Crash, Crash, Who’s There?

ℜℜℜ

Dit loopt uit op een veel langer verhaal dan mij voor ogen stond. Ik denk dat mijn tekst onverhoeds uit de wreedheid van een persoonlijke ellende geboren is. Praise the Lord!
De software waarin ik mijn onderzoekproject Bossche Knarren tot voor kort had opgeborgen heeft het veertien dagen geleden begeven.

ℜℜℜ

Eigen schuld dikke bult. Ik had er in de loop der tijd (zegge en schrijve 15 jaar) ruim 300.00 records in opgeborgen, elk record een met de Teulings stam gekoppeld persoon. Met alles erop en eraan, bronnen, plaatjes, verbanden met gebeurtenissen en mogelijk interessante netwerken. Noem maar op.

ℜℜℜ

Het is gecrasht op mijn hoogmoed, en daarna volgt de val. De allergrootste harde schijf in de Mac wereld, het allergrootste geheugen, maar 300.000, ja, daar was het tenslotte niet meer tegen opgewassen.

ℜℜℜ

Als ik nu mijn bestand open maak moet ik zeven minuten wachten tot er een begin van leven is en ik toegang heb. Ik zie het invoermenu, maar kan niets meer toevoegen of veranderen, elke letter die ik tik krijgt een wachttijd mee van meer dan een minuut. De verbinding met mijn cloud is verbroken. Synchronisatie met andere software is niet meer mogelijk. Van alles geprobeerd. Mijn Mac opgeschoond, mijn geheugens meermalen opgeruimd, geprobeerd overtollige records te verwijderen zodat de omvang verminderd. Het lukt niet meer.

ℜℜℜ

Af en toe krijg ik van mijn trouwe vriendenkring nog leuke, interessante records toegezonden. Ik sla ze nu op in een klein eigen bestandje, voor later.
Het project Bossche Knarren, 300.000 records, bracht mij na vele jaren van zwoegen en zweten bij een zeer bescheiden aantal eerste bewoners van de Vrijdom Orthen in het jaar 1164.
Dat is dan bijna geen geschiedenis meer maar archeologie.

ℜℜℜ

Het is het jaar waarin, volgens de oudst beschikbare oorkonde, de toenmalige Hertog van Brabant, graaf van Leuven en Markies van Antwerpen, deze Vrijdom verwerft, en in het westelijk deel ervan een vestingstad sticht, eentje van meerdere oppida langs de zuidoever van de Maas, de rivier die hij zag als de nieuwe landgrens van zijn Noord-Brabantse Gewest. Zoals ooit de Romeinen dat deden aan de grenzen van hun Imperium, niet toevallig ook aan diezelfde Maas.

ℜℜℜ

De vrije lieden die in Orthen gevestigd zijn worden nu onder gezag van de eerste Hertog van Brabant bevestigd als de eerste burgers van dit Novo Oppidum, zijn onderdanen, naast de Hertog en zijn vazallen ook waarachtige grondleggers. Maar ook ‘s-Hertogs mannen, door hem sterk bevoorrechte burgers – zoals de tolvrijheid in het gehele Hertogdom.

ℜℜℜ

Eén van die families, in de bronnen beschreven als Tolinc (spreek uit als Teulings), mag ik rekenen tot mijn voorvaderen in rechte lijn.
Het zijn zelfs door de eeuwen heen geboren Bosschenaren tot en met wijlen mijn vader Jos Teulings, geboren in 1910. In de Hinthamerstraat éen van die drie verharde straten die al bestond rond 1250.

ℜℜℜ

Hoeveel generaties terug is dat? Het was voor mij onmiddellijk na te zien in mijn geweldige bestand, maar ja, dat is dus niet meer zo. Het bestaat nog wel maar is vrijwel ontoegangelijk. Het kost mij nu minstens een kwartier om dat ene feitje op te duikelen.

