25 Poses, Spinsels, Folklore en dan ook nog wat Geschiedenis

◊◊◊

In mijn tweede studiejaar, het is juli 1959, trek ik met mijn vriend en jaargenoot Peter van Stekelenburg naar Joegoslavië, het land van Maarschalk Tito. Peter is Arabist in opleiding, ook een beetje Slavist, studies die door mijn vakgenoten als excentriek worden beschouwd. Voor feestjes en partijen waar ik ook fijnzinnige sociologen verwacht haalt Peter op mijn verzoek het monocle uit zijn la, waarmee een toon kan worden gezet. Ik bewonder het gebaar waarmee hij dit bij binnenkomst in zijn linker oogholte plaatst om kennis te nemen van de ontvangst die hem ten deel valt. Jonge socialisten zien hun avond bij voorbaat verpest en trekken zich in eigen kring terug. Meer volkenkundig georiënteerde vrienden worden geprikkeld in hun belangstelling voor exoten en afwijkend gedrag. Na enige participerende observatie stellen zij met oprechte verbazing vast dat het hier gaat om een buitengewoon aardig en gevat exemplaar van het verlegen jongmens dat ook in henzelf schuilgaat. “Aardige jongen” krijg ik als compliment te horen. Het wordt als mijn verdienste beschouwd dat ik heb hem heb ingebracht.

◊◊◊

“Charmant!” fluisteren enkele vrouwelijke jaargenoten, mij in het oor. Zij zijn er nog niet helemaal op uitgekeken. Ik meen iets meer dan een lichte verwarring te bespeuren. Met zijn rijzige gestalte, zijn scherpe neus, het goed gesneden costume, en dan ook nog het monocle, is hij een figuur uit de Berliner Filmstudio van de jaren veertig, misschien zelfs die Duitse officier uit de tweede wereldoorlog waardoor hun moeder zo geïmponeerd werd. Zijn optreden bereikt een apotheose als hij, later op de avond, lijfelijk het verschil uiteenzet tussen de Narodne Pjesme o Plejovi uit de Autonome Republiek Vojvodina, met Hongaars moedervlekje, en zang en dans van de Macedoniërs, met herkenbaar Griekse signatuur. Hij begint met zijn lange benen te schoffelen, maakt wilde pasjes, heft zijn handen omhoog, in de rechter het glas, in de linker het monocle.  “Mijn Liefje, Mijn Duifje”, zingt hij, in het Servisch, of in iets wat daar op lijkt. “Het is een ode van het volk aan Maarschalk Tito”. De socialisten onder ons beginnen nu ritmisch mee te klappen.

◊◊◊

Peter ken ik nog in tal van andere verschijningsvormen, zoals die van de opgejaagde, soms zelfs wat angstige Spy Who Came In From The Cold. Dat is op de Zaterdagmiddagen wanneer hij bij mij binnenstormt, het angstzweet op zijn gezicht. “Water!” vraagt hij. “Koud water?” Ik bezit – zelfs als tweedejaars student – een zelfverdiende ijskast, wat in die tijd een bijzonderheid is. Er staat een fles voor hem klaar. Hij draagt nu zijn lange donkere gabardine regenjas. Naar het voorbeeld van de Marx Brothers zijn aan de binnenzijde royale zakken ingenaaid. Vermoedelijk door zijn moeder, en onder vals voorwendsel. Hij haalt twee in bakeliet geperste gramofoonplaten tevoorschijn. “Joegoslavische volksmuziek, morgen moet je komen luisteren”. Hij is liefhebber en verzamelaar. En daarin gaat hij ver. “Misschien Vrijdag,” zeg ik. Het zweet loopt langs zijn voorhoofd. Ondanks de nieuwe aanwinsten ziet hij er belabberd uit. “Komende Zaterdag moet je mee naar de winkel”, vindt hij. “Als jij de winkelier weet af te leiden, raak ik niet zo vreselijk gespannen”.

◊◊◊

We spelen dit scenario vaker af. “Nee,” zeg ik, “het is een aardige man. Je moet er mee stoppen. Je hebt geld genoeg”. Ik weet dat het niet om het geld gaat. Hij heeft, net als ik, twee oudere broers. Hij is in hun ogen een nakomertje. Zijn platencollectie, met name de manier waarop deze wordt verzameld, is een van de tokens waarmee hij zal tonen dat hij niet voor hen onderdoet. Als ik een keer naar het zuiden afreis omdat hij behoorlijk ziek is neemt zijn moeder mij terzijde: “Gaat het een beetje goed met hem daar in Utrecht”. Het gaat hem uitstekend, geen zorgen. Ze blijft bezorgd kijken. “Hij had altijd al een wat zwakke gezondheid”.

