23 De Flierefluiter

Sambucus nigra vlierbessen 2

◊◊◊

Ik zal een wat alleenige indruk gemaakt hebben. Vader aan het werk, moeder aan de slag, broertjes in de klas, “Piep”, zei de muis in het achterhuis. In elk geval begint de oudere broer van de boer, geacht lid van de Großfamilie, zich over mij te ontfermen. Hij is vrijgezel, en heeft zo zijn eigen redenen om “Piep” te zeggen en anderen als piepers op te merken.

◊◊◊

Op het land valt niet veel meer te doen, ‘Winter is coming’ en zijn boerenleven verplaatst zich naar de smidse en werkplaats naast de wagenschuur. Hij snijdt paardenhoeven bij en voorziet ze van nieuwe hoefijzers. Reept lappen riemleer voor herstel of versteviging van het tuig, vervangt gebroken dissels, voorziet eggen en rieken waar nodig van nieuwe stekels en staken. Behalve het leer- en houtwerk, is er ook veel smidswerk. Dank zij hem is dit boerenbedrijf zelfvoorzienend, en wat verder in de winter zijn het de noabers die hier hun spullen in reparatie geven. Niet àfgeven, dat zou als een belediging gezien worden. Ze blijven erbij en steken ook zelf de handen uit de mouwen.

◊◊◊

Maar nu hij nog voor zichzelf bezig is houd ik hem graag gezelschap. Hij heeft er “wel schik an” laat hij mijn moeder weten, die zich bezorgd heeft afgevraagd of hier weer grenzen worden overschreden. Hij geeft mij daarvan blijk door uitgebreid op al mijn vragen in te gaan. Over de gereedschappen, de materialen, de bewerkingen, de voertuigen, de dieren en tenslotte ook over de mensen om ons heen. Soms kijk ik alleen maar ademloos toe.

◊◊◊

Hier wordt een relatie gesmeed. Een face-to-face relatie. In het groter gezelschap van de twee families die zich ‘s-avonds aan de tafel bij de schouw verenigen, zijn dit geen onderwerpen waarvoor brede belangstelling bestaat. Onze nieuwe verbinding staat dan op non-actief. Dat voelt soms wat vreemd aan, maar hij blijkt na enige tijd een oplossing bedacht te hebben. Hij neemt me mee naar een bosje vlierstruiken bij de beek, snijdt een paar takken af, en geeft die aan mij mee. “Voor vanavond.”

◊◊◊

Elke Twentse hoeve heeft zijn bosje vlierstruiken. Het maakt deel uit van de huisapotheek. Bladeren, bloesems, bessen, zij hebben elk een geneeskrachtige werking over een breed terrein van aandoeningen. Voor mens en dier. Maar er zijn ook frivoler toepassingen. Mijn moeder bereidt bessensiroop voor limonade en toetjes. En ‘s-avonds bij de open haard leert mijn nieuwe vriend hoe uit de tak van een vlierboom een fluit kan worden gemaakt. Daar gaan een aantal dagen overheen. Het hout moet voorzichtig bij de haard te drogen worden gelegd. Dan wordt met een gloeiende pook het zachte binnenste weggebrand. De schors verwijderd. De vingerholten aangebracht, en tenslotte het mondstuk gesneden uit een jong stukje kersenhout. Dan is het testtijd. Na wat aanpassingen hier en daar gaat mijn grote vriend staan en tovert tenslotte een klein liedje uit de fluit. “Het is lang geleden”, zegt hij verontschuldigend.

◊◊◊

Mijn vader wil het onmiddellijk ook proberen. Hij maskeert zijn onvermogen door een dodelijk verhaal over golven en klanken te beginnen. Daar zit niemand op te wachten. Mijn broers nemen over. Zij vinden het een fluitje van niks. Dan mag mijn moeder. En tenslotte ben ik aan de beurt. Onze pecking order is weer even goed in beeld gekomen. Ik ga staan, probeer me te herinneren hoe mijn grote vriend voor de open haard stond, blaas een paar maal, en dan hangen er opeens, twee verschillende piepjes in de lucht, en nog eens, met wat horten en stoten. En het nodige mondsap van mijn familieleden. “Een goed begin” zegt mijn fluitebouwer, “maar nu moet hij eerst nog wat verder drogen”. Ik leg mijn nieuwe bezit bij de open haard en ga er naast zitten. Ik zal hem aan niemand meer uit handen geven, beloof ik mezelf.

◊◊◊

“Jij bent morgen onze nieuwe Flierefluiter” zegt mijn vader. “Onze”, hoor ik. Ik word niemands flierefluiter. Hier wordt weer eens gekleineerd. Ik ben de enige in het gezin die zo wordt aangesproken. Niet zo bedoeld misschien, maar toch. Het is niet anders. En het is tevens de aankondiging van mijn bedtijd. Ik neem mijn fluit mee naar de zolder, schud de bussels stro in mijn matras wat los en leg hem onder het hoofdkussen. Ik kijk om mij heen. Mijn broers hebben inmiddels hun onderkomen in een andere hoek van de zolder. Zij gaan pas later naar bed. Bijna gelijk met mijn ouders, ook in een eigen, afgeschermde hoek. Ik lig het dichtst bij de trapleer. Op mezelf. Piep zei de muis, zeg ik mezelf. Ik maak het tot mijn geuzenkreet. Aux armes! Het zal nog weken gaan duren voor ik mijn eerste wijsjes laat horen. In de werkplaats. Niet voor het grote publiek. Dat is al lang vergeten dat zij een flierefluiter in opkomst in hun midden hebben.

◊◊◊