The End of Capitalism Has Begun

Quaker Cottage Aerial View

◊◊◊

Het is nog vroeg in de zondagochtend, een uur of zeven denk ik. Al voor zes uur merk ik dat het een prachtige zonnige dag zal worden. De zon dringt zich door de rolgordijnen van mijn slaapkamer. Geen grauw maar blauw. De witte berk in mijn achtertuin staat er trots en fier bij. Geen storm die mijn aanplant uit 1970, nu een massieve mast van vijfentwintig meter hoog, zou kunnen vellen. Beneden in de brievenbus vind ik de wervende reclame voor een uitvaartpolis. Prullenmand. Ze weten mij te vinden. Ik krijg er elke maand éen, als bevestiging van het feit dat ik slechts asch ben en tot asch zal wederkeren. Zondagskost.

◊◊◊

Er moet een vereniging van begrafenisondernemers bestaan die de zaken onderling goed geregeld heeft. Concurrentie, ja, maar geordend en gereguleerd. Elke maand mag éen collega ondernemer zijn kans grijpen. Er zijn er minstens een stuk of negen die mij ruiken. Velen met mij. Regulering is functioneel. De klant moet niet beangstigd worden maar gerustgesteld.

Ik vraag mij af op welk moment deze vrijposterij begonnen is. Het is natuurlijk leeftijd-bepaald, en er moet een kansberekening aan ten grondslag liggen. Meer dan vijftig procent kans op overlijden dit jaar denk ik. Interessant dat een ondernemer met zo’n gegeven aan de slag kan. Hetzelfde feit, voor mijzelf, wil zich niet tot grondslag van mijn bestaan opdringen.

◊◊◊

Een tweede bericht in de vroege ochtend is van mijn collega Charley McMillan. Per email. In een bijlage verwijst hij naar een doorwrochte tekst: The End of Capitalism has Begun. Lezen? Vanavond denk ik.

◊◊◊

Charley. Aanleiding om mijn gedachten opnieuw een vrije loop te geven. Gedachten. Mijn Free Range Chicken.

In 1970 woon ik met mijn gezin in het Quaker Cottage in het Wharfedale van Yorkshire. In een uitgestrekt, door graslanden en beukenhagen getekend naar de rivier afglijdend landschap. Rond 1600 is dat nog midden op de woeste heidevelden, de woestinen, want de Quakers zijn een als ketters beschouwde gemeenschap van Vrijdenkers. De enige manier om daar te komen is via het dorpje Burley aan de overzijde van de Wharfe, om dan via stepping stones over de wilde rivier heuvelopwaarts de Meeting Place van de Society of Friends te bereiken. Ik meende toen in dit gedachtengoed vroeg-socialistische elementen te herkennen.

Askwith Quaker Cottage 1697

◊◊◊

Mijn jonge Canadese medewerker en vriend Charley is hier een graag geziene gast, tenminste ook omdat hij in zijn politieke overtuiging een ongebreideld conservatief blijkt. Zo kom je ze in Nederland niet vaak tegen. Zijn oudere broer werpt zich al jaren op als veelbelovend conservatief Canadees regeringsleider, en dat geeft ons toegang tot spannende insider stories. Zo dicht bij de coterie van grootmacht en mogendheid zijn wij nog niet geweest.

◊◊◊

Onze discussies vinden plaats op mijn landgoed, op het door mij wekelijks per tuintractor geschoren gazon van Quaker Cottage, dat zich tot de verre einder uitstrekt. Charley hanteert daar zijn geïmporteerde BBQ en werpt onbehouwen Canadese buffel-stukken in de lucht die hij voor zo’n gelegenheid meebrengt. Overgevlogen op kosten van de Canadese overheid. Lees zijn stemmen wervende broer met buffelboeren achterban. Er was altijd behoefte aan mee-eters.

◊◊◊

Onze politieke discussies zijn niet bedoeld om elkaar tot andere gedachten te brengen. Hooguit om uit te vinden wat onze eigen gedachten van dat moment inhouden. Met biefstuk als materiële basis behoort het ontstaan van Freischwebende bovenbouwsels tot de mogelijkheden. Het heeft – bereken ik – ruim veertig jaar geduurd voor Charley zijn geloof in het kapitalisme definitief opgeeft. Met zijn jongste bericht legt hij getuigenis af van zijn wederdoop. Ik ben hem daarvoor erkentelijk. Mijn eigen teloorgang als getuigend sociaal democraat is van veel vroeger datum.

◊◊◊

Wij vormen in het begin van de jaren zeventig een onafscheidelijk viermanschap met Arthur McCullough en Stewart Clegg, toen ook mijn losbandige medewerkers. Stewart Clegg werd enkele jaren later hoogleraar in Australië. Voor Stewart is al in 1970 het  einde van het kapitalisme ingetreden. Om dat te vieren steekt hij regelmatig in mijn tuin, waar alle ruimte is – hij noemt het mijn landgoed – een groot vuurwerk af. Zijn vader heeft een vuurwerkfabriek, en de overjarige boel moet af en toe de lucht in gejaagd worden.

De Yorkshire Post heeft dan de volgende avond een foto op afstand van het vuurwerk, en men vraagt zich af waar, waarvoor en door wie al die kilo’s de ruimte in worden geschoten. Maar ook deze onvervalste Fire-worker heeft vele publicaties later zijn pauwen-kleed afgelegd.

En de onversneden Irishman Arthur McCullough, zo besef ik nu, ben ik uit het oog verloren. Ik vermoed dat hij teruggekeerd is naar zijn geboortegrond en daar wilde pony’s fokt.

◊◊◊

Ik besef het: ik kijk terug. Niet alleen op deze hemelsblauwe Zondagochtend. Mijn dagelijkse blik is bijna ongemerkt een voortdurende terugblik geworden. Charley’s end message verwijst naar deze lotsverbondenheid. Misschien is dat de habitus, het sobere habijt, de monnikspij, waarin ik en mijn comparanten ons haast achteloos aanpassen aan de wentelgang des levens.

◊◊◊