02 Verongelijkten en Ons Soort Mensen

◊◊◊

Ik blader door Het Geluk van Links, van de hand van Tom Pauka. Waar zal ik beginnen? Ik word mij ervan bewust dat ik helemaal niet van plan ben een recensie te schrijven. Ik heb Tom’s memoires gelezen als tijdsdocument. Onlangs las ik een bundel brieven van mensen die familie of vrienden duidelijk maken wat hen overkomt in de eerste jaren van de tweede wereldoorlog. Dat zet mij aan het denken over mijn eigen ervaringen uit die tijd. Hun relaas is de gelukkige aanleiding tot het op gang komen van herinneringen die ik zelf al lang en breed vergeten was. Stof ter overweging. Zo ook dient zich nu mijn verhouding aan jegens het werk van Tom.

◊◊◊

Als hij in zijn boek vertelt hoe hij zijn leven in loondienst inruilt voor het vrije ondernemerschap, weet ik het opeens weer. Ach ja, dat gaat over de Stichting De Beuk. In de jaren zeventig. Een groep jonge linkse professionals uit de wereld van sociale dienstverlening, de gezondheidszorg, de psychotherapie vindt elkaar als gelijkgezinden en hoopt samen een nieuw segment te kunnen aanboren in een uitbundig groeiende adviesmarkt.

◊◊◊

Schaalvergrotingen in de gehele sociale sector leiden ertoe dat vooral voor jongeren met een HBO-opleiding promotiekansen ontstaan op het niveau van het nieuwe management. Bazen zijn al eerder chefs geworden, en chefs betreden nu de eerste sporten van het middle management. Het HBO kent in die tijd nog uitstekende beroepsopleidingen, maar er ontbreekt heel duidelijk éen ingrediënt: het soort van persoonlijke vorming waarin wel aan de Universiteit is voorzien – voor wie dat wil – maar bij het HBO onbekend is.

◊◊◊

Begaafde arbeiderskinderen en kinderen van lagere beambten die het universitaire milieu betreden weten daarentegen, zeker als ze ook wat sociale intelligentie meebrengen, hun social injuries of class van zich af te schudden of tenminste af te dekken. In onderwijsorganisaties, de gezondheidszorg, de gemeentelijke sociale diensten, de woningbouwcorporaties, de verzekeringsinstellingen, de politie en waar al niet verdrie- of viervoudigt het aantal managementniveaus, terwijl het aantal medewerkers op uitvoerend niveau tot stilstand komt. Ik doe daar in diezelfde tijd veel en omvangrijk vergelijkend organisatie-onderzoek naar. En vele honderden studenten die ik begeleid bij stages en scripties kwamen met de sappige verhalen waarvoor ik een onbeschaamd gretige belangstelling aan de dag leg. Er is een duurzame markt ontstaan voor personal consultancy, in het bijzonder voor mental coaching.

◊◊◊

De vrouwenbeweging dient zich daarnaast aan als een marktsegment met veel groeipotentie, maar helaas krijg ik daar – ondanks mijn jarenlang lidmaatschap van Man, Vrouw, Maatschappij – weinig zicht op. De dames gaan ondergronds.

◊◊◊

Overheidsfuncties worden geprivatiseerd. Hoewel de oude garde binnen de Partij van de Arbeid zich daar zwaar tegen verzet kiezen de actieve leden met de voeten. Voor hen gaat de poorten die toegang geven tot het management nu echt helemaal open. De salarisschalen worden opgetuigd, nieuwe bonusregelingen vinden gretig aftrek. De PvdA groeit uit tot een van de machtigste banenmachines van Nederland, het cliëntèlisme bereikt een niveau waaraan Turkse minderheden in Rotterdam een puntje kunnen zuigen, en het CDA dat voorheen altijd het maatschappelijk middenveld beheerste heeft nu het nakijken.

◊◊◊

Meermalen per maand slenter ik, we spreken nog jaren tachtig, op weg naar mijn eigen klussen als inleider tot een of andere, soms ook niet slecht betaalde conferentie, door de Jaarbeurs in Utrecht, het Congresgebouw in de Haag, een of ander tot conferentieoord omgebouwd seminarie of klooster in de provincie. Ik inspecteer aandachtig de borden met vaak door de overheid gesubsidieerde leermomenten voor achtergebleven landgenoten. Hier zijn de thermometers waarop is af te lezen wat en wie er in Nederland te koop is. En éen ding is duidelijk, er is een geheel nieuwe adviesmarkt ontstaan, naast die voor de industrie, voor de internationals, en voor de centrale overheid. Met een nieuw specimen van adviseurs. De school van de Human Relations uit het begin van de jaren vijftig, die inmiddels in de wetenschappelijke wereld als achterhaald wordt beschouwd, lijkt in een nieuwe formule als Personal Relations aan een comeback begonnen. De behoefte daaraan is ontegenzeggelijk groot. Er is een maatschappelijke functie ontdekt. De mental coach vult, om het kort door de bocht te zeggen, de leemte op die na het HBO ook bij de afgestudeerden zelf wordt waargenomen, een tekort waarin aan de Universiteit door studentenleven, kroeglopen en andere nachtbrakerij op amateuristische wijze, maar zeker niet minder professioneel, is voorzien.

