19 De uittocht van ’44

◊◊◊

Onze boerenhoeve ligt in Den Dulder, ooit Dolre, een oud leen van de Utrechtse bisschoppen, in het buurtschap Saasveld, dat nu deel uitmaakt van de gemeente Weerselo. De naam Den Dulder leeft alleen nog voort als postdistrict. De boerderijen in deze omgeving hebben geen straataanduiding, alleen een huisnummer dat begint met Dld. Dat nummer is – behalve bij de postbode – niet in gebruik. Je kunt er niet naar vragen. “Het moet ergens die kant op zijn” dat kan wel. Er leidt een zandweg langs, die dan nog geen naam heeft. Een zandweg is een weg ‘hiervandaan’ en dan ‘daarheen’. Van hoeve naar hoeve. We komen te wonen op de hoeve van Waans. “Waans? O ja, Wàans. Kijk, je bent nu hier, en dan moet je eerst daarheen, en bij de boerderij van Oude Hannink ga je een beetje naar links en dan kom je vanzelf bij Waans!” Dat wil niet zeggen dat je Waans daar aantreft, want die is er twee, drie of vier generaties al niet meer. Maar de oudste nog levende generaties in de streek hebben Waans nog gekend, en de jongeren gaan ze dan niet tegenspreken.

◊◊◊

In de beleving van de locale bevolking is het glooiend parklandschap van Saasveld en Weerselo niet een lappendeken van velden, weiden, akkers en bebossingen. Het is een omvattend sociaal netwerk van noabers die elkaar kennen, door do-ut-des relaties waaronder de uitgifte van huwbare dochters en zonen op elkaar betrokken. Waans is een van de knooppunten in het netwerk. Als de graanoogst moet worden binnengehaald komen de buren van alle kanten helpen. Bij een trouwerij wordt een schuur leeggeruimd, vele jenevers geschonken, biervaten getapt en meterslange krentenweggen aangesneden. Het is een levend netwerk, bestand tegen het overlijden van de individuen die er deel van uitmaken. Het is een netwerk met een eigen geheugen, via via blijft iedereen op de hoogte van zijn sociale geschiedenis, worden leemten aangevuld, en gedétaillerde tableaus doorgegeven aan volgende generaties.

◊◊◊

Naar later blijkt zijn er meerdere mensen in Saasveld die van ons verblijf in oorlogstijd ook nu nog weet hebben, mensen die wij toen nooit hebben ontmoet of gesproken. Noabers van noabers van onze noabers. Onze ouders denk ik evenmin.

◊◊◊

Nu kost het mij en mijn oudste broers veel moeite om de weg terug te vinden naar de juiste boerderij. Hij staat er niet meer of is onherkenbaar verbouwd. Een grootscheepse ruilverkaveling na de tweede wereldoorlog heeft een enorme culturele aanslag op het oude landschap én op de leefgemeenschap gepleegd. Krieken, kreken en beken zijn rechtgetrokken of gewoon in buizen weggemoffeld.

◊◊◊

Veldnamen hebben hun sprekende kwaliteit verloren. Ze verwijzen naar landschapskenmerken waarvan niets meer te zien is. Glooiende essen zijn afgevlakt. Stekelige saksische hagen tussen de akker- en weidegronden gerooid of vervangen door prikkel- en schrikkeldraad.

◊◊◊

De boerenhoeve zoals ik die uit mijn herinnering kan optekenen bestaat niet meer. De imposante niendeur is verdwenen, er zijn aan beide zijden aanbouwsels toegevoegd.  Het karakter van een eeuwen-oude Twentse boerenhoeve is er aan ontnomen. Tenminste, als we de juiste voor ons hebben. Want even ernaast is een hoeve – die veel meer overeenkomst vertoont met het beeld van mijn herinnering – geheel afgebroken. Maar op die plek is geen beek meer. De ruisende beek waaraan mijn hoeve lag, een geluid waarmee ik iedere avond in slaap viel, is van de aardbodem verdwenen. Een groot aantal massieve eiken is omgehaald en heeft de boerderij – of wat daar van over is – van zijn beschermende Noordoostwand beroofd. In het eikenbos naast de boerderij ging ook een grote schuur schuil, waarin tegen de winter een bataljon soldaten zijn kwartier opsloeg, onzichtbaar voor de geallieerde vliegtuigen. Op die plek staan nu een paar armzalige eikenbomen, de laatste die in de wijde omtrek te vinden zijn, en te weinig om zelfs maar te schuilen bij een fatsoenlijke regenbui.