ℜℜℜ

Ontmoedigend, dat is het woord geloof ik. En, de raven cirkelen krassend boven mijn hoofd, juist in dit achterliggend jaar is mijn eigen geheugen, die grauwe massa onder mijn hersenpan, grotendeels verloren gegaan.

ℜℜℜ

Niet meer toegankelijk ook, geen Alzheimer of zo, maar gewoon, Fu-Shi, elke maand meer en meer Fu-Shi. Geen crash, maar op, aan zijn eind van zijn werkzame leven denk ik na bijna 80 jaar onuitputtelijke en eervolle dienstverlening.
Gelukkig zijn er nog genoeg losse eindjes in dit brein om er mijn huidige intellectuele arbeid aan vast te knopen.
Ik zit nog, langer dan ooit, tien of twaalf uur per dag achter mijn Mac. Hoop op een andere manier aan Mijn Bossche Knarren project wat verder te kunnen breien.

ℜℜℜ 

Want wat ik met Bossche Knarren wilde, en nog steeds wil, is om die twintig andere families uit het Orthen van 1164, waarvan er een stuk of drie, vier die net als de Tolincx ook heden ten dage nog in beeld zijn, en de anderen door hun eigen geschiedenis opgeslokt, in onderlinge vergelijking van generatie tot generatie in ogenschouw nemen.

ℜℜℜ

Hun Wel en Wee. Hoe waren zij in 1164 met elkaar verbonden? Met de locale wetgevende macht (de schepenbank van ‘s-Hertogenbosch), de locale uitvoerende macht, de locale bureaucratie, zoals de eerste en de latere rentmeesters; de rechterlijke macht, deels bij de schepenbank, deels bij de locale ambtenaar van de Hertog, de schout.
Met de kerkelijke machthebbers, niet te vergeten, de prins-bisschoppen van Keulen, Utrecht en Leuven, de locale kanunniken in het kapittel van de Sint Jan, de Papen in de Bossche Parochies, en – dat geldt voor al deze functionarissen, zij allen, wereldlijk of niet, gezegend met een schare van kinderen en kleinkinderen, vaak het gezag van hun vader als erfgoed naar een volgende generatie meenemend.

ℜℜℜ

Ooit had ik voor de kwantitatieve analyse van deze locale netwerkjes in de dynamiek der tijden een prachtig software-programma op mijn plank liggen dat ik al in de jaren zeventig in een primitieve variant in gebruik nam op het NIPG. Met mijn gelijkgezinde collega’s van destijds Hans Philipsen, Mauk Mulder, Jaap Rabbie. Heerlijk! Die namen komen nu zomaar op! God hebbe hun ziel.

ℜℜℜ

Ach ja, die overtrokken dromen, perspectieven, verbeeldingskrachten, zij zijn altijd deel van mijn leven geweest. Lustvolle gedachten. Meestal wat speels ook. Een wand vol Bolletjes in verschillende kleuren, dikke en dunne lijntjes daartussen, sommigen die plotseling afbreken, uitlopend in het niets, andere, zoals bij de Tolincx bolletjes, die in een eindeloze keten lijken door te gaan.

ℜℜℜ

Nu, met deze twee rampzalige catastrofes in mijn leven, stelt zich de onverwachte vraag: overleef ik mijn Crashes? En hoe dan wel?
De kraaien zwermen luidkeels krassend over mijn dak gekrast. Yes my dears, we know it, we’ve heard you! Crash, Crash!
Maar, op mijn leeftijd, dat moet toch blijken! Dan wordt je ook door een of twee crashes niet meer verslagen. Je bent al door de wol geverfd.

