06 Het vaandel

Er was iets met artsen. Naar het oordeel van mijn moeder althans, die haar mening bevestigd zag door de vrouwen in haar omgeving. Onze overbuurman, de huisarts Hustinx, had geen enkele patiënt uit onze eigen straat. Mijn moeder had daar kijk op want vanuit onze erker kon het bezoek goed worden gevolgd. Ze was ook geïntrigeerd omdat het een katholieke familie betrof, die op Zondag zoals wij en famille ter kerke ging, maar zich ook dan even in zichzelf gekeerd gedroeg.

“En ze komen toch ook uit ‘s-Hertogenbosch” zei ze geprikkeld, want zo ging je als Bosschenaars niet met elkaar om, zeker niet in den vreemde. Terwijl vrijwel iedereen in de straat, de heersende mode volgend, een binnenkijk toeliet waren bij de Hustinx, behalve op Zondag, de vitrages gesloten. “Jij zit ook te veel voor het raam te kijken wat ze daar uitspoken” zei mijn vader, als het onderwerp weer eens ter sprake kwam.

De twee dochters speelden wel eens op straat, maar alleen met elkaar. Zodra wij of andere buurkinderen toenadering zochten werden ze door hun moeder binnengeroepen of ze gingen uit zichzelf naar binnen.

In de prilheid van mijn jeugd had ik bedacht dat hun moeder bang was dat wij met een van hun dochters, of misschien wel met allebei, zouden gaan trouwen, want trouwen was iets wat je deed met katholieke buurmeisjes. Maar wij hadden geen auto, en daarom werden zij uit het dagelijks verkeer gehouden tot hen een beter lot kon worden bereid.

Ik besloot dat ik ze voor straf ook helemaal niet aantrekkelijk vond, en was stomverbaasd toen ik later een van hen, inmiddels in de twintig, tegenkwam als een buitengewoon aantrekkelijke vrouw, met twee dartele kinderen.

In het voorjaar gingen bij onze Quaker buren daarentegen de ramen wijd open. De buurman was verdwenen, zijn vrouw had de inhoud van zijn klerenkasten uit het slaapkamerraam in de voortuin geworpen, maar hij was ze niet komen ophalen. Ze lagen al een week lang te verpieteren tot mijn moeder ingreep en ze bij de buurvrouw in een berghok legde.

„Dat is toch zonde”, zei ze, al die mooie pakken en schoenen. Alles is kleddernat”. Sociale interventies kwamen haar altijd tot stand via een simpele pragmatische actie. Van deze kleine zorgzaamheid kwam ze vanzelf uit bij de grote, ongrijpbare zorgen.

Volgens goed gebruik in die jaren werd er niet alleen bij ons thuis, maar voorzover ik dat had kunnen vaststellen overal, over relatieproblemen niet gepraat. De pastoor op de preekstoel verwees er soms naar het bestaan ervan via een bijbelse allegorie.  Dat pakte dan nogal duister uit, zelfs mijn vader kon er dan, zoals hij ons liet weten, “geen brood van bakken”. En altijd hield hij zijn kudde de onverbiddelijke Thomistische plicht tot vergeving en verzoening jegens de berouwvollen voor. Een schaap diende weer door de kudde opgenomen te worden. Alleen aan God zelf was het recht op een eeuwige strafoplegging toegestaan.

Mijn moeder richtte zich bij de aanpak van relatieproblemen op de symbolische kracht die uitgaat van het uitwisselen van geschenken.

„Ik heb je blauwe pak vandaag naar Palthe gebracht” zei ze om aan te geven dat mijn vader vergeving werd geschonken voor iets wat hij, door ons vaak eens niet opgemerkt, had misdaan.

„Zullen we Zaterdag weer eens de fiets pakken naar Ommen”, zei mijn vader dan een paar uur later. Vergeven en vergeten, daar ging het om.

Maar een crisis zoals bij de Quakers was met deze beproefde vormen van accommodatie duidelijk niet weg te poetsen. Er kwamen wat leden van de Society of Friends op bezoek maar dat mocht niet baten. De man bleef weg, de vrouw ging aan de drank.

Hun vierjarige David liep met poepluiers over straat. Mijn moeder nam hem dan mee naar binnen, hij werd in bad gestopt, van schone kleren voorzien. Er waren nog kasten vol hummelkleren waar wij al lang geleden waren uitgegroeid. Voor de zekerheid bleef hij dan ook maar eten.

Ik kreeg de opdracht om hem bij onze laveloze overbuurvrouw terug te brengen. „Ik moet weer gaan!” zei ik dan na vijf minuten, iedere keer weer geschrokken van de jammerklachten die over mij heen werden gestort. Mijn moeder dan nog even langs, stopte David in bed, luisterde naar het beklag, maar had na stipt een half uur besloten dat er thuis nog veel werk lag te wachten.