◊◊◊

Dat is voor ons de zichtbare schade. Niet de oorlog, maar de wederopbouw heeft hier huisgehouden. Ik heb geen idee wat er nog van het oude netwerk van noaberschappen in leven is.

◊◊◊

Over de toponomie en topologie van onze boerenhoeve is tussen mij en mijn broers heel wat te doen geweest. We hebben elk onze herinneringen, en de beschikbare feiten geven geen uitsluitsel.

Eigenlijk is dat allemaal ook niet zo belangrijk. We kunnen elkaars herinneringen toch respecteren, ook al zijn ze verschillend?

Dat blijkt toch moeilijker te liggen. De herinneringen blijken de vorm te zijn waarin onze emoties zich hebben genesteld. De topologie en chronologie van de uittocht van ’44 is beladen. Mijn oudste broer Jos heeft de naam Den Dulder nog nooit gehoord, en wijst verontwaardigd de idee om onze familiegeschiedenis daarmee te verrijken resoluut van de hand. Mijn broer Jan weet met volstrekte zekerheid dat de hoeve in Saasveld staat. En: “Weerselo, Wéerselo, hoe kom je erbij, weet je waar Weerselo ligt? Dat is een heel andere kant op. Tien kilometer verder. We zaten in Saasveld!”.

Heb ik, als jonkie, wel recht op een eigen verhaal van ons verleden, tegenover mijn twee oudere broers? Ben ik wel geautoriseerd? Dat lijkt even het punt. Maar ook de oudere broers zelf blijken verschillend geïnformeerd over de tijden, de locaties en de gebeurtenissen die ze hebben meegemaakt.

◊◊◊

Onderlinge discussies zijn in onze familie veelvuldig en altijd op het scherpst van de snede uitgevochten. Maar dat is wel lang geleden. We zijn oud en wijs geworden.

◊◊◊

In onze jonge jaren neemt mijn vader neemt daarin meestal het voortouw. We luisteren op Zondagochtend naar de radio. Eerst naar de socialistische professor van de VARA. Wat later tegen lunchtijd naar de parmantige woorden van de conservatief-liberale Mr G.B.J. Hiltermann bij de AVRO. Het Suezkanaal is voorpaginanieuws. Mijn vader levert hen van repliek. Mijn broer Jan en ik spreken hem ogenblikkelijk heftig tegen, jonge honden die aanslaan als iemand op zijn erf komt. Oudste broer Jos heeft mogelijk ook een eigen opvatting. Maar hij komt trager op gang, en krijgt dan nog nauwelijks gehoor. We zijn al toe aan de volgende ronde.

◊◊◊

“Dat zoeken we op!” roept mijn vader, heeft ons al de rug toegekeerd op weg naar de boekenkast. Hij is geen sociale mediator, maar een pure Calvinist die teruggrijpt naar het Woord. Gelijk hebben is ook altijd het gelijk aan je kant zien te krijgen. Maar éen enkel boek is hem niet genoeg. Als het niet tot tevredenheid in de rode Elseviers staat is er nog een zwarte Brockhaus, en tenslotte een oranje La Rousse Illustré.  Onze familiebijbels. Of het Boek zijn eigen gelijk oplevert of dat van een van zijn zonen interesseert hem nauwelijks. Bij ongelijk wordt het vooringenomen standpunt onmiddellijk en moeiteloos verlaten. “Wisten jullie dàt? Dàt is interessant!”. Nieuwe bevindingen, nieuwe kansen. “Zo’n discussie, daar knap ik van op!” roept hij dan. En dan is er koffie. De percolator staat al een tijdje te pruttelen.

