26 Heulen met de vijand

◊◊◊

Mijn noodoom staat op het punt de geheimen van de foekepot met mij te delen als er een kink in de kabel komt. Een motor met zijspan rijdt met veel geraas ons erf op. Een Duitse Ordonnans met dikke bril en in lange leren jas stapt af en helpt de jonge officier naast hem uit de kuip. Ze lijken op inspectie en hun doen en laten blijft niet onopgemerkt. De boerin komt ongerust naar buiten, wringt haar handen droog in de schort. Mijn moeder rent op me af, en trekt me snel achter haar veilige rokken. De waakhond acht nu ook de tijd daar om aan te slaan.

◊◊◊

De officier stapt op mijn moeder af en vraagt de boer te spreken. Zoveel wordt wel duidelijk. Maar zij blijkt, nu het er op aankomt, het Duits niet machtig. De boerin waagt een stap naar voren en neemt het heft in handen. Met haar Twents dialect raakt ze moeiteloos in gesprek. De officier schakelt over op een Plattdüütsch dat voor haar nauwelijks geheimen kent. Hij heeft zijn oog laten vallen op de grote schuur naast de boerderij, tegen de rand van het eikenbos. Daar wil hij inkwartieren. Tegen een redelijke vergoeding natuurlijk, en hij belooft dat zijn manschappen zich voorbeeldig zullen gedragen. Om zes uur komt hij terug om dit alles met de boer verder te bespreken. Mijn vader is dan net binnen van zijn werk in Hengelo, en neemt deel aan het overleg. Er moeten wat papieren worden getekend en die zijn in het Hoogduits gesteld. De officier blijkt leraar te zijn op een middelbare school ergens voorbij Munster en vertoont geen storende Pruisische gebreken.

◊◊◊

De volgende ochtend vroeg marcheert een peloton Duitse soldaten over het erf. Het lijkt op een aflevering uit Dad’s Army. Ze zijn stevig uit de pas, kijken nieuwsgierig in het rond of zijn met elkaar in gesprek, lang voordat er een halt en op de plaats rust is afgegeven. Op de kleuterschool bij de nonnen straalde er meer tucht en discipline van ons af als wij klas voor klas het schoolgebouw introkken. Achter het peloton volgen nog twee Lastkraftwagen en het Wehrmachtsgespann van de Ordonnans. Zijn functie versta ik als Brillemans. Mijn veile wens is onmiddellijk om een keer bij Brillemans in zijn schuitje te zitten als hij knetterend door de velden rijdt. Mijn noodoom is even heel ver weg.

◊◊◊

Op de uniformering van het peloton valt af te dingen. Aan het begrip is op ruimhartige wijze uitvoering gegeven. De kledij kent diverse groen- en grauwtinten. De snit is vaak wat ruim, als op de groei. Bij anderen juist aan de krappe kant. De krijgers hebben een leeftijd bereikt waarop het lichaam zijn eigen weg lijkt te gaan, en de standaardmaten van het militair arsenaal buiten proportie geraakt. Het zijn dertigers, of zelfs veertigers, die hun sporen hebben verdiend in de plaatselijke Bierstube. Heel wat anders dan het overmoedige jonge soldatenvolk dat een jaar eerder nog door onze Troelstrastraat in Hengelo marcheerde.

◊◊◊

Hier staan brave huisvaders, zonder illusies, na de slachtingen van Stalingrad bij elkaar geraapt om de Duitse Wehrmacht toch nog enigzins op sterkte te brengen. Waarschijnlijk wordt hun werkplek nu bezet door al die Nederlandse mannen die via de Arbeitseinsatz in omgekeerde richting vertrokken. Ook hier geldt de oude wet der geschiedenis: elke volksverhuizing zet zijn volgende in gang.

◊◊◊

De grote schuur wordt ontruimd, de landbouwwerktuigen verdwijnen naar achter onder het dekzeil. Er worden schragen getimmerd. Een houtzagerij bij Saasveld levert een lading tot planken gezaagde boomstammen af voor de lange tafels en zitbanken. Er komt nog een keukenvoertuig binnen met een kok in blauwe ruitjesbroek. De eerste boeren uit de buurt draaien hun kar het erf op en proberen aardappels, knollen, en andere eetwaar te slijten. Dat dreigt op een chaos uit te lopen, een Feldwebel gaat rond en kiest er enkelen uit als vaste leverancier, die met een Zettel worden verblijd. De overigen keren teleurgesteld met hun spullen huiswaarts.

◊◊◊

De onrust blijft een paar weken hangen. In de dagen erna komen ook andere gelukzoekers het erf op. De winkelier uit Saasveld met een aanbieding van briefpapier, Groeten uit Saasveld, en Koh-I-Noor potloden. Ik krijg van mijn moeder een blocnote met een dik HB-potlood. Mijn eerste tekening betreft een machinegeweer dat op het zijspan van de Zündapp van Brillemans gemonteerd is. Ook een reiziger met een schouderkist vol veters, naalden, garen en band, en een Schneider met herdershond van over de grens vinden voor hun handelswaar een ruime aftrek. Verhalen over ons peloton doen kennelijk in wijde kring de ronde.

Mijn vader slaagt erin mijn moeder gerust te stellen. Hij heeft banden aangeknoopt met de jonge pelotonscommandant. “We hoeven ons geen zorgen te maken” vertelt hij aan tafel, “ze zijn pas een maand geleden opgeroepen, ze moeten zelfs nog leren schieten. En wat de commandant betreft, die weet gewoon hoe laat het is. Hij hoopt hier men zijn mannen de oorlog te kunnen uitzitten.”

◊◊◊

Op weg naar de Zondagse Mis houdt de pastoor hem bij de ingang staande. Hij wil uit de eerste hand weten hoe de vlag erbij hangt, voordat hij de preekstoel bestijgt. Onze dochters zijn niet in gevaar, daar komt het op neer. En de boeren die hun waar slijten aan deze Duitsers verkeren niet in staat van zonde. Een deel van zijn kerkvolk had graag een ander verhaal gehoord. De grenzen van de moraal, zo die er al waren, beginnen te vervagen. Er blijken al boeren te zijn die toeleveren aan de boeren die toeleveren aan onze bezetters in de boerenschuur. Zonder dat daar een Zettel aan te pas komt dat hun voor eeuwig als heulers met de vijand te boek zal doen staan. Met het woord Gods, maar ook het clandestien noaberschap keert de rust terug in het uit evenwicht geraakte sociaal systeem.

◊◊◊

Het ex cathedra van de pastoor is voor mijn vader aanleiding om uit Hengelo zijn schaakbord op te halen. Een partijtje af en toe met de jonge commandant lijkt hem thans – alles overziende – geen kwaad te kunnen.

◊◊◊