De twee oudere broers maken kennis, ik weet dat zij aan de TH Eindhoven bijna klaar zijn met hun ingenieursstudie. Zij tonen zich verbaasd dat ik met hem optrek. “Hij had weinig vrienden op de middelbare school”. “Daar is in Utrecht niets van te merken” meld ik, “ik denk dat zijn vertrek naar Utrecht voor hem een bevrijding is”

◊◊◊

Peter is bedlegerig maar inmiddels wakker en in staat mij te ontvangen. Hij zit broos op de rand van het bed, een kamerjas aan, waarboven ik zijn bleke gezicht bekijk, wat uitgeholde wangen, en hulpeloze ogen. “Ik heb een plaat voor je meegenomen”, zeg ik, “net binnen, meegepikt uit jouw winkel”. “Dat had je niet moeten doen”, zegt hij. Het is mijn leugentje om bestwil. Ik denk dat hij mijn voze opsmuk doorziet. “Ik heb nog drie maanden rust voor de boeg. Ik mag hier niet weg. Quarantaine”. Het wordt een wat treurige bijeenkomst. We hebben geen scenario bij de hand om er toch nog een gebeurtenis van te maken. De nieuwe plaat wordt opgezet. Ook daar is geen soulaas te vinden.

◊◊◊

Hij heeft de tyfus. De dag voordat we na vijf weken uit Joegoslavië terugkeren drinkt hij van het water uit de fontein op een dorpsplein. Ik heb deze reis al een paar keer met maagkrampen op bed gelegen en koop nu iets van grenadine. Bij de Nederlandse grens nemen we afscheid. Vijf dagen later staat de Rijkspolitie voor mijn deur, en een ambulance. Ik moet mij identificeren. Onmiddellijk mee naar het ziekenhuis, onder begeleiding van drie zwijgende, gemuilkorfde verplegers. Ik heb geen tyfus, de politie brengt mij netjes weer thuis.

◊◊◊

Geluk gehad, denk ik. Ik bel mijn ouders, die zich met terugwerkende kracht dodelijk ongerust maken. Ik hoor mijn vader naast de hoorn zijn hoofd schudden. “Alles is OK” roep ik. “Niks aan de hand!”. Hij neemt de hoorn over. “Voor hetzelfde geld had je nu voor dood in het ziekenhuis kunnen liggen”, vindt hij. Mijn moeder valt hem bij. Er zit schrik in de benen. Het is niet meer duidelijk of ze tegen mij praten of elkaar het hoofd op hol staan te brengen.

“Ik had de Stiepelstaf bij me”, roep ik ten einde raad, die heeft me beschermd!” Het is een absurde gedachte die in het ziekenhuis wel even door mijn hoofd geschoten is. Ik weet niet of het indruk maakt, maar bij mijn ouders keert de rust terug. “Waneer kom je weer langs?”. “Weet ik nog niet, misschien eind van de maand.” We hangen op.

◊◊◊

Ik heb inderdaad mijn Stiepelstaf meegenomen. Bij de Joegoslavische grens, tussen tanks en rupsvoertuigen word ik er al over ondervraagd. “Wat is dat?” vraagt een grenswachter. Hij wijst naar het merkteken. “Een maalkruis”, probeer ik uit te leggen. “Het beschermt tegen de boze geesten.” Het wordt verder verteld, en er wordt instemmend geknikt. Boze geesten, daar kunnen ze over meepraten. We steken de grens over. Even verder trekken we onze schoenen en sokken uit. In de sokken hebben we stapeltjes dollars opgeborgen. Onder onze voetzolen. Een dollar is hier goud waard is ons door ervaren reizigers verteld. De Stiepelstaf voldoet aan onze hoogste verwachtingen.