◊◊◊

Ik doe De Beuk waarschijnlijk, nee vast en zeker, onrecht als ik ze in deze trends een plaats geef. Er valt ongetwijfeld meer over te zeggen. Het heeft die plaats gekregen in mijn herinnering. Ik heb alleen wat gesprekken met medewerkers uit die tijd paraat, en een of twee sessies waarin ik Tom Pauka aan het werk zag voor ogen. Ik herinner een gesprek bij de opening van de Beuk, die ik mocht bijwonen. Het logo komt ter sprake, een welgevormde groene beuk. Ik kijk naar de oprichters en denk, die bedoelen vast ook de beuk erin. “Ja toch?”, vraag ik. “Zo is dat”, is het antwoord.

◊◊◊

Bij een van de oprichters kwam ik wel eens thuis. Zij heeft daar een mooie, grote, harige, zwarte hond als beschermer. Een soort Italiaanse macho. Ik ben niet goed in hondenrassen, maar mijn grootmoeder van vaderszijde had er twee van dit type in huis, nadat mijn grootvader was overleden. Zij was de dochter van een Haagse Pruisische majoor. Bij binnenkomst springen ze tegen je op, bijna manshoog. Als ik dan mijn evenwicht verlies en op mijn rug val, lijkt het alsof ik hen mijn hapklare buik wil tonen. Daarop beginnen zij onmiddellijk mijn gezicht te likken. Vriendschap heeft wel vaker onderschikking als voorwaarde. Mijn grootmoeder grijpt dan altijd net iets te laat in. Ik vermoed omdat zij dit moment beslist wil meemaken. Het was overigens een bizarre, maar alleraardigste grootmoeder.

◊◊◊

“Hoe heet hij ook weer?” vraag ik mijn Beukster, nadat ik weer overeind gekrabbeld ben. “Jikke” zegt ze, “het is een lieve lobbes”.  Wat dat laatste betekende wist ik inmiddels. “Ik geloof dat ik weet waarom je hem Jikke noemt” zei ik. Het is geen Fries”. “O ja?” vraagt ze. “Jij en Ikke en de rest kan stikke” zeg ik. Ze kijkt me indringend aan: “Hoe raad je het” . Ze is beslist een aardig mens, niet altijd gemakkelijk, stevig links in de PvdA. Een plek waar je zo’n Jikke niet onmiddenlijk zou verwachten. Het kan niet anders of de social injuries of class hebben ook haar niet onberoerd gelaten.

◊◊◊

Tom Pauka doet bij wijze van proloog op zijn memoires een poging zichzelf een plaats te geven in het grote maatschappelijk raderwerk. Voor niemand, zelfs op hogere leeftijd, een eenvoudige zaak. Hij ontwikkelt daartoe een hulpconstructie, een mental map, zoals het bureau Motivaction er een bij de hand heeft om de diepere lagen van ons volksbewustzijn in kaart te brengen.

◊◊◊

Tom benoemt zichzelf als communautarist, een nieuwmens, want mijn spellingscorrector weigert aan dit woord zijn goedkeuring te geven.  Al is het een woord dat natuurlijk doet denken aan de Parijse Commune, aan Frederik van Eeden en aan het georganiseerde communisme. Het communautarisme is (p.17, eindelijk een citaat): “de oervorm waartoe ook het socialisme behoort. De gemeenschap is zo waardevol dat het individu de eigen verlangens als het nodig is ondergeschikt maakt. Terwijl de gemeenschap op haar beurt de ruimte schept waarin het individu zich kan ontplooien”.

◊◊◊

Ik weet niet goed wat ik daarmee aan moet. Ben ik zelf een communautarist? Ik vrees van  niet. Er zijn geloof ik geen gemeenschappen waar ik ervaring mee heb gehad die zo waardevol zijn dat ik mijn eigen verlangens daaraan ondergeschikt maak. Maar mijn eigen verlangens zijn misschien bescheiden. Of zijn zij juist te onbescheiden? Ik weet het alweer niet. De gedachte aan wat in mij ondergeschikt moet worden aan wat daar dringt zich, zo stel ik vast zelden op. In een omgeving van communautaristen zou ik niet deugen, laat staan opbloeien.

