22 Denken met de handen

◊◊◊

De pastorale omgeving brengt in mijn moeder ongekende kwaliteiten naar boven die zelfs voor mijn vader verborgen waren gebleven. Meerdere dagen per week wordt er ‘s-ochtends deeg gekneed en brood gebakken. Tarwebrood, karnemelksbrood, en vooral, veel vierkant roggebrood. In de achtermuur van de altijd brandende schouw op de deel was een gietijzeren kamertje gemetseld, waar het deeg tot leven wordt gewekt en daarna, met wat extra blokken hout, afgebakken.

◊◊◊

Soms blijft er deeg over. Dan word ik ingezet voor het koekjesbakken, iets wat ik thuis in de zandbak al behoorlijk onder de knie heb gekregen. Ook de koekjes gaan op een bakblik de oven in. Dan is het geduldig wachten om het vuur zijn werk te laten doen. En tenslotte worden we omringd door hemelse bakluchten. Die moeten ook zwarte opoe hebben bereikt, de andere kant van de schouw, in de opkamer. In een laatste opwelling van verzet tegen onze aanwezigheid stormt ze binnen, grijpt het bakblik met koekjes uit de oven, en smijt het voor ons op de grond.

◊◊◊

Ze is alweer verdwenen voor mijn moeder uitleg kan vragen. De kwestie wordt door dochter en grootmoeder verder binnenskamers afgehandeld. Ook daarna blijven wij in het ongewisse. Moeten we de oven zien als haar persoonlijk domein? Is hoe dan ook eerst haar toestemming vereist? Is koekjes bakken éen van die stadse fratsen waarvoor op een fatsoenlijk boerenbedrijf geen plaats was? Of is er in haar ogen sprake van verspilling, waar elders op de wereld honger geleden wordt? Maar het blijkt hoe dan ook haar laatste verzetsdaad, en bijgevolg bij uitstek de gebeurtenis waarover bij ons in de loop der tijd de meeste verhalen blijven circuleren. In verschillende varianten natuurlijk.

◊◊◊

Ik kruip over de vloer en verzamel brokstukken en de kruimels in een beschuitblik. Het smaakt heerlijk. Eigenlijk is zwarte opoe precies op tijd naar ons uitgevallen. Misschien was dat wel haar motief.

◊◊◊

Het leven op de boerderij begint voor ons allen vastere vormen aan te nemen. Mijn twee oudere broers gaan elke dag naar de dorpsschool in Saasveld, waar ze overblijven om pas laat in de middag weer terug te keren. Ik rommel wat aan op het erf, mag kleine stukjes meerijden op de paard en wagen, rotte appels verzamelen voor de varkens, en eieren rapen uit het kippenhok voor de boerin. Ik sluit vriendschap met de waakhond, bij wie ik daarna zelfs in het hok mag komen wonen. Mijn moeder maakt daar snel een eind aan. De hond moet wel waaks blijven en zijn tanden laten zien. Het is niet altijd goed volk dat over het erf gaat.

◊◊◊

Zoals mijn broers draag ik een akelig nieuwe blauwe overall, en houten klompen die elke Zaterdag stevig in de witte kalk worden gezet, want op Zondag gaan we met het hele boerengezin op de kar met twee paarden bespannen ter kerke in Saasveld. Smetteloos witte klompen lijken uitdrukking te geven aan een onberispelijke levenswandel en godsvrucht van de drager. In deze onzekere oorlogstijd zeker iets waaraan wat extra aandacht moet worden geschonken. Na afloop van de Heilige Mis wordt er buiten veel nagepraat, al gaat dat bepaald niet over de thema’s die de pastoor in zijn preek ter overweging heeft meegegeven.

◊◊◊

Mijn moeder heeft haar takenpakket stevig uitgebreid. Zij karnt de melk, kneedt de boter, en helpt de boerin bij de bereiding van kaas. Mijn vader laat uit ons huis in Hengelo een uitgebreide weck-installatie overkomen. Er wordt nu veel geweckt, een specialiteit van mijn moeder waarbij de rollen even zijn omgedraaid en nu de boerin de kunst afkijkt. De fruitboomgaard levert appels, peren, pruimen en bessen, die – in grote weckflessen met gummiringen verzegeld – in de koele verdiepte ruimte naast de werkkeuken een plaats krijgen. Ze verzamelt veldbloemen die de grote tafel in de deel opfleuren. Er volgen goedkeurende blikken en zij accumuleert kostbaar sociaal krediet. Ook al zijn we geen noabers, geen Tukkers, en ook al geen goed voorbeeld van de oorlogsslachtoffers, waarover de pastoor van Saasveld het heeft vanaf zijn kansel, we krijgen nu toch echt plekje in deze kleine gemeenschap.

◊◊◊

Ik mag meehelpen in de varkensstal. Daar hoort ook een voederkeuken bij,  met grote hoeveelheden half verdronken aardappelen, rottende appelen en ander niet meer voor menselijke consumptie geschikt afval. Er staat de hele dag een enorme kookpot te dampen waar treurige aardappelen met schil en al in verdwijnen. De schillengeur werkt onweerstaanbaar eetlust opwekkend en geestverruimend. Als mijn moeder even uit de buurt is slok ik, onder de hunkerende blik van een onrustige rij varkens, met gulzige happen de dampende schillenpuree naar binnen.

◊◊◊

Voordat de echte varkens aan de beurt komen moet eerst de aardappelprut vermengd worden met strohaksel. Daarvoor dient een roestige ijzeren hakselmolen met een groot handwiel in beweging te worden gebracht. Aanvankelijk gaat dit ver boven mijn macht en is het daarmee een werkje voor mijn moeder. Maar na een paar weken ontdek ik dat de bediening niet alleen een kwestie is van brute kracht, maar vooral ook van ‘een goeie slinger geven’, een bepaalde motoriek waarmee plotseling de heftige weerstand van het stro wordt overwonnen.

◊◊◊

Het lijkt net zoiets als wat me overkomt met de trompet van een van de boerenzoons, waarop ik met alle macht probeer te blazen, maar zonder enig resultaat. Totdat ik er, weken later, achter kom dat het erom gaat welke mondspieren je aanzet en welke niet. Met de teugels die de boer in handen houdt om het paard in gang te brengen en te houden is ook al zo iets aan de hand. En de hantering van de zeis waarmee het gras gemaaid wordt. Alle werk op het boerenbedrijf heeft iets dat je er op het eerste oog niet vanaf ziet, wat niemand je kan uitleggen, maar dat je wel in je vingers moet zien te krijgen. Penser avec les mains. Ik ben als de jonge aap die ontdekt dat de steen alleen niet genoeg is om een harde noot te kraken. Je moet ook nog leren denken met je handen. Er gaat een nieuwe wereld voor mij open.

◊◊◊

De geur van aardappelschillen-puree blijft mijn verdere leven bij me. Tot in mijn middelbare schooljaren organiseer ik – als het seizoen daar is –  met mijn vriendjes van dat moment strooptochten in het boerenland, om samen ergens papperige aardappelen uit de grond trekken en op een houtvuurtje in het bos laten garen. Jongensvriendschappen zijn vrijwel uitsluitend gebouwd op moeizaam verworven reputaties. Mijn boerenkookkunst, aangedikt met het verhaal van mijn oorlogsleven onder de varkens blijkt bescherming te bieden tegen de in dit milieu altijd aanwezige dreiging van sociale uitsluiting. Het jaartje boerenleven heeft mij geen kwaad gedaan.

◊◊◊