◊◊◊

Twee dagen later zijn we nog niet erg opgeschoten. Het liften verloopt moeizaam. Over een hele dag komt er éen enkele vrachtauto voorbij. We liften mee op boerenkarren en nemen af en toe plaats in een rammelende bus.  Weer eens gestrand in een godverlaten omgeving worden we aangesproken door een paar jongeren, studenten uit Dubrovnik. Zij maken deel uit van de Zomerbrigade, opgeroepen om een eindeloos lange onverharde weg door de bergen te verbreden en voor autoverkeer geschikt te maken. Het is de weg waarop we terecht zijn gekomen. Op onze kaart als geasfalteerd aangegeven. Voorbij een bocht zien we de rotsblokken die met de hand worden vergruizeld en met houten stampers in de weg geplaveid. Het doet sterk denken aan Amerikaanse gevangenisfilms. Maar niemand maakt hier aanstalten om te ontsnappen. Er zijn ook geen bewakers. We worden gastvrij onthaald door de kampleiding, een onttroonde hoogleraar geschiedenis en een locale partijsecretaris van de Communistische Partij, die het goed met elkaar kunnen vinden.

◊◊◊

Er komt Slivovitch op tafel, meer dan goed voor ons is. Wij vertellen over over het leven aan de Utrechtse Universiteit, zij over de Universiteit van Dubrovnik. Ook zij zijn ver van huis. Dan valt de aandacht valt opnieuw op de kromstaf die ik naast mij heb neergelegd. En op het merkteken. Wat is dat? Een familiewapen? Ik bekijk het gezelschap jongemannen om mij heen, en besluit een tweede versie van de waarheid op tafel te leggen. “Het is een maalteken” leg ik uit. Het geeft de reiziger bescherming”. “Tegen de Widdewiven, de witte wijven”. “Ah, Nebelhexen” zegt de professor. Nebelhexen, die waren hier in de bergen ook rond, weten ze aan tafel, en meestal niet met goede bedoelingen. Daar kunnen ze hele verhalen over vertellen.

◊◊◊

De professor kijkt nog eens goed naar het merkteken. Hij gaat op het Duits over. “Aber daß ist doch ein Runenzeichen, die Odal-Rune”. Het gesprek valt stil. Runentekens, daar waren de Nazi’s dol op. Dit kan nog behoorlijk pijnlijk worden. Hij wil weten waar ik dit teken ben tegengekomen, en ik leg het hem uit. Op de steunbalk in de deur van een Saksische boerderij. Een Hallenhof. Ja, dat maalteken gaf bescherming, tot zover gaat hij met mij mee. Maar niet tegen boze heksen of boze geesten. Hij gaat er eens goed voor zitten, want hier is zijn kans op het geven van een klein college. Het uur der Verlichting slaat. Wij willen weten. Van zijn verhaal maak ik wat aantekeningen. In studies van de middeleeuwse geschiedenis vind ik jaren later bevestiging en aanvulling.

◊◊◊

De Saksische Hallenhof ontwikkelt zich – ook in Twente in de 12e-13e eeuw. Zij is het product van een nieuwe landbouwtechnologie die grotere oogsten mogelijk maakt. In de Hallenhöfe kan de grote oogst worden verwerkt en opgeslagen.  Zij leidt tot een door kennisvoorsprong verworven bezit en het ontstaan van een nieuwe klasse van tot welstand gekomen boeren. Die weet zich te ontworstelen aan de feodale macht van hun landheer. Het zijn vrije boeren, ze betalen nog wel een pacht aan hun absentee owner, en tienden aan de kerk, maar zijn verder eigen baas. Wie zich vergrijpt aan het bezit van de vrije boer, wordt, zolang het niet om halszaken gaat, berecht voor een volksgericht, de dingbank, de gemeenschap van vrije boeren die uit hun midden voor twee jaar de vier richters kiezen, waaraan de rechtsgang is opgedragen. Het model van de maatschappelijke verandering laat aan duidelijkheid weinig te wensen over: Nieuwe technologie, , nieuwe bronnen van welvaart, nieuwe kennisdragers, een nieuwe klasse, een omwenteling in dit deel van de klasseverhoudingen, die vertaald wordt in een nieuwe rechtsorde, waarin deze verhoudingen worden verduurzaamd. En het maalteken als zinnebeeld van deze ontwikkeling.

◊◊◊

Het ligt voor de hand dat aan deze geschiedenis in de theorie en de ideologie van het Joegoslavische zelfbestuur een voorname rol wordt toegekend. Een maatschappelijk proces waarbij een deel van de boeren zich op eigen kracht en vooral intelligentie bevrijden van de knechting door hun feodale heren, om vervolgens ook hun rechten in eigen hand te nemen.

◊◊◊

In het verhaal van onze professor wordt het allemaal wat ideologischer en idealistischer uit de doeken gedaan. Tito verschijnt in een profetische, en tegelijk geschiedenis scheppende rol. De man met de kennis van toen, én de kennis van nu.

