Genese van een Bossche stamboom

De wortels van mijn familie liggen in en rond ‘s-Hertogenbosch, en in de tijd moeten we dan terug naar een periode kort na 1200. In de eeuw die daarop volgt vindt een verspreiding plaats over andere kwartieren van de Meierij.

Er zijn belangrijke zijtakken in Antwerpen, en later in Amsterdam. En er zijn voorvaderen in Aalst (Alost) en Gent (Gand). En dan zijn er ook nog veel latere sporen van kooplieden in Venetië, Genua, Sevilla, Mallorca, en veel Noordelijker op het eiland Schonen, en in Hanzesteden zoals Riga.

In oorsprong zijn de Bossche Tolincs een zijtak van de burggraven (vicomtes) van Gent die het tolrecht als erfgoed hadden verworven van de belangrijkste tol over de Schelde, bij Antwerpen. Burggraven zijn de beheerders van een burcht , de kastelein bij wie een voortdurend door zijn land rondreizende hertog of graaf  voor kortere tijd verblijf houdt om zijn zaken in de regio af te handelen, en de onderdanen door persoonlijke aanwezigheid in zijn ban te houden. Bij verstek handelt de burggraaf als zijn stadhouder binnen de ruimte die hem door zijn heer wordt gegund. Zijn beloning bestaat uit de opbrengst van domeinen in de directe omgeving, en van schenkingen die hem voor bijzondere verleende diensten worden toebedeeld. De burggraven hebben ook familiaal erfgoed, dat hen tot van ver buiten het domein van hun heer kan zijn aangekomen. In de periode rond 1200 begint het burggraafschap al een zuiver titulaire betekenis te krijgen, als een erefunctie geschonken aan een vertrouweling van het hof. Er komen schouten, meijers en rentmeesters voor in de plaats, de steunberen van een nieuwe bureaucratische ordening van de macht.

Tot de bescheiden eigen bezittingen behoorden kleine domeinen in het gebied van Rijksvlaanderen, vooral in de omgeving van de Vier Ambachten en Axel. Dat zijn bij uitstek poldergebieden, zoals enig bezit elders in de kuststreek veroverd werd op het wassende water. De Tollincx waren, voorzover dit is na te gaan, in het bezit ervan gekomen als mede-investeerder  en project-ontwikkelaar in enkele van de oudste polderprojecten van die tijd in het gebied Bewester-Schelde.

Mogelijk heeft deze kundigheid er ook toe bijgedragen dat enkelen van hen terecht kwamen in het moerassige Maasdal waar de Brabantse hertog zijn oog op had laten vallen. Tot dan toe waren daar nog vrijwel geen dijken van enige betekenis opgeworpen, zodat het water van de Maas het grootste deel van het jaar om de talloze bewoonde zanddonken langs zompige moerassen voorbijdobberde, tot aan de donk waarop  ‘s-Hertogenbosch word gebouwd.

De bekendheid met dit gebied ontstond toen de burchtgraaf van Aalst, Diederic Tollinc, aan de zijde van de hertog van Brabant, en erfgenaam van Neder-Lotharingen ten strijde trok tegen de graven van Gelre. Deze beoogde daarmee zijn aanspraken op het voormalige grondgebied van Neder-Lotharingen tot aan de oevers van de Maas te bevestigen.

Na de slag tegen de Geldersen, die leidt tot een overwinning in 1203 blijkt deze Diederic een van de  mede-ondertekenaars van een vredesverdrag. waarin de graaf van Gelre van Gelre zich gewonnen gaf door een aantal van zijn belangrijke lenen in Brabant aan de hertog af te staan.

In de decennia daarna worden door de Brabantse hertog een aantal versterkte steden gesticht in het veroverde gebied. Grote delen van het moerasgebied worden tegen een geringe cijns aan toestromende kolonisten in erfcijns gegeven voor een geringe vergoeding, onder de verplichting van bedijking, ontwatering en ontginning. Nog voordat de dijken zijn aangelegd wordt zo een wal opgeworpen tegen aspiraties van de Geldersen. In de stad verzamelen zich van heinde en verre de kooplieden, maar het wordt ook een toevluchtsoord van grote aantallen ambachtslieden uit de directe omgeving. Zij kiezen voor de stedelijke vrijheid. Feodale heren raken ernstig onthand. Hun dorpsmarkten leggen het loodje tegen grote weekmarkten in de stad. Hun economische en sociale positie wordt ondermijnd. Er waart een spook door het gewest. De gevestigde orde krijgt het moeilijk. Dat was ook precies de insteek van de Brabantse hertogen. Sterker dan elders in het Brabantse zijn zij daar voortreffelijk in geslaagd.

Enkele zonen van Diederic Tolinc worden zo  – met tal van anderen uit hun omgeving – door voordelige uitgifte van ontginningsgronden  en toekenning van tolvrijheid en tal van andere koopmansprivileges verleid om zich aan de grens met Gelre langs de Maas, de nieuwe limes van Brabant, te vestigen. Er zijn behalve deze pull- ook push- factoren te onderkennen. Ongekend grote overstromingen in het Zeeuws-Vlaamse kust gebied vernietigen daar een groot deel van het geïnvesteerde familiekapitaal. En de Gentse burggraven raken in een reeks van politieke verwikkelingen verzeild die hun positie wankel en aanvechtbaar maakt.

