24 De stiepelstaf

◊◊◊

Ik oefen op mijn fluit. Liedjes te over, mijn hoofd zit vol met liedjes. Er speelt ook een gedachte. Kan ik iemand die mij als leerling heeft opgenomen in zijn werkplaats en vervolgens een flierefluit voor mij uit het vuur haalt als peetoom adopteren? Ik vermoed dat mijn Oom Cor, die éen dag voor zijn wijding tot priester naar mijn moeder in Hengelo vluchtte, en inmiddels Kees heet, als mijn echte peetoom te boek staat, maar die woont ver weg. Oom Kees heeft geen werkplaats, alleen maar een grote bibliotheek. Aan lezen ben ik nog niet toe. En het is ook nog eens oorlog. Mijn vader heeft het vaak over noodmaatregelen, noodhulp, een noodrantsoen dat in de kelder moet worden aangelegd. Ik heb een noodoom nodig. Vanwege de oorlog. Al hoeft niemand dat te weten. Ook de uitverkorene niet.

◊◊◊

Mijn noodoom in spé lijkt wel iets in een noodneefje te zien. Hij heeft alweer een nieuw project op het oog. We lopen wat verder langs de beek. Daar groeit het essenhakhout. Het is taai spul. Er worden stelen voor de schup en de bats uit gesneden, en voor de hakbijl. Hij laat zien dat je de takken heel ver kunt rondbuigen zonder dat ze gaan breken. Met zijn knijf, een groot uitklapbaar zakmes snijdt hij een stevige tak af. “We gaan een wandelstok maken,” meldt hij. Hij laat me schrikken. “Ik wil geen wandelstok.” Zwarte opoe heeft een wandelstok. “Een mooie staf anders, een kromstaf?” Dat is precies wat ik graag blijk te willen. Pelgrims maken verre reizen met een kromstaf, naar het Heilige Land, of naar het graf van de apostel Jacob. “Kun je een Jacobsstaf maken?” Dat kan. Hij zoekt verder tussen het essenhout en snijdt opnieuw, met korte inkepingen rondom, een mooie lange tak af.

◊◊◊

De twee takken worden aan een touw in de beek gelegd, om meer vocht op te nemen. Een paar dagen later zitten we weer bij de open haard. Met sisaltouw wordt éen eind licht gekromd, in een stevig touwverband onder spanning gehouden en dan weer naar de beek teruggebracht. Elke volgende dag wordt de kromming opgevoerd. Als de ronding bijna compleet is wordt het touw nog eens goed aangespannen en de ronde kop vele malen omwikkeld. “Die kan geen kant meer op”, stelt mijn noodoom tevreden vast. De constructie wordt aan de rand van de haard gelegd. “Hij moet de tijd krijgen om rustig te drogen”. En een week later is het zover. De staf kan uit de wikkels, ik loop trots een rondje over de deel. Ik wil hem bedanken, maar weet niet goed hoe. Hij krijgt een hand. “Hij is heel mooi” zeg ik. Dat vindt mijn noodoom zelf ook wel.

◊◊◊

Mijn oudere broers willen ook zo’n mooie staf. “Een andere keer” zegt noodoom. Hij kijkt even naar mij, en ik weet precies wat hij bedoelt. Wij hebben een relatie opgebouwd. Zij niet. Het is do-ut-des en anders niet. Hij wil de staf nog even terug. “We zijn iets vergeten”. De knijf komt weer uit zijn zak en hij snijdt op ooghoogte een merkteken. “Een maalkruis” zegt hij. “Wat betekent dat?” vraag ik. Hij staat op en loopt naar de niendeur aan het andere eind van de deel. Hij wijst op de stevige middenbalk die van boven naar beneden loopt en de twee deurkwartieren ter rechter- en ter linkerzijde van elkaar scheidt. “Dat is de stiepel“, zegt hij, “als de oogst wordt binnengehaald gaan alle vier de deuren open en wordt de stiepel weggenomen. Dan kunnen de hoge karren vol hooi en graan naar binnen en op jullie zolder worden opgeslagen”. Aan de buitenkant, op ooghoogte, is in de stiepel een merkteken ingesneden. Hetzelfde merkteken als op mijn staf. Met beide families staan we bij de stiepel en volgen met de vingertoppen het patroon van het merkteken.

◊◊◊

stiepelteken maalkruis“Deze is heel oud” zegt de boer, “het is een eikenhouten stiepel, hij beschermt tegen de boze geesten.” “En tegen het kwaad” vult mijn noodoom aan. “En tegen de widdewieven“, laat de boerin weten. “Maar er zijn ook goede widdewieven” zegt een van de knechts. Het is hoog tijd voor een rondetafelgesprek, er valt veel uit te leggen. Er komt nog een rondje surrogaatkoffie, met echte room, en moederkoekjes, want op een of andere manier is het beschuitblik weer bijgevuld. De staf leg ik voor mij op tafel. Dit is geen Jacobsstaf denk ik, hij geeft bescherming. Dit is mijn Stiepelstaf. De verhalen komen los. Mijn ouders, mijn broers, en ik, wij luisteren en kijken vol verbazing naar deze Tukkers. De verhalen buitelen over elkaar heen. Het lijkt alsof zij eeuwen terug kunnen kijken.

◊◊◊

Als mijn ogen beginnen dicht te vallen zeg ik welterusten en ga de trapleer op naar zolder. De Stiepelstaf leg ik naast mijn bed. Onder het kussen voel ik de Flierefluit. Beneden aan tafel is de rust teruggekeerd. Maar er zijn veel geluiden om mij heen. Het zijn vertrouwde geluiden geworden. Ritselingen van de wind door de bladeren van het eikenbos naast de boerderij. Het opkomende gekabbel van de kronkelende beek bij de fruitboomgaard. De zwaluwen die af en toe onder de dakrand hun nest opkloppen. Een uil die zich ergens hoog in de nok schijnt op te houden. En het getrippel aan alle kanten van het leger veldmuizen, die op deze graanzolder hun paradijs op aarde hebben gevonden. Door de vloer dringt de warme koeienlucht naar boven. Marietje, Janneke en Dientje hebben al uren eerder hun leger opgezocht. In diepe slaap klinken ze af en toe wat met hun halsketting. Boze geesten zijn hier ver te zoeken. In de verte slaat een hond aan. Zijn geblaf wordt verderop herkend en beantwoord, en verplaatst zich dan verder en verder, in de richting van Borne en Hengelo. Ik hoop dat we daar dit jaar nog niet naar terug zullen keren.

◊◊◊