Ingenieurs op de Tram

We zijn samen op weg naar Uitgeverij Teulings. Daar heeft mijn vader een jaartje gewerkt als stadsverslaggever en als corrector, bij de Provinciale Noord Brabantsche Courant en Het Huisgezin. Het zijn dan crisisjaren. Het eerste jaar na zijn studie vindt hij een baan bij een scheepswerf aan de Maas, als constructietekenaar. Nieuwbouw opdrachten zijn in deze sector al een paar jaar weggevallen. Er staat nog een enkele veerboot op stapel, maar nadat die zijn opgeleverd komen ook geen overheidsopdrachten meer binnen. De werf moet rond zien te komen met zuinig uitgevoerde scheepsreparaties. Mijn vader staat, last in-first out, als eerste weer op straat. Te schaamtevol om daarover uit te weiden.

In Amsterdam stonden de ingenieurs op de tram, zegt hij met stemverheffing, zich kwaad makend. Daar kunnen jullie met je verstand niet bij! Het nodigt niet uit om nadere vragen te stellen. Hoezo dan? klinkt nu futiel en ongepast. Hij is even stil. Wees maar blij dat jou zoiets niet meer kan overkomen. Laten we het hopen tenminste.

Er is hem onrecht aangedaan, meer nog, hij weet zich vernederd. Dat zal niet snel slijten.

Als hij al lang en breed is gepensioneerd komt het onderwerp nog een laatste maal ter sprake. We zien die woede weer in hem opkomen. Een woede waarvoor hij nooit een adequate adressant heeft gevonden.

Het bezoek aan de drukkerij van het Teulings bedrijf wordt een imposante  beleving. Geknars en geratel van drukpersen, gepiep en gehijg van pneumatische grijpers, bedwelmende geuren van verse drukinkt, de vingervlugheid van de zetters, de geconcentreerde aandacht van de drukkers, het is een wonder van schoonheid en geweld.

Heel dit raderwerk staat stil, als Uw machtige arm dat wil! roept mijn vader naar twee mannen met oliespuitjes. Er nadert een werkchef. Hij heeft gehoord en nu ook begrepen dat er een Teulings over de vloer is.

Er is hier nog nooit gestaakt, zegt deze, wat onrustig kijkend bij zoveel vrijmoedigheid en dan ook nog uit onverwachte hoek. Ik heb hier voor de oorlog nog gewerkt, zegt mijn vader ter verontschuldiging. Braafste jongetje van de klas. Maar dat hier nooit gestaakt is zou ik maar terugnemen.

Voor de oorlog? Toen zat ik op school, laat de chef weten. Mijn vader probeert nu om dit ijs te breken: Als je meeloopt zal ik het je laten zien, ik zat toen bij de stadsredactie.

Het zal wel, vindt de chef. Dit zijn andere tijden. Hij kijkt om zich heen op zoek naar een vluchtroute.

We lopen nog even bij de correctie binnen daar heb ik ook gewerkt. Het blijkt zijn laatst voorstel.
Het zal wel, vindt de chef. Dit is zijn dag niet.

De correctoren zijn oudgedienden, sommigen al gepensioneerd. Ben je daar weer?, vraagt de oudste, en dat is je zoon zeker? Ik heb er drie laat deze weten. Kinderrijkdom, dat telt nog steeds mee in Rooms Brabant.

Zijn aandacht ligt alweer elders. Hij leest over diens schouder het papier waar de corrector zijn tanden in heeft gezet, op zoek naar resterende taalfouten. Dat is geen mooie zin, wijst hij.

Daar letten we hier niet op, zegt de man, we halen de taalfouten eruit, dat is ons werk. Hij zoekt naar hulp bij zijn collega. Ieder zijn vak, zegt deze.

Daar zie ik nog een taalfout! Hij weet van geen ophouden. Probeert het vriendelijk, zelfs behulpzaam te laten klinken, maar zo wordt het niet opgevat.

Met vereende krachten worden we de burelen uit geholpen. Het werk van een corrector is belangrijk zegt hij, meer tegen zichzelf dan tegen mij. Maar het wordt je niet altijd in dank afgenomen.

Hij haalt een krant uit zijn binnenzak. Het is de Provinciale. Eerste editie, dat ruik je, zegt hij. Ik ruik het ook, geloof ik.

Daar zitten nog de meeste fouten in. Die eerste moet er altijd snel uit, naar de buitengewesten. En in de provincie lezen ze daar toch overheen. Maar hier in de stad moet je zorgvuldig met de taal omgaan.

Het is een mooi bedrijf, vooral die drukkerij, zeg ik. In de mening dat een woord van troost nu op zijn plaats is. Maar mijn vader kijkt alweer opgewekt. Onverdroten.

God heeft de wereld misschien in zes dagen geschapen, heeft het aan de mensheid overgelaten om er toch nog wat van te maken. maar die bakt er ook niet veel van.

Zijn wereld is gr0ter dan hijzelf. De corrector als handlanger van God, van die kant heb ik het nog niet bekeken.

Ik zal later nog vaak bij drukkerijen binnenlopen, gevraagd en ongevraagd, en dan aan deze stijlfiguur worden herinnerd.

Ik vraag mij af hoe en waar hij het exemplaar van de Provinciale achterover heeft gedrukt. Ik heb er niets van gemerkt.

In de drukkerij natuurlijk! Hij kijkt me aan en lacht tevreden. Ik nam vroeger altijd de eerste editie mee naar huis uit de drukkerij. In het veen kijken we niet op een turfje. Deze leermeester in grensoverschrijdend gedrag heeft in mij al jong een gretig oor gevonden.

We gaan een kop koffie drinken op de Markt. Voor mijn vader een koffie, voor mij een Bossche bol. Aan tafel bij het raam kijk ik naar buiten, en besef dat die man daar tegenover mij hier in zijn kinderjaren elke dag is langsgekomen op weg naar school.

Die man heeft inmiddels zijn vulpen getrokken en gaat diagonaal door de krant. „Fout”, roept hij. Kan veel beter! Hier, lees dit stukje eens voor! Ik lees. Tja.

Hij kijkt me onderzoekend aan. Goed, ik heb daar nu eenmaal wat mee, andere mensen puzzelen graag. Ik doe dit graag!

We keren huiswaarts. Bij Opa is inmiddels de tweede editie in de brievenbus gevallen.

Uit: Op de Groei

Bilbao, El Arenal, sept 2012