◊◊◊

Tegenspraak brengt ons verder. Een opvatting die hij tot aan het eind van zijn leven in ere weet te houden. Kerst, Pasen, Pinksteren, zelfs Maria Hemelvaart, en dan nog al die gewone Zondagen waarop we elkaar weer thuis ontmoeten zijn hoogtijdagen van ons zo op het oog zinloos woordgekletter. We houden een bizarre bende van betweters in stand. De naoorlogse generatie broertjes en zusjes ziet dit aanvankelijk aan maar maakt er tenslotte ook deel van uit, zij het in wat rustiger grijstinten. Tot grote vreugde van mijn vader en ons, kiest mijn oudste zus een onvervalst betweter als echtgenoot. Betere papieren kun je hier niet denken.

◊◊◊

Er zijn veel punten waarop mijn broers en ik over ons oorlogsverleden van mening verschillen. Eigenlijk over alles wat denkbaar is. Er zijn in onze familie drie verhalen te vertellen. Maar het geheugen van mijn oudste broer is de afgelopen jaar steeds meer achteruitgegaan. Hij weet op welk traject hij beland is, daar moet ik hem niet ook nog eens mee confronteren.

◊◊◊

Bij mijn broer Jan spelen onze oude hebbelijkheden onmiddellijk op. We zijn nog steeds lid van de bende van betweters. Hij is er zeker van dat we pas na 28 november 1944 naar Saasveld zijn vertrokken. Maar in mijn herinnering zijn we daar al in juli, of uiterlijk begin Augustus.

◊◊◊

“Waarom denk je dat?” vraag ik hem. In het derde jaar van mijn studie werd ik – vanwege de royale betaling – assistent bij een onderzoek naar de immigratie in de periode 1920-1930 van Duitse dienstmeisjes naar Utrecht, en na 80 avondvullende gesprekken was ik aardig geschoold geraakt in de methodiek en techniek van analytical oral history. Dan kwamen plakboeken en fotoboeken onder uit een la op tafel. Uit die tijd dateert ook nog mijn ontzagwekkend gedétailleerde kennis van de prinsesjes van Oranje. Geef mij een bordesfoto van de prinsesjes en ik zal U kunnen vertellen: Koninginnedag 1952, Middelburg.

◊◊◊

Mijn broer Jan geeft zijn toelichting. “Op 27, 28 en 29 November werd Hengelo gebombardeerd. Pa kreeg het daarna om een of andere reden benauwd van, en toen zijn we naar Saasveld vertrokken”.

Het bombardement kan ik bevestigen. Niet omdat ik erbij geweest ben, maar omdat ik daarover de geschiedenis van Hengelo heb doorgenomen. Het bombardement was dit keer niet van de Engelse RAF, maar van de zware bommenwerpers van de US Air Force, waar ze genoeg hadden gekregen van het Engelse amateuristische gedoe. Hengelo was nu niet meer secondary, maar en primary target. De US Air Force liet zijn bommenwerpers ook niet in duikvlucht een of twee bommen afwerpen, maar legde vanaf grote hoogte met een geheel squadron een bommentapijt over de stad en de fabrieken. Ook met jammerlijk resultaat overigens.

◊◊◊

Een dag tevoren worden pamfletten uitgestrooid waarin de bevolking het advies krijgt even uit de buurt te blijven als ze bezig gaan. De meeste inwoners geven daaraan gevolg. Ook de voltallige bevolking van onze Hengelosche Esch zoekt dan een heenkomen.

◊◊◊

Ik probeer mijn eigen herinneringen aan een nader onderzoek te onderwerpen. Waarom denk ik dat het in Juli, eventueel begin Augustus geweest moet zijn? Er staat mij een zeer levendige, opwindende herinnering bij van een groot spektakel, ‘s-ochtends om zeven uur op het erf van onze boerderij. Er verschijn een reusachtige stoommachine, met daarnaast een vele meters lange houten dorsmachine, en dan nog een houten bouwsel op wielen die strak gebonden bussels stro uitwerpt. Buren uit de hele omtrek gaan met paard en wagens op stap om het koren van het land te halen dat daar in schoven staat opgebonden. Met een grote zwaai gaan die op de kar, en aan- en afrijdend worden zij weer op de riek genomen en opgeslokt door de ronkende mond van de dorsmachine. Om twaalf uur worden de manschappen aan een rij schragen en planken gezet en bediend met wortelstampot en spek. Tegen het donker is de hele karavaan weer verdwenen, een avondnevel van zelfgestookte jenever achterlatend.