Maar de schrik over een uit de kast komende rabiate rechtse Runenliefhebber is uit de lucht. Hij is geheel gerehabiliteerd. Bewaking van de eigen ideologische zuiverheid blijkt in het Joegoslavië van Tito een alledaagse zorg. Er kan weer stevig worden afgedronken. Kameraad Stiepelstaf heeft heel wat op gang gebracht. Met mijn maalteken zal ik voortaan door de wereld kunnen trekken als vrije boer, ni dieu, ni maitre.

◊◊◊

We krijgen het laatste nieuws te horen. Kameraad Maarschalk Tito zal overmorgen een bezoek aan de Brigade brengen. Of we willen blijven. Dan kunnen we aan hem worden voorgesteld als de delegatie van Nederlandse Studenten, eveneens op werkbezoek,  om over de schitterende prestaties van het Joegoslavische volk thuis verslag doen. De nieuwe rol lijkt ons op het lijf geschreven. Het besluit vereist nog éen laatste afdronk.

◊◊◊

En twee dagen later staan wij aangetreden als een Russische limousine uit de wolken stof tevoorschijn komt. Het blijkt om een paar veiligheidschefs te gaan. Onze aanwezigheid moet zorgvuldig worden uitgelegd. Onze gegevens worden in drievoud overgenomen. Dan valt de aandacht op mijn Stiepelstaf. De locale partijsecretaris geeft uitleg. Er volgt inbeslagname. “Als Kameraad Maarschalk Tito vertrokken is krijgen jullie hem weer terug.” zegt hij ons. “Het is een slagwapen.”

◊◊◊

We brengen begrip op. En dan zien we opnieuw de rode stofwolken op ons afkomen, waarin een lange rij limousines. “Zal ik hem met Mijn Liefje, Mijn Duifje verwelkomen?” vraagt Peter naast mij. Hij maakt een klein dansje. Het levert hier geen aanmoedigingen op. Midden in de rij worden dubbele deuren geopend. We zien een laars, en nog een laars. Dan herkennen we het portret van Tito. De professor gaat de rij langs en stelt voor. Het plaatselijke partijbestuur. De voortrekkers van de Zomerbrigade. “Die Niederländische Studentendelegation” zegt hij met enige trots. Fotografen snellen toe. We gaan samen met de Maarschalk op de foto. Hij knikt ons toe: “Macht gute Arbeit” en keert zich weer om naar zijn limousine. Duitsers en Nederlanders, daar wordt hier geen onderscheid tussen gemaakt, dat hebben we al vaker ondervonden. Een jonge medewerker snelt rond en keert een zinken draagpenning uit aan de gelukkigen die eerder de hand van de Maarschalk vermochten te beroeren. Dubbel prijs.

◊◊◊

De stoet zich weer in beweging, de studenten juichen hun leider toe, een rode zandverstuiving maakt elk zicht onmogelijk. Een uurtje later, na een stevige douche, zetten we ons aan tafel. Er is een rijke dis opgesteld, voor het geval de maarschalk en zijn gezelschap het zorgvuldig door de Brigade opgestelde programma zou hebben willen volgen. We vallen aan. De absentee marshall lijkt alweer vergeten. Op eigen kracht wordt opgewekt toegetast, tot op de laatste snede. Morgenvroeg zullen er kranten liggen van de locale pers waarin de Brigade aan het werk is te zien, de Maarschalk toejuicht, en ook onze foto, naast die van andere magistraten. Foto’s, die aan familie en nageslacht het bewijs zullen leveren dat de Maarschalk persoonlijk op bezoek is geweest. Wat er toen allemaal gebeurde, wel, daarover kan ieder lid van de Brigade, en ook onze delegatie, zelf wel een mooi verhaal ophangen. Een mooi stukje oral history.

◊◊◊

De krant heeft wat meer dagen tijd nodig om op verhaal te komen. Wij zijn dan al vertrokken en krijgen de foto’s vele weken later nagestuurd. Bij vertrek mis ik mijn Stiepelstaf. De Brigadeleiding heeft geen er geen weet van. De locale partijchef van de Communistische Partij laat weten dat een officieel onderzoek zal worden gestart naar zijn verblijfplaats. Zijn eer en die van zijn Partij staan hier op het spel. Het mag een wonder heten dat ik ondanks het verlies van mijn Stiepelstaf aan een vroege dood als tyfuslijer ben ontsnapt.

◊◊◊