18 Stoet met spek

◊◊◊

Het is zondag, ergens in de maand juni 1944. We maken ons klaar voor het middagmaal. Er is met een vers gesteven damast laken gedekt. Het Zilmeta servies met Haags lofje is door mij persoonlijk uitgelegd. Bovenop het platte bord is een diep bord geplaatst, want er is soep. Het mag dan wel oorlog zijn, maar op de Zondag is er soep. De ingrediënten zijn een paar vochtige blokjes uit een vooroorlogs Maggi-busje, waarvan nog even is nageteld hoeveel er na deze uitspatting over blijven. De smaak is opgevoerd door toevoeging van een lepel kerriepoeder. Daarna is het geheel verrijkt met sago korrels, die door verhitting uitzetten en als glanzende doorzichtige bolletjes een voor een naar de oppervlakte springen. Bij het houtfornuis in de  keuken heb ik een stoel aangeschoven. Ik zit er mijn neus bovenop.

◊◊◊

Dan kunnen we aan tafel. De kerrysoep is net over de borden verdeeld als het luchtalarm gaat. Dat hoort niet vindt mijn vader. ‘Op Zondag is er even geen oorlog’ weet hij uit ervaring. Hij springt op. ‘Allemaal op de fiets! roept hij naar ons. ‘En de soep dan?’ vraagt mijn moeder. ‘Wegwezen’ roept mijn vader. We rennen naar de fietsenschuur. Mijn moeder zet nog even de platte borden boven op de dampende soep. ‘Voor straks’ zegt ze. ‘Waar gaan we naar toe?’ Hij kijkt achterom. ‘Bornsestraat’ wijst hij.

◊◊◊

De Bornsestraat begint honderd meter verderop. Het is dan nog een zandweg, met aan beide zijden een dubbele rij eikenbomen. Tussen de bomen is een fietspad. Het vereist de nodige stuurmanskunst om tussen de wortels door een rijspoor aan te houden. Hobbelend in het zitje aan het stuur van mijn vader klappen mijn tanden in mijn tong. ‘Bloed!’ roep ik. ‘Ja, het is oorlog’ roept mijn vader. Als even later de eerste druppels zijn zondagse pantalon bereiken moet er toch worden gestopt. Mijn moeder kijkt even. ‘Het is al weer over’ zegt ze.

◊◊◊

Er is geen ruimte voor mijn leed. Achter ons scheren de bommenwerpers over de stad, de Duitse Flaks spetteren in wijde bogen hun vuurwerk de lucht in. Engelse jagers werpen hun serpentines van zilverpapier naar beneden. Eigenlijk is het een prachtig schouwspel. Maar dan stijgen er rookwolken op die blijven aanhouden. Het wild geraas is weer even plotseling uit de lucht als het gekomen is. “Wat is er geraakt?” vraagt mijn moeder. “Geen idee, maar de Hengelosche Esch in elk geval niet.” zegt hij. “Wie komt er nou bommen gooien op Zondag?” merkt ze op.

◊◊◊

“Kom, we fietsen even door” beslist mijn vader, “Het is Zondag, de zon schijnt, we zoeken even de rust op”. We zijn vlak bij Borne en slaan rechtsaf richting Saasveld. “We zoeken een mooi plekje ergens in het gras”.

“Er is hier gegierd” stelt mijn vader vast. “We hebben geen deken bij ons om op te zitten” zegt mijn moeder. “Honger!’ roep ik vanaf mijn zitje”. Mijn vader, die ook tot taak heeft leiding te geven bij een kleine gezinscrisis, aarzelt even. “We rijden gewoon door naar Saasveld”, beslist hij. Hij heeft de spits van een kerktoren waargenomen. “Waar een kerk is, is een kroeg” zegt hij, “hier wonen godvruchtige katholieken”.

Hij toont zich de man met vooruitziende blik. Pal naast de kerk staat een verlaten uitziend dorpscafé. De deur is open en heeft een stevige klingel. “Deze jongens hebben trek in een boterham” zegt mijn vader tegen de boerin die na enige tijd tevoorschijn komt, ons opneemt en vraagt of we oet Hengel komen. “T’is me daar wat’ zegt ze dan, de Duutsers gooien de hele boel plat.’ ‘Het zijn Engelsen’ zegt mijn vader, op het punt om dit misverstand nu eens en voor altijd uit de wereld te helpen. “Maar ze is al half op weg naar de keuken. “Ik heb roggenstoet met spek” zegt ze, “daar moei’t mee doen”.

Er wordt een mandje met roggestoet belegd op tafel gezet, en we snuiven de geur van gerookt spek op. “Heerlijk’, roepen mijn ouders in koor. “Een kopje koffie erbij?” vraagt onze boerin. “Een groot glas water, als het kan” zegt hij. Hij wil de pure smaak van stoet en spek niet laten bederven door een bakje van de surrogaat-koffie met Buisman die op de kachel staat te pruttelen. Het blijkt een meer dan goede keuze. We ruiken het water. Het water komt uit de put. Koel, helder, en met een volle smaak van zwarte aarde en ijzeroer. Mijn ouders ruiken ook nog even aan het roggebrood en het spek voordat we er een hap in durven zetten. “Houtvuur!” knort mijn vader. We ruiken om beurten. “Houtvuur!” Er wacht ons Bourgondische genoegen.

De boerin blijft een beetje uit de buurt. Bij leu oet Hengel schuif je niet zomaar aan. Ze verdient niet veel aan ons, maar we zijn dankbare gasten. Er komt ongevraagd nog een mandje, stoet met spek voor mijn vader, met smalz en suiker voor mijn moeder en mij.

Mijn vader loopt rond en maakt hier en daar een praatje met leu die het café binnen druppelen. ‘We moeten weer eens gaan’, meldt hij ons. “We komen graag nog eens terug” roept hij naar boerin achter de tap. “Je ziet maar”, zegt ze, maar ze lacht er gul bij.

◊◊◊

Op de terugweg gaat het niet meer over de kroeg bij de kerk, maar over onze herberg, en de boerin is zijn waardin geworden. “Er was plaats in de herberg”, zegt mijn moeder bevestigend. Ze spelen even Josef en Maria, en ik ben het kindje Jezus. En hoog op mijn zitje aan het stuur, tussen de fluisterende eikenbomen van de Bornsestraat, heb ik daar geen moeite mee. Deze Jezus heeft een bofkontje.

◊◊◊

Thuisgekomen staan de afgedekte borden met kerriesoep nog steeds op tafel. “Ik zal ze even terugdoen in de pan” zegt mijn moeder. Dat vindt mijn vader overdreven. We slurpen de balletjes soja van de soeplepel. “Lekker”, roep ik, mijn kleine bijdrage leverend aan de vredige stemming. “Wanneer gaan we weer terug naar Saasveld?”

◊◊◊

Mijn vader staat op. “Ik ga even poolshoogte nemen bij de buren. Misschien ligt de fabriek wel plat”. Er is weer van alles gebeurd in de stad, maar de fabriek staat er nog, hoor ik een paar uurtjes later vanuit mijn bed.

Deze keer nog wel, maar het zal niet zo lang meer duren. En ook de terugkeer naar Saasveld komt eerder dan we voor mogelijk hebben gehouden. Winter is coming.

◊◊◊