◊◊◊

Wanneer wordt de rogge van het land gehaald? In mijn hoofd heb ik een vaag idee van Augustus als oogstmaand. Dat klopt, Augustus ìs de Oogstmaand. Ik kom een verhaal tegen dat mij weer terugbrengt naar de tweede klas van de middelbare school. Keizer Augustus eigende zich deze maand toe, omdat zijn voorganger Julianus eerder onsterfelijk had verworven met de doop van de maand Juli. Omdat Juli 31 dagen had en Augustus maar 30, plakte hij een dag extra aan zijn maand vast, die hij weghaalde bij Februari. Het zou waar kunnen zijn maar het lijkt meer op een ezelsbruggetje. Misschien ook het bericht dat oogstmaand een verbastering is van Augustusmaand.

◊◊◊

Ik denk aan een komend gesprek met mijn broer Jan. Die zal daar nooit genoegen mee nemen. Er is jens hem meer evidentie vereist. Ik pak mijn zesdelige Buisman van de plank. Duizend jaar weer, wind en water in de lage landen. En haal opgelucht adem. Daar staat het. Augustus 1944, dat was, zoals Juli, een zeer warme maand. Met temparaturen tot 38-39 graden. De graanoogst werd ruim voor Maria Hemelvaart binnengehaald. En Maria Hemelvaart werd door Bonifatius of zijn discipelen op 15 Augustus geplaatst omdat dan het Saksische-Germaanse feest van de oogst gevierd werd.

Mijn oogstherinnering is dus tegen een stootje bestand. Buisman is zo goed als de Große Brockhaus van mijn vader. Er is nog een eerdere herinnering die ik niet meer kan verifiëren. Mijn moeder neemt mij mee naar de kleuterschool, een weg die ik al gewend ben met trots alleen af te leggen. Er is een klein cadeautje gekocht voor de juffrouw en een bosje bloemen uit onze tuin geplukt voor Zuster Harmonica. En in een de Gruyter zakje overhandig ik daarnaast nog een jongensonderbroekje, herinnering aan een beschamend gebeuren uit mijn eerste week op de kleuterschool, waarna Zuster Harmonica mijn hoofd kordaat tussen haar knieën vastzette, mijn billen waste en uit een grote gangkast een broekje uitkoos ter verschoning. Zuster Harmonica vond mijn zakje met inhoud wat overbodig, maar vouwde het broekje toch terug in de kast. Voor de bloemen moesten we meelopen naar de kloosterkapel, een duistere, treurige aangelegenheid. Daar werden twee vaasjes van water voorzien en met onze tuinbloemen erin links en rechts van het tabernakel geplaatst. De gelofte van armoede ging hier wel erg ver.

Op dat Harmonica-moment is de schoolvakantie nog nog niet begonnen, maar de volgende dag staat een kleine houten verhuiswagen voor de deur, met een paard bespannen. Er worden koffers ingeladen, keukengerei, bestek en borden, lakens, dekens slopen, een staande schemerlamp voor mijn vader zodat die ’s avonds kan lezen, en winterjassen. In de loop van de middag vertrekken we op de fiets naar Saasveld. Wie hier we zijn weet ik niet. Ik herinner mij dat de blauwe korenbloemen en rode klaprozen tussen het koren bloeiden. Ik meen mij ook te herinneren dat ik later, gezeten op het hoogste punt van de es, uren kon kijken hoe het koren met de hand werd gemaaid, in schoven gebonden en overeind gezet. Maar het is heel wel mogelijk dat dit mijn ezelsbruggetjes zijn, ooit in de herinnering toegevoegd om er een chronologisch sluitend verhaal van te maken.

◊◊◊

Over éen aspect van onze herinnering zullen wij het nooit eens worden. Voor hem is de uittocht van ’44 een act van een angstige vader die op de vlucht slaat voor het naderende onheil. Hij heeft die typering nodig om zijn levensverhaal rond te krijgen.

Voor mij is hij de grote beschermer die zijn gezin lang voordien in veiligheid brengt op de boerderij, vanwaar hij zelf elke dag opnieuw op de fiets stapt en in Hengelo aan het werk gaat, want de kost moet wel verdiend worden. Een dappere man, die vader van mij.  In mijn levensverhaal.

◊◊◊