We hadden zo bijna twee maanden een luiermans erbij. Een maatschappelijk werkster kwam melden dat moeder en kind waren opgenomen in een tehuis.  Mijn moeder huilde en was een paar dagen van streek.

„Ze moeten uit elkaar!’ zei ze, „dat kan toch niet? „Het is niet anders, zei mijn vader, „het leven is niet altijd een lolletje”.

„De Society of Friends!” zei ze. „Ja”, zei mijn vader, „al waren ze katholiek, zulke dingen gebeuren, dat kan een mijnheer Pastoor ook niet aan elkaar praten”. Pastoors, die bleef hij met argwaan volgen.

Met de socialistische voorhoede, die bij elkaar éen blok van de Troelstrastraat bezette, had hij minder moeite. De vader van de jongetjes Roorda was wethouder geworden, en al dagen voor de eerste Mei liepen de broertjes Roorda met grote rode vlaggen door de Troelstrastraat. Door de bewoners van de Troelstralaan werd dat met misprijzen gevolgd.

Mijn moeder naaide op verzoek van de school voor elk van ons razendsnel een lakengrote wit-gele vlag in elkaar. In het voetspoor van de heilige Willebrord, die de Germaanse Kerst wist om te toveren tot een Christelijke geboortedag was de Dag van de Arbeid was door de Nederlandse Bisschoppen tot Sint-Jozefdag uitgeroepen, en nu werden de zwaarden werden geslepen.

Katholieke muziekcorpsen, waarin al de eerste hup-Mariannekes waren opgenomen, trokken door onze wijk, op weg naar het stadscentrum. Twee straten verderop sloten de strenge koperblazers zich aaneen om het Rode Vaandel te volgen.

Ik ging nog op zoek naar protestante presenties, maar die waren, ook in het stadscentrum, onvindbaar.

De eerste mei vertrokken wij in de ochtend achter een dichte wolk van geel-witte vaandels van school naar het plein voor het Distributiekantoor en gaven uitvoering aan een aubade voor de burgemeester, die kennelijk van katholieken huize was, de deken van de Sint Lambertuskerk en nog enkele prelaten. Zonder onze vaandels zou het een miezerige vertoning zijn geworden.

Ik reisde af naar het plein voor het gemeentehuis waar de rode vaandels kennelijk rechten hadden verworven.  Klokke twaalf werden zij door wethouder Roorda vanaf de trappen met een megafoon toesproken. De jongetjes Roorda zaten op de balustrade en wuifden met hun rode vlag. Ik rolde mijn wit-gele vlag uit om hen mijn aanwezigheid kenbaar te maken, en had daarmee onmiddellijk succes. Ze renden op mij toe, vermoedelijk om mij voor een lynchpartij te behoeden. Die angst bleek ongegrond. De socialistische arbeiders om mij heen kwamen zelf uit een katholiek nest en vonden het wel een te waarderen actie. Waarover niettemin in het Hengelosch Dagblad als de respectloze ongeregeldheid gerapporteerd werd.

Toch haalden de socialisten de winst van de dag binnen. Tegen de avond reed een vrachtauto door onze wijk met geluidversterker waaruit vrolijke Amerikaanse marsmuziek klonk. Op elke hoek werd het geluid onderbroken en een stem die ik onmiddellijk als die van buurman Roorda herkende omriep dat om 19.00 uur, op het plein drie blokken verder, dat de Twentse arbeidersklasse van de geïmporteerde middenklassen scheidde, een film zou worden vertoond van Stan Laurel en Oliver Hardy, aan ons, maar dan alleen bij geruchte, bekend als de Dikke en de Dunne.

Samen met de jongetjes Roorda trok ik om half zeven naar het plein. Er werden propagandafilms vertoond van de SDAP en het NVV. Het was nog licht, veel viel er niet te zien, laat staan aan te beleven.

Eerst tegen half acht viel de duisternis in. Er daar begon dan eindelijk de film van Laurel en Hardy, en, het zou werkelijk een onvergetelijke avond worden, daarna nog eens een tweede Laurel en Hardy. Om tien uur togen wij naar huis, om te ontdekken dat mijn vader en wethouder Roorda elkaar op hetzelfde plein getroffen hadden, aanvankelijk op zoek naar ons, maar daarna even opgetogen als wij kijkend naar deze kostelijke voorstelling.

Daar hoorde een korenwijntje bij.

De vertoning van een Laurel en Hardy werd daarna elk jaar op 1 Mei herhaald, en verkreeg de status van een onvervreemdbaar recht. Arbeiders en burgerij zouden ongetwijfeld hand in hand de strijd zijn aangegaan tegen eenieder die hen deze verworvenheid zou hebben willen ontnemen.

Socialisme en electrificatie, het was, ook na deze Tweede Wereldoorlog, nog immer een ijzersterke formule.

Uit: Op de Groei

Bilbao, El Arenal, september 2012