ℜℜℜ

Ook bij zoiets als dit. Er ligt altijd weer een goed leefbare toekomst in het verschiet. Met mijn Loukie, die komt af en toe binnen op mijn werkkamertje, aait even over mijn bol, blaast wat in mijn nek.
Veel meer kan het niet zijn, want als ik maar even uit mijn diepe concentratie raak, dan weet ik al niet meer waar ik gebleven ben. Koffie, een glas melk, een banaan.
Ze is bezig met een complex boek, ter voorbereiding van een bijeenkomst van een van haar leesclubs. Daar valt ook veel over te zeggen. Hardvochtig ben ik dan. In mijn lege hoofd is daarvoor even geen ruimte vrij.

ℜℜℜ

Nog even dit. Mijn logboek. Als ik het hier niet dump, op dit plekje, dan ben ik het over een uur voorgoed kwijt:
Eerst dat mailtje van mijn wat jongere broer Frank. Frank. Nomen est Omen. Hij studeerde Frans, werd dus leraar Frans. Ook docent aan de Universiteit? Dat heb ik niet meer paraat. Zijn tweede huwelijk, na het overlijden van zijn eerste vrouw, was met “mijn blonde Francaise”. Je kunt ver gaan in de trouw aan je geestelijk erfgoed. Onze Pa, talenwonder, was befaamd om zijn beheersing van de Franse taal. Frank heeft zich als zijn legitiem erfgenaam ontwikkeld.

ℜℜℜ

Ik heb er wat graantjes van meegepikt, zoals mijn oudere broer Jan, in 2016 overleden. Hij sprak, las en schreef net als Frank en ik, in navolging van onze Pa, niet zo vlekkeloos maar wel moeiteloos in onze drie West-Europese talen.

ℜℜℜ

Nu ik dit neerschrijf realiseer ik mij dat er in de rechte lijn naar de Tolincx uit 1164, in bijna elke generatie wel een of twee van die talenwonders te vinden zijn. Kooplieden, bereisd, mannen van de wereld. ‘s-Hertogenbosch groeide immers, na Antwerpen en Gent, al snel uit tot de grootste stad van de Lage Landen. Was dat cosmopolitische trekje ook bij die andere Bossche Knarren uit 1164 zo aanwezig? Zijn daar voor die familie andere specifieke ‘erfelijkheden’ te ontwaren van vele generaties her? Het vrijwel ontoegankelijke bestand zal daar toch antwoord moeten geven. Mijn hoofd, dat is leeg, mijn gedachten vormen zich nog uitsluitend op voorwaarde van een herkenning.

ℜℜℜ

Broer Frank reageerde op mijn stukje op Facebook en WordPress over het Cijferboek van Cornelius Theulings, van de Rijtuigmakerij, zes generaties terug.
Toen, getroffen door de klaarheid en kalligrafische schoonheid van zijn handschrift, meende ik die verwantschap te herkennen, een andere misschien erfelijke verworvenheid.

ℜℜℜ

Ook de epistels uit mijn jonge jaren werden gezien als een wonder van schrijfkunst. Het gerucht ging rond bij de leraren op de middelbare school. Enkelen van hen beijverden zich om het excuus te vinden waarmee zij mij met een stevig strafwerk op konden zadelen.
Teulings? Voor de Klas! “Deze zin” krijg ik toegeworpen, “en dan duizend maal”
“Ja meneer”, zei ik dan, ging onmiddellijk de klas uit om een ochtend of een lange dag te kunnen spijbelen op het Postkantoor.

ℜℜℜ

Daar staan die acht hoge lessenaars, met zijwanden tegen vreemde blikken beschut. Daar vind ik de witte porcelijnen inktpot, verzonken in het achterhout, daar doop ik een kroontjespen in de inkt. Vraag bij de dienstdoende chef om een brandnieuw pennetje en zet mij welgemoed aan het werk. Ik koop daarvoor een speciaal schrift, stevig dik papier, lichtblauw gelinieerd, met een bleekroze kantlijn.

