13 Groot Alarm

◊◊◊

De oorlog is dichtbij als ik, in 1943, tot het volle bewustzijn kom van de wereld om mij heen. Die wereld is klein. Mijn straat, een paar straten er omheen, een paar routes: naar het kantoor van mijn vader, naar de houten noodkerk aan de Bornsestraat, naar de winkel van de Gruyter. Op Zondagen is er de weg over glooiende essen naar het Deldener Bosch met kasteel Twickel, en naar het Buurser Zand. De fietsroutes, lui hangend aan het stuur van mijn vader. In september van dat jaar komt er nog mijn eigen voetpad bij. De weg naar de kleuterschool van Zuster Harmonica.

Het kantoor van mijn vader ligt naast het gebouw van de Heemaf aan het begin van de Bornsestraat. Bij de Heemaf worden telefoon- en telegraafcentrales gemaakt. Zoals alle Twentsche bedrijven op volle capaciteit werkzaam en geïntegreerd in de Duitse oorlogsindustrie.

◊◊◊

Op het platte dak van het honderd meter lange en acht verdiepingen hoge gebouw van de Heemaf staat een omvangrijke batterij Duits afweergeschut en radarapparatuur. De radar is van Hazemeijer, het bedrijf waar mijn vader werkt. Het lage kantoor van mijn vader, in de schaduw van de Heemaf geniet de best mogelijke verdediging. Het geschut op het dak komt soms meermalen per week in actie. “Maak je geen zorgen,” zegt mijn vader regelmatig tegen mijn moeder als hij op zijn fiets klimt. Mijn kleuterschool ligt nog geen 30 meter verwijderd van zijn kantoor. Ook daarin ziet hij voor mij geen gevaar. “De nonnetjes bidden, en onze radar zorgt voor de rest” laat hij weten. “Beter kun je het niet krijgen”.

Maar bij elk groot luchtalarm word ik toch van school opgehaald en neemt hij mij mee naar huis. Daar is ruim de tijd voor want de luchteskaders van de RAF komen zowel op de heen- als op de terugweg over de stad. De heenweg is eigenlijk altijd veilig. De bommen zijn op weg naar het Ruhrgebied.

In de kelder heeft mijn moeder met kussens tussen de Keulse potten een schuilplekje gemaakt. Op een van de planken staat een Mariabeeldje, en flakkert een kaarsje. Mijn vader staat op de uitkijk aan de keukendeur. Al voor de vliegtuigen aan de horizon verschijnen klinkt een zwaar gedreun en gebrom. Zodra de eerste vliegtuigen zichtbaar worden begint hij te tellen.

“Tweehonderdtwintig jagers, tachtig bombers,” laat hij het thuisfront weten. Ik sta naast hem en probeer de namen te onthouden. Het zijn Engelse, misschien ook Amerikaanse namen.

De Duitsers aan het afweergeschut boven op het dak van de Heemaf krijgen de gelegenheid wat te oefenen met radar- en vuurleidingapparatuur. De granaten maken kleine plofjes hoog in de lucht, maar blijven ver buiten het bereik van de Engelse eskaders.  De Engelsen beantwoorden dit vuurwerk door handenvol serpentines van zilverpapier naar beneden te gooien die het radarbeeld moeten verstoren.

Mijn moeder komt even kijken en wil mij mee naar de kelder nemen om weesgegroetjes te bidden. In haar eentje komt daar niet veel van terecht. “Ik stuur hem wel als het nodig is,” zegt mijn vader. Hij heeft wel behoefte aan een man om zich heen die zijn inzichten over het verloop van de oorlog wil aanhoren. Ik deel in zijn opgewektheid.

“Je vraagt je af wat daar in godsnaam nog plat te gooien valt,” zegt hij. “Het zal niet lang meer duren”. Gods naam wordt nog vaak aangeroepen.

