet omgezet in rekeneenheden in ponden. Eén groot is in standaard rekeneenheid 12 penningen.

◊◊◊

  • Gederfde cijnsinkomsten

Twaalf posten van personen die op dat moment hun verplichte bijdragen nog niet hebben afgedragen, de wanbetalers.

Deze debiteuren worden opgevoerd alsof zij de openstaande bedragen al hebben betaald. Over de jaren heen is men daar niet erg consistent in. Het kan voorkomen dat een inkomstenpost nog een tweede keer wordt opgevoerd, in een volgend jaar of later, omdat dan het geld ook in klinkende munt binnenkomt.

Als totaal van de inkomsten wordt opgetekend:

Summa 15 lb. 17 st. 11 d.

Van de scribent die niet gespeend lijkt te zijn van enige humor lezen we daarop in kapitalen de verzuchting:

SALVE REGINA

Zoiets als: Moge de Maria de Koningin van alle engelen, ons redden

◊◊◊

Het tweede deel van de rekening leest:

Dit heb wi uyt ghegeven:

En dan volgen niet minder dan 60 posten. Die zijn een nadere beschouwing zeker waard. Zij geven onder meer de indruk dat er ook bij de clerken aan smulpapen geen gebrek is.

◊◊◊

  • Afsluiting

Bij de afsluiting van de jaarrekening in dit jaar 1330 de hierboven genoemde totalen voor vast en variabel inkomen bij elkaar opgeteld, en verminderd met de som van de uitgaven. De debiteuren blijven buiten beschouwing. Dat levert in de boeken bij balans een saldo op van 10 lb. et 19 st.
Maar eerst stond er een saldo van 27 lb. en 19 st. De debiteuren waren al als betalers opgevoerd. Dat is ter vergadering doorgestreept.

Tijdens de ledenvergadering komen dan nog een aantal betalingen binnen: vier leden komen met aanvullende cijnsbetalingen over de brug, en de eerste voorzitter vindt in zijn zak nog een briefje waarop staat dat hij voor het laatste koren dat als betaalmiddel werd ingebracht een bedrag van 11 groten wist te incasseren.

Er is verder geen kascontrole. De eerste en tweede voorzitter hebben elk een sleutel van de geldkist waarin het totaal van de klinkende munt wordt afgeworpen. Die staat op de zolder boven het Maria-altaar. Verder is er nog een stevige zak waarin de broeders die hun plichten verzaken lhun boeten betalen. Deze zak wordt als eerste geleegd als het om uitgaven voor maaltijden gaat.

Vanuit zakelijk oogpunt ziet het er allemaal niet zo fraai uit. De uitgaven zijn aanzienlijk groter dan de inkomsten. Uit nader analyse zal nog moeten blijken welk deel van de cijnsinkomens echt vast is en welk deel een aflopend karakter heeft. Ook de bestudering van de uitgaven roept vragen op. Een flink deel van de uitgaven is consumptief. een deel van de uitgaven betreft personeelskosten die ook niet gering zijn, de betaling van de bedienaars van de missen met drie heren; de betaling voor zangers en organist; voor kosters en batonniers, de ordediensten.

En de ledenbijdragen vallen in het niet bij de inkomsten uit externe fondsen.

◊◊◊

Analyse van inkomsten en uitgaven is, vanuit mijn onverbeterlijk organisatie-sociologisch gezien, altijd ook een analyse van het gewicht, de invloed en macht van de verschillende stakeholders in een organisatie. De centrale vraag is het cui bono om met een van mijn vroege leermeesters, Peter Blau (Un of Chicago, 1963), te spreken. Opening van de boeken kan vaak een verbluffend helder inzicht geven in antwoord op de vraag, wat heeft ertoe geleid dat deze organisatie is ontstaan, wie wint en verliest bij haar voortbestaan?

We hebben het dan natuurlijk niet over de jaarverslagen die gericht zijn op het apaiseren van een extern publiek. De boekhouding van de clerkenbroederschap is ontwapenend open en eerlijk, maar ook nooit bestemd geweest voor pottenkijkers.

Dat maakt veel uit.

◊◊◊

Zoals bij alle organisaties het geval is kent ook de broederschap meerdere typen van constituenten. Ik hoop deze elk in volgende bijdragen aan de orde te laten komen. Met als eerste de ‘founders‘ die er hun geld in steken.

Elke type constituent brengt zo zijn eigen verwachtingen, aspiraties en doelstellingen voor de organisatie in en wil die graag gerealiseerd zien. Voor elk van hen is er een verschillende maatstaf voor nut, grensnut, en onnut van de in deze organisatie ingebrachte activiteiten en middelen.

Dat vinden we natuurlijk maar tot op zekere hoogte terug in in de plooien die ontstaan bij de verdeling van inkomsten en uitgaven en niet (kunnen) worden gladgestreken. Constituenten investeren en desinvesteren ook nog in het moreel, cultureel en sociaal kapitaal van een organisatie. Maar op die kant komen we onvermijdelijk ook terug als we de boeken cijfermatig gaan uitpluizen.

◊◊◊

Uit: Ad Teulings, Op de Rol, 2012 (herzien)

◊◊◊

Annales

– volgt