ℜℜℜ

Later word ik wel eens door zo’n leraar bij hem thuis uitgenodigd, bij zijn vrouw ook die het onrecht van haar man wil goedmaken.
En daar, boven een schrijftafel in de hoek van de kamer, ingelijst in een kersenhouten lijstje, daar hingen twee of drie pagina’s van mijn strafwerk. Kunst avant la lettre. Appelgebak met slagroom voor de maker.

ℜℜℜ

Broer Frank blijkt een in mijn ogen ongepaste conclusie getrokken te hebben uit het stukje over Cornelius. Strijdig met onze toch wankelmoedige familiegeschiedenis.
“Onderwerp: Cornelis Theulings”
“Mooi verhaal over Cornelis en alle andere Wagenmakers.
Als ik het goed begrijp waren wij in de achttiende eeuw de onderkoningen van Bois- le-Duc !!”

ℜℜℜ

Maar, zo gaat dat onder broers, dat kan ik niet onweersproken laten:
“Subject: Re: Cornelis Theulings
Nee hoor, dat zijn we nooit geweest behalve rond 1300-1450. Ik zal mijn verhaal over Cornelis nog eens nalezen, want als ik jouw conclusie serieus moet nemen dan vind ik dat een zeer verontrustende gedachte.
Om te beginnen hadden de katholieken in Brabant, dus ook in ‘s-H vanaf 1624 tot 1874 geen burgerrechten, net zoals de Joden. Alleen wie lid was van de Staatskerk kreeg toegang tot een bestuurlijke functie. Bovendien werden de Teulingsen tussen 1624 en 1670 door de gereformeerden beroofd van vrijwel al hun bezittingen, dat was het lot van alle oude Bossche regentenfamilies, behalve de Teulingsen die onderdoken in kleine vrijstaatjes of in de Zuidelijke Nederlanden, of, zoals een paar broers van onze voorvader in rechte lijn, door bekering tot de Remonstrantse gemeente (waarmee zij hoopten op een subtiele mix van de meest aanvaardbare teksten van Luther en de meest aanvaardbare Roomse geluiden, vanuit een paar van de voormalige – niet door een beeldenstorm kaalgeplukte katholieke kerkgebouwen)
Dat experiment liep helemaal mis, maar de Amsterdamse Teulingsen in onze meest naaste familie, zowel als de Antwerpse, die werden stinkende rijk In Amsterdam, in de grootste grachtenpanden aan de Herengracht en Keizersgracht, in Antwerpen idem dito, raakten soms zelfs verknoopt met de hogere adel. Buitenhuizen en kasteeltjes van plezier.
De Teulingsen, zowel die van de Uitgeverij/Drukkerij van Coen, als die van ‘onze’ Rijtuigmakerij mochten alleen naar het middelbaar onderwijs dat zich beperkte tot rekenen en schrijven (de voorloper van de HBS) en niet naar de Illustere Scholen waar Grieks en Latijn werd onderwezen. Ook was er geen plek voor hen aan enige Universiteit, behalve die van Leuven (onder gezag van een Aartsbisschop in Aken. En ze konden dus ook naar Parijs en Bologna. De optie werd met mate, bescheiden, af en toe benut.
Ik dacht dat ik dit verhaal al eens uitgeschreven en gepubliceerd had op Internet. Kennelijk blijven liggen in mijn omvangrijke vergeethoek.”

ℜℜℜ

En een aantal dagen daarna krijg ik dan die email van mijn collega en vriend Dr. Lucas van Dijck, historicus en befaamd kenner van de Bossche middeleeuwse geschiedenis, die mijn commentaar op de kanttekening van Frank heeft gelezen, en mij daarop uitvoerig zijn complimenten maakt over “dit interessante artikel”.
Kijk, dat vindt ik nu die wentelgang der geschiedenis, die zich ook in het kleine, tot in de diepste poriën van het leven voltrekt.
Mijn terzijde, ik heb er niets voor hoeven doen, krijgt zo van vriend en geleerde Lucas, aan wiens opvattingen ik grote waarde hecht, een kersenhouten lijstje.