◊◊◊

Twee uur later is de situatie heel wat angstaanjagender. De Engelse eskaders keren terug uit het Oosten, vliegen nu veel lager, jagers scheren over ons dak, nemen een duik en richten hun mitrailleurs op het Duitse afweergeschut. Een aantal bommenwerpers ontdoen zich van hun laatste bommenlast. Het doelwit moet het industriegebied van Hengelo zijn, de fabrieken van Stork, Dikkers en vele anderen aan de andere zijde van het spoor, maar dat  gebied blijft op raadselachtige wijze vrijwel ongedeerd. De bommen vallen op het stadscentrum aan onze kant van het spoor, waar de omvang van de puinhopen steeds groter wordt.

◊◊◊

“Hengelo is een secondary target” legt mijn vader uit aan onze buurman. “Ze raken soms niet al hun bommen kwijt in het Ruhrgebied. Dan is de Duitse luchtafweer te hevig. Maar ze mogen in Engeland alleen landen als ze al hun bommen kwijt zijn.”

Ook op de vraag waarom ze dan hun bommen aan de verkeerde kant van de spoorlijn droppen heeft hij een antwoord. Hij heeft eigenlijk op elke vraag altijd wel een antwoord in de aanbieding. “Ze vliegen terug langs de spoorlijn naar Hengelo. De ervaren piloten raken hun spullen wel kwijt. Maar de jonge onervaren piloten raken eerder in paniek. Als het er heftig aan toegaat daar in het Ruhrgebied vergeten ze op de terugweg hun kaart om te draaien. De oude hap is dan al lang op weg naar huis.” Dat klinkt goed. Het is die Engelse boys gegund om af en toe een foutje te maken. Ook het oorlogsvak moet geleerd worden.

◊◊◊

Als ook het eskader uit het Oosten voorbij getrokken is ren ik met een boodschappentas van sisaltouw naar de omgeving van de Heemaf, en meng mij in de menigte kinderen op zoek naar rollen zilverpapier.  Ik ben als altijd te laat, maar, niemand weet dat ik Repelsteeltje heet, er is een paadje langs de geit op de Weideweg, door de knollenveldjes, dan over de sloot, naar de weiden achter het fabrieksterrein van de Heemaf. Daar sla ik mijn slag.

‘s-Avonds als het duister gevallen is haalt mijn vader de bakelieten radio onder uit de kast, stemt af op de BBC, en de Amerikaanse legerzender van Radio Free Europe. Zelfs General de Gaulle weet hij soms uit de kast te halen. “Het duurt niet lang meer” is zijn conclusie.

Ik krijg mijn ijzeren kruik mee naar bed. Bid alsnog, op verzoek van mijn moeder, mijn achterstand in Weesgegroetjes weg, en val vredig in slaap. Onder mijn bed stapelen de dozen met zilveren serpentines zich op.

“De Heemaf staat er nog” meldt mijn vader de volgende dag, en ik mag weer naar de kleuterschool.

◊◊◊

Ook onze Hengelosche Esch is gespaard gebleven. Het enige treffen dat ik mij kan herinneren is het moment waarop een enorme lege brandstoftank kantelend en wentelend naar beneden tuimelt. “Het is geen bom, maar een brandstoftank” zegt mijn vader. Maar als hij erg dicht in de buurt komt gaat hij toch naar binnen. “Zo’n ding kan overal terechtkomen” zegt hij. Ik proef toch onzekerheid.

Hij landt tegen het toilet van een huis een paar straten verder. De gelukkige bewoners staan in de voortuin het toegestroomde volk te woord. Zij zijn de trotse bezitters van een prachtige, zilveren, gestroomlijnde vier meter lange schietspoel. “Ik wil hem van je kopen” roept iemand uit het publiek. “Nee” zegt de eigenaar “dit is ons eigen oorlogsmonument”. Ook hier heerst het gevoel dat de oorlog niet lang meer kan duren.

Al gauw blijkt ons dat hij niet de enige gelukkige is. Op een Zondagse fietstocht langs het Twente-kanaal zien we hoe tientallen gestroomlijnde zilveren boten te water worden gelaten, die eerder een luchtdoop hadden ondergaan.