◊◊◊

Het helpt als Tom zijn tegenpool identificeert. “Tegenover het communautarisme staat het liberalisme, dat het primaat legt bij het onafhankelijk individu” (p. 19). “Ik heb als communautarist geen hekel aan onafhankelijk denkende individuen, maar wel aan de blijkbaart onvermijdelijke egocentristische richting die het liberalisme kenmerkt”. Als bijkomende kwaadaardigheden somt Tom op, “alles verwachten van de maximalisering van het economisch nut en de zelfverwerkelijking van het autonome individu”; “de vernietiging van het concept burgerschap”; “het verheerlijken van de concurrentie”; en “het verlies van solidariteit”.

◊◊◊

Ik vind dat het communautarisme hier tekort gedaan wordt. Het liberalisme telt zes kenmerken, het communautarisme hooguit twee. Methodologisch levert het problemen op als we deze mental map in de praktijk zouden willen onderzoeken. Het aantal metingen per tegenpool moet dan gelijk zijn. We zijn hier toch zeker niet bij Maurice de Hondt?

◊◊◊

In de studies van Motivaction, waarin een paar honderdduizend Nederlandse burgers op hun moral identities worden ondervraagd komen al de dimensies door Tom genoemd voor, en nog vele andere. Dat leidt tot een moral map waarin 7 of 8 clusters kunnen worden geïdentificeerd. Als we de kiezers of de leden van de Partij van de Arbeid eruit vissen moeten we vaststellen dat zij in grote meerderheid tot het kwaad van het liberalisme zijn verleid. En de VVDers zitten ook al niet op de plek waar zij in het schema van Tom thuishoren.

◊◊◊

In Engeland zijn er al vele jaren twee spraakmakende gemeentes die zich expliciet en met prachtige argumenten buiten dit schema plaatsen: het zijn de Blue Labourites, bewoners van de vele troosteloze arbeiderswijken die van generatie op generatie op de verkeerde partij, de Tories stemmen. En daartegenover dan de Red Tories, ook een omvangrijke maar meer gevariëerde groep van welbespraakte dominees, schrijvers, onderwijzers, medici en andere ‘klassieke professionals’ die conservatief stemmen maar met een gouden links hartje. Het zijn onze politieke transsexuelen, geboren in het verkeerde lichaam. Ik laat zelden na hun boeken te kopen als ik er weer eens een op Internet zie aangekondigd.

◊◊◊

Maar ook met de gewone man is het een en ander aan de hand dat de zaken meer complex maakt. De meeste burgers van deze tijd, of we nu naar Amerika kijken, de Sovjet-Unie, de Duitsers, de Turken of de Marrokanen, of zelfs de Chinezen, blijken naast nationalisten en gemeenschapszoekers, ook calculerende Profi-Burger, op zoek naar persoonlijk gewin, in het bijzonder in hun strijd jegens hun gulzige en onverzadigbare overheden. In Nederland zijn we in dit opzicht geen haar beter. In het sociaal verkeer bewegen we ons graag op de moral highground, wanen we ons onbespied dan lijken rauwe hartstochten en verlangens het roer over te willen nemen. “Het is bekend” zeggen ze in China, Iran en Argentinië: de duivels zijn alomtegenwoordig en niet van de onze aardbodem verdwenen.

◊◊◊

Gelukkig brengt Tom Pauka een tweede dimensie aan waardoor zijn mental map sterk aan duidelijkheid en expressiviteit wint. De twee tegenpolen zijn daar: de verongelijkten (VOG’s) tegenover ons soort mensen (OSM’s). De verongelijkten, ofwel

“degenen die zich gedragen alsof ze ten onrechte ‘ongelijk’ zijn behandeld. Alsof ze achtergesteld zijn, minder hebben gekregen dan waarop zij recht dachten te hebben. We noemen ze ‘verongelijkt’, omdat we hun gevoelens op het eerste gezicht niet terecht vinden, maar (TP) daarover ga ik in latere hoofdstukken twijfel zaaien” (p.20).