Ontginningen en soms ook woongebieden van de Bossche Tolinc’s bevinden zich aan de oevers van het riviertje de Aa, een bevaarbare stroom die vanuit de Kempen via ‘s-Hertogenbosch en Orthen uitkomt in de Maas. Vanuit Vught voegt zich daar de Dieze bij de Aa. In de oksel van Dieze en Aa, op de hoogste donk in deze omgeving, komt met de nederzetting van ‘s-Hertogenbosch een bloeiende stad tot ontwikkeling. Aan de  Aa, ter hoogte van Berlicum kruist een oude romeinse handelweg deze stroom, met op de oostelijke oever het buurtschap Middelrode,  en aan de andere zijde het buurtschap Belver dat tot Haaren wordt gerekend. De handelsweg legt een vebinding tussen Nijmegen en Antwerpen. Verder stroomopwaarts aan diezelfde Aa, aan en in het poldergebied bij Hintham, Orthen, en Maeelstrem vind ik meer bezittingen  van deze Tolincx. Maar in de eerste plaats aan en binnen de stadsmuren van ‘s-hertogenbosch zelf.

Van Middelrode naar Belver vormt het Gewadt de oversteek voor de reizigers op deze handelstoute, een doorwaadbare plaats waar ook twee watermolens staan,  en een versterkte, omwalde en omgrachte hoeve,  ter plaatse Seldensadt. Veel later is dit de locatie het ‘huys van pleyzier’, het ‘kasteeltje’ Seldensathe. Rond 1300 blijken de Bossche Tolinc’s eigenaar van deze hoeve, en via huwelijk medegeërfden van de houders van de locale molenrechten.

Overigens zijn zij in de stad gedurende vele generaties actief als corencopers,  kooplieden, die aanvankelijk de graanhandel op Antwerpen en Kortrijk onderhouden, dé grote stapelplaatsen voor de aanvoer van graan uit de Artois. Zij wonen ook daar in het centrum van de stad, aan de Korenmarkt.

Koren is niet alleen een grondstof voor brood en bier, maar ook onmisbaar als ruilmiddel in het economisch verkeer, naast de harde munt. Majestueuze korenpakhuizen aan de Markt van steden als  ‘s-Hertogenbosch, Antwerpen, Gent, Aalst en later ook Amsterdam zijn ook in functie als bank voor de opslag van een of meer mud rogge die per wisselbrief van eigenaar verandert bij betaling van bijvoorbeeld de jaarlijkse cijnsen en pachten. Deze Bossche Tolincxen, een naam die wat later geschreven wordt als Toelincks’, in beide gevallen uitgesproken zoals het hedendaagse Teulings, vinden we in de loop der tijd ook actief als coop-brouwers (handelaren in brouwerij-producten), en als maalders, aanvankelijk als koper van molenrechten, maar al snel ook zelf als korenmolenaars.

Een tweede kind van Diederik vestigt zich, met zijn kinderen, in ‘s-Hertogenbosch als harnasmaker, een beroep dat ook over meerdere generaties wordt uitgeoefend. Vanwege de complexiteit van het eindproduct is dat altijd in de vorm had van een arbeidsdelig, ambachtelijk familiebedrijf. Deze Diederik bewoont een steen met toren in de stad op een plaats die tot op de dag van vandaag bekend staat als Het Verguld Harnas. Dat verwijst natuurlijk naar een opvallend uithangbord, maar geeft tegelijk aan dat dit bedrijf vooral afhankelijk is van opdrachten van de landadel in de regio. In het Brabantse waren er nog belangrijke harnasmakers te vinden in Brussel, Leuven en Antwerpen, maar dan hield het wel zo ongeveer op. Met een harnas ‘van over de grens’ uit Gelre, Keulen, Utrecht of Dordrecht kon je toch moeilijk bij de hertog van Brabant je opwachting maken.

Juist in woelige tijden was het dus voor deze voorouders goed zakendoen. De korenprijzen schoten dan omhoog en de wapenrustingen vlogen de deur uit. Ik hoop dat dit enige invloed heeft gehad op de ontwikkeling van onze genen.

Het bovenstaand geeft heel in het kort de kaders weer van een langdurig project waarin ik probeer kleur te geven aan een grijs, maar geen duister verleden. Er zijn heel wat puzzelstukjes verzameld en aan elkaar geschoven om zover te komen. Ik ben er zeker van dat het geschetste beeld kan gaan verschuiven, maar op dit ogenblik is het, in al zijn betrekkelijkheid het beste dat ik er van kan maken.

One thought on “Genese van een Bossche stamboom

  1. Dag Richard,
    Dank voor je plezierige reactie. Toch altijd weer aangenaam om te horen. Wat je gegevens over gebouwen en adressen betreft: Ik denk dat ik het overzicht waar jij op doelt al via mijn grootvader in bezit heb. Gebonden in een mooi boekje, niet gerukt maar op een ouderwetse vooroorlogse typemachine uitgetikt. Uitnodigend tot een rondwandelingHij had contact met Frans Teulings en met zijn nicht die met een destijds bekende brabantse genealoog getrouwd was. Voordat je mij iets gaat toesturen is het misschien goed even te schrijven of we het over hetzelfe hebben?
    Hartelijke groet

    Ad

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s