◊◊◊

Tegenover degenen staan de elite van OSM’s, waartoe Tom Pauka zichzelf moet rekenen, omdat hij zich – tegenwoordig, voegt hij toe – niet tekortgedaan voelt. Maar hij spreekt ook zijn lezer als OSM-er aan, “U, geachte lezer”, waarvan hij voetstoots aanneemt dat die in dezelfde categorie thuishoort. Ik voel mij daar uiterst ongemakkelijk bij. Ik ben geen OSM. Ik ben een mislukte kameleon. In een omgeving van Labourites wordt ik Blue, in een omgeving van Tories, verschiet mijn kleur naar Red.

◊◊◊

De eerste verongelijkte die hij onmiddenlijk daarop noemt is Pim Fortuyn, “de Nederlandse Le Pen, die het beeld van Nederland als gidsland ernstig heeft beschadigd.” En dan denk ik Tom, je hebt te lang in het buitenland gewoond, de verkeerde kranten gelezen, en als je hier op bezoek was, de verkeerde mensen gesproken. Tom: “De verongelijkten worden gedreven door een voor ons moeilijk te begrijpen rancune. Wat hebben wij hun aangedaan? Wat hebben zij ons aangedaan om deze haat (want dat is het, of niet soms) te rechtvaardigen?” (p20).

◊◊◊

Ik heb Pim Fortuyn goed gekend, vanaf de tijd dat hij nog student was. Hem begeleid bij zijn promotie, en beoordeeld als lid van de promotiecommissie in Groningen. We hebben eendrachtig of ruziemakend meerdere wetenschappelijke congressen een beetje of fors uit het lood getild. We kwamen wel eens op elkaars verjaardagen. Hij was af en toe volstrekt exotisch en nauwelijks te harden, maar bruiste van vitaliteit en scherpzinnigheid. Er waren weinig mensen in mijn vakgebied binnen de sociale en politieke wetenschappen met eenzelfde up-to-date belezenheid. We bekeken altijd elkaars boekenkast. Had hij nog iets spannends ontdekt wat mij ontgaan was, of was het deze keer omgekeerd?

◊◊◊

Toen Wil Albeda mij vroeg  om hem op te volgen in Rotterdam, vroeg ik beraad, maar zag ervan af omdat ik in Amsterdam nog bezig was aan het opbouwen van een nieuwe studierichting Organisatie en Beleid. Hij noemde mij toen zijn alternatieven. Ik vond dat saaie, brave alternatieven. “Neem Fortuyn”, stelde ik voor. “Dan krijg je wat gedonder, maar er staat heel veel tegenover. Je krijgt een jou waardige opvolger”. “Stuur me nog een briefje”, zei Albeda. En het werd Fortuyn.

◊◊◊

Op het hoogst van de Fortuyn-golven die een paar jaar op de Nederlandse kusten beukten, vraag ik hem, in aanwezigheid van Wim Kok, ergens op een eetkasteel in Wassenaar: “Heb je er spijt van?” “Ja”, zegt hij, “ik heb er regelmatig spijt van. Maar ik ben ook erg blij dat ik toen de enig juiste beslissing genomen heb.” Wim Kok onthield zich, zoals gewoonlijk, van commentaar. Maar ik had Wim Kok ook nog meegemaakt toen Pim met enige regelmaat bij hem over de vloer kwam. Als zijn mental coach. Ik kon me dat niet goed voorstellen, maar ik zag Pim een keer een arm om Wim heenslaan. “Het is geen gemakkelijke tijd voor je” zei Pim tegen Wim. Bij een zwijgende Wim stonden de tranen in de ogen. Hij keek haastig rond of iemand het gezien had. Ik denk dat die rancuneuze, verongelijkte Pim de enige is geweest die deze Wim zo na wist te komen.

◊◊◊

Het meest merkwaardige vind ik dat Pim, net als Tom Pauka dat ook in zijn boek expliciet aangeeft, vanuit de positie van welgestelde, aan de ten achter gestelden waarvoor binnen de partij van de Arbeid geen plaats meer is, een stem probeerde te geven, en het politieke gewicht dat nodig is om sociale veranderingen tot stand te brengen. Die ten achter gestelden bevinden zich niet specifiek in de prachtwijken van Utrecht.

◊◊◊

Pim richtte zich, rechtstreeks, tot een veel bredere, minder ostentatieve categorie. Tom nam met hetzelfde edele doel voor ogen, de mentaliteit van de partijleiders onder handen. In alle eerlijkheid. Zo ongeveer zoals Bonifatius de Saksische koningen bezocht om daarmee het Saksische volk nader tot het geluk te brengen.  Pims aanpak bleek, for better or worse, succesvol. Van de aanpak van Tom kan dat denk ik, niet zo duidelijk worden vastgesteld